Onrust in het dorp

Alles wat de Vlaamse auteur Bart Moeyaert schrijft - Kus me (1991), Blote handen (1996), Mansoor (1997) - bergt een geheim in zich. Zijn verhalen aarzelen tussen de klassieke tragedie en de thriller. Achter de zorgvuldig geformuleerde regels ligt iets op de loer, en een gevoel van naderend onheil beneemt de lezer vanaf hoofdstuk één de adem. In Wespennest is het niet anders. Een dorp maakt zich op om het jaarlijkse zomerfeest te vieren: te veel bier en vette worst, zwetend gehos en een enorm vuur. Een mooie jongen, poppenspeler in het verre Brussel, komt op zijn scooter het kerkplein op gesjeesd en brengt onrust, met name in het hart van de veertienjarige Suzanne Dantine.

Tot dat moment lijkt haar bestaan onwrikbaar vast te liggen. De vader is verongelukt door een verdwaalde kogel uit een jachtgeweer, tijdens een idyllische boswandeling met zijn gezin. De moeder is vreemd en onbenaderbaar geworden door onverwerkt verdriet en het ooit beloofde hondje zal wel niet meer komen. De dorpsgemeenschap bemoeit zich met alles en iedereen, maar bovenal met het kabaal in de kennel. Dat geblaf wordt met de dag onverdraaglijker: die honden moeten weg! Dan komt Suzanne in beweging. De jongen op de scooter maakt even het perspectief van een wereld achter het dorp zichtbaar en daarmee dat van zelfstandig handelen, los van de vertrouwde maar knellende banden. In de roes van het feest weet ze de honden los te laten en zo wraak te nemen op de machteloze positie waarin ze zich gemanoeuvreerd voelt. De poppenspeler verdwijnt - hij was alleen de steen die rimpeling in stilstaand water moest veroorzaken - maar de eerste stap naar volwassenheid is gezet.
Wespennest is een tegelijkertijd benauwend én bevrijdend verhaal, opgebouwd uit suggestieve, filmisch geschreven scènes, waarin niets zonder betekenis en samenhang is. Roodkapje schemert achter het grote bos, en de verleidelijke jongeman die Suzanne van het rechte pad lokt en die ook nog Wolfgang heet.
Mooi zijn de momenten waarop het meisje moet bepalen of ze wel of niet nog bij het kluwen kinderen hoort en waar het dorp zich op een hond stort, als vooruitwijzing naar het slot, wanneer de eigenaar van de honden zal worden gepakt. Knap is in enkele streken het bastion van een kleine plattelandsgemeenschap neergezet, tegelijkertijd veilig in saamhorigheid en verstikkend van intolerantie. Net als haar moeder aarzelt Suzanne tussen erbij horen of buitenstaander blijven. Uit elke zin proef je dat Moeyaert een woord driemaal omdraait vóór het mag blijven. Deze strengheid en precisie hebben hem waarschijnlijk gebracht tot het binnen de jeugdliteratuur ongekende verschijnsel van het herschrijven van een eigen boek: Suzanne Dantine uit 1989. Het gegroeide vakmanschap is zichtbaar. Overbodige ruis is weggesneden, zodat het verhaal aan kernachtigheid wint.
Gebleven is de weinig sterke opbouw in twee tijdlagen. Suzanne, die als klein meisje een stuk van het verhaal vertelt, blijft ongeloofwaardig. Bovendien wordt het ritme van afwisselend een hoofdstuk heden en verleden op driekwart van het boek hinderlijk afgebroken. Wezenlijk sterker is het slot, waar de schrijver scherp inzoomt op zijn hoofdfiguur en haar de macht over de gebeurtenissen en het eigen leven gunt. Daarmee schreef hij een jongerenroman bij uitstek.