Onrust in het Hertogenwoud

RENÉ HUIGEN
WOUDMAN
De Bezige Bij, 222 blz., € 18,90

Volgens Jacques Pierre Brissot, voorman van de Girondijnse factie tijdens de Franse Revolutie, was het besluit om Oostenrijk in het voorjaar van 1792 de oorlog te verklaren het enige juiste; het zou de glorieuze revolutionaire vrijheid over de rest van de wereld verspreiden, een oorlog waarin elke Franse soldaat, in Brissots woorden, tegen zijn vijand zou zeggen: ‘Broeder, ik ga niet je keel doorsnijden. (…) Ik ga je de weg naar gelukzaligheid laten zien.’ Het bleek een scharnierpunt op weg naar een republiek. De oorlog, grotendeels uitgevochten in wat nu België is, zou koning Lodewijk XVI voorgoed isoleren van zijn buitenlandse steun. Met een vlakke, trillende stem las Lodewijk de oorlogsverklaring voor, schreef historicus Simon Schama in Citizens (1989), zijn uitmuntende kroniek van de Franse Revolutie, ‘as though it were a death sentence upon himself. Which it was’.
‘Het was de afgelopen weken onrustig geweest in het woud’, merkt Woudman op, en wat hem betreft zegt dat het allemaal. De wereldgeschiedenis glijdt langs de titelfiguur van René Huigens nieuwe roman heen. We spreken 1798. De Fransen hebben Woudmans habitat, het Hertogenwoud tussen Luik en Eupen, veroverd, verlaten en heroverd, de kerken dichtgetimmerd, de kalender opnieuw ingedeeld – terwijl het Directoire in Parijs de Zuid-Limburgse dorpjes leeg ronselt om hun troepen op sterkte te houden. Maar Woudman vult zijn dagen met alchemistische experimentjes en het gadeslaan van de amoureuze escapades van jonkvrouw Georgine. Uiteindelijk, als hij een vrachtje door het bos vervoert, wordt hij de spil in een spel tussen revolutionairen, pro-klerikalen, struikrovers en een gedoemd aanstaand huwelijk.
Woudman is René Huigens eerste roman in negen jaar tijd. Als dichter werd hij tot de Maximalen gerekend en zijn laatste romans, Tegen de vlakte (1997) en Faustine (2000), werden geprezen en bekritiseerd omdat ze vooral van metaforen en symboliek aan elkaar hingen.
Misschien is er nu weer zoiets aan de hand. Woudman is niet sec een historische roman. Huigen weigert te kiezen tussen de geschiedenis en de niet-geschiedenis, wat een vreemde mengeling oplevert. Als je hem als parabel op onze tijd zou willen zien (zoals de achterflap stelt), dan leest de roman met enig doordenken als een commentaar over hoe mensen zich voor persoonlijk gewin in de geschiedenis mengen, hoe mensen die zich erbuiten willen houden erin ten onder gaan en hoe godsdienstvrijheid druk op de ketel zet. Het is onduidelijk. Misschien moeten we ons niets van de achterflap aantrekken.
Huigen laat zijn personages – en dus zijn lezers – in historisch verantwoorde speeches en gedachten binnenlopen die niet te volgen zijn voor wie zich niet acuut thuis voelt in de vroegmoderne geschiedenis. Hij laat ze oud-Limburgse woorden gebruiken, die kunnen worden opgezocht in het glossarium. Wat hij daar precies mee wil is onduidelijk. ‘Of misschien vond hij iets te hachelen (…) Maar hij vond slechts enkele walnoten, die groeiden aan de klabbertoet in de tuin.’ Het gecursiveerde komt van Huigen. ‘Hachelen’ snappen we wel, een ‘klabbertoet’ blijkt een walnotenboom te zijn. Aha. Dit dialect wordt geheel niet consistent door de roman heen gebruikt, maar als Huigen iets later het woord ‘terroristen’ gebruikt, haast hij zich in het glossarium om te zeggen dat deze term toen nog niet zo werd gebruikt, maar dat hij zich dit anachronisme hier toestaat om ‘een verband met het heden te leggen’. Iets eerder laat hij ook een personage heel contemporain bedenken dat (leden van een familie) ‘ooit fout waren geweest in de oorlog, ofschoon dat toentertijd niet terstond duidelijk was, want fout waren slechts zij die door de geschiedenis in het ongelijk werden gesteld’. Huigen schreeuwt hier om de vergelijking met de Tweede Wereldoorlog.
Die tweeledigheid geldt voor het hele boek. Het gevolg is dat de achttiende eeuw niet echt de achttiende eeuw wordt; het zijn niet de ‘beste der tijden en de ergste der tijden’ die zowel heroïsche als opportunistische personages op de guillotine doen belanden (denk aan die arme, tot over zijn oren verliefde Sydney Carton, in Dickens’ A Tale of Two Cities), het is eerder het avontuurlijke, onbekommerde fantasietijdperk waarin Douwe Dabbert zijn kluchten beleefde.
En met kluchten blijkt Huigen het best uit de voeten te kunnen – al duurt het even voordat dat zichtbaar wordt. Veel hoofdstukken in de eerste helft van het boek zijn, zeker door de wisseling van perspectieven (eigenlijk komt Woudman amper aan bod), moeilijk te volgen. Pas als de verhaallijnen over elkaar heen vallen, kun je Huigens spottende, laconieke stijl echt op prijs stellen. Het hoofdstuk over vrouwe Georgine die in haar torenkamer, terwijl haar aanbidders in haar naam vechten, het masturberen ontdekt, is geweldig grappig. ‘Ze had erover gelezen in het Journal de Bruxelles, dat haar vader niet op de salontafel durfde te leggen, uit vrees dat men hier op het platteland de taal toch iets te vrijpostig en opruiend zou vinden, maar dat hij in zijn bureaula verstopte met het idee dat het daar zeker voor de hongerige blikken van zijn dochter veilig zou zijn.’ Dickensiaans lollig is ook de hopeloos inadequate Franse bestuurder Prud’Homme die wel eventjes orde op zaken gaat stellen. Woudman is een eigenaardig boek van een eigenzinnige schrijver.