Onrust in het paradijs – en een olifant

De beweeglijkheid van vorm en figuratie bij Rembrandt, en ook Rainer, groeit uit het vrij bewegen van een etsnaald door een onwaarschijnlijk waarnemer.

Het eerst, natuurlijk, zien we in Rembrandts ets de twee hoofdfiguren Adam en Eva. Die trekken de aandacht. Maar als ik ze samen zie, let ik toch meer op de vrouw die, omdat ze kleiner is, meer ontroert. Intussen staan de twee zo opgesteld alsof ze, terwijl ze aan de wandel waren, met elkaar in gesprek raakten en dus even stilstonden op het ruwe, oneffen pad – net in de schaduw van de boom. De knoestige stam van de boom is zwaar en stevig. De boom, rechts in het blad, is de meest massieve vorm in de ets. Boven aan de stam hangt de grillige figuur van een draakachtig reptiel. Wij kijken er van onder tegenaan.

Rembrandt van Rijn, Adam en Eva, 1638. Ets, 16,3 x 11,7 cm © Rijksmuseum Amsterdam

Het spektakel begint met de verwarde begroeiing aan de voet van de boom van waaruit we het beest zien groeien. De slinger van een geschubde staart zien we en dan een pezige achterpoot en de scherpe klauw waarmee de draakslang zich in het hout vastklemt. Maar een stuk van het beest is te zien. Het lijkt op een lenige hagedis. Kennelijk beweegt en krult het zich langs de achterkant van de boom verder naar boven. Dan komt de spitse snuit te voorschijn en een stuk van een korte vleugel als die van een vleermuis. De bek heeft een stompe neus, priemende ogen en ook een spitse tong. Het beest kronkelt zich achterlangs de boomstam die daar in de hoek, rakend aan de bovenrand van het blad papier, ook wordt afgesneden. De valse kop van de slang verschijnt van daarboven en hangt dan (zien wij van beneden) vlak boven het hoofd van Eva. Het reptiel praat en sist ook. Dat is wat er gebeurt: onrust in het paradijs.

Dat Rembrandt het beest met die agressieve kop zo plotseling en slinks te voorschijn laat komen, is een waar meesterstuk van enscenering. Door het vormgekronkel daar rechtsboven worden wij afgeleid in ons kijken naar die twee mensen op het pad. Links boven in de ets hangen bladertakken met wat vruchten. Adam en Eva staan daar aandoenlijk bij elkaar en ietwat beschut als in een prieel van lover en ook wat in de schaduw. Het meeste heldere licht in deze adembenemende mise-en-scène valt van links op het lagere deel van de kloeke boomstam. Die begint, zien we nu, rechts vooraan in de hoek en helt daarna dan wat achterwaarts in de fantastisch geregisseerde ruimte van de vertelling. Het licht van de zon, schuin van links, raakt ook heel helder Adams schouder en bovenarm en rechterbovenbeen. Hij staat net iets achter Eva tegen de aarden wal geleund. Zijn rechtervoet rust iets hoger op de oneffen ondergrond dan zijn linker. Het linkerbeen is gestrekt, het rechterbeen gebogen. Zijn tanige, schrale gestalte lijkt daardoor nogal geagiteerd vergeleken bij de stille en iets kleinere, mollige Eva.

Door het vormgekronkel worden wij afgeleid in ons kijken naar die twee mensen

Omdat ze in een schemering staan, zien wij ze in zacht tegenlicht, want verder ligt de achtergrond ruim in het licht: een vredige en vriendelijke vallei met bomen en een plompe, olijke olifant die daar zomaar rondloopt.

Dat dier daar lijkt mij een inval van de kunstenaar – het is licht en los geëtst, wat geldt voor heel die luchtige achtergrond van geboomte aan de overkant van de vallei. Zo heeft de ets een voorgrond die bestaat uit een stuk grond waar de zware boom uit groeit en dat de plek is waar de hoofdpersonen in het tafereel zich ophouden. Kennelijk is er voorbij die plek een diepe ruimte. Daaraan voorbij ontwaren we een doorzichtig vergezicht dat heel licht met de naald is gekrast. Daar loopt ook de olifant. In de opzet van de ets zette Rembrandt eerst de hoofdzaken neer op het oneffen stuk pad terzijde van de boom. Die plek werkt als een intiem podium voor de voorstelling. Het krijgt gewicht doordat verschillende soorten van gekras en arcering zich daar langzaam verdichten.

Arnulf Rainer, Gesichtsprofil, 1971. Ets, 33 x 25 cm © Arnulf Rainer Museum

Op die verstrengelingen van lijn, onnavolgbaar als snel kronkelend water, ben ik weer gaan letten toen ik me laatst met prachtig bewegende, abstracte etsen van Arnulf Rainer bezig heb gehouden – in elkaar verstrengelde kluwens van heen en weer gekraste lijnen die zich tot figuren verdichten die onbeschrijflijk levendig zijn. Zo impulsief en vrij moet ook Rembrandt hebben gewerkt. In het snel en vrij en wendbaar bewegen van een etsnaald zit een vrijmoedige energie die de vindingrijkheid losmaakt van een kunstenaar. Kijk nog eens bijvoorbeeld naar de warrige begroeiing onder aan de boom (waar het slangbeest uit groeit) of naar het ritselende gebladerte verder bovenin. Wat daar aan beweeglijkheid van vorm en figuratie wordt vertoond, kan nauwelijks eerst worden ontworpen. Dat ontstaat en groeit uit het vlug en vrij heen en weer bewegen van een spitse etsnaald in de hand van een kunstenaar die een trefzekere tekenaar was, maar meer nog een onwaarschijnlijk waarnemer van wat hij zag. Zo vond hij ook, maar anders van toon, dat sluierachtige vergezicht in de vallei – met de verschijning, als in een sprookje, van een dartele olifant.