‘ons china’

In de bestseller ‘China kan nee zeggen’ voorspellen obstinate Chinese intellectuelen dat de Volksrepubliek zal herrijzen. Zeven jaar na de opstand van de Hemelse Vrede komt de oppositie uit een heel andere hoek. Op bezoek bij de neo-nationalistische schrijvers. ‘Ons gelijk zal in een eventuele oorlog beslissend zijn.’
PEKING - ‘Amerikanen kunnen dan wel pochen over hun sterke marine, maar ik kan de Verenigde Staten dit zeggen: niemand moet vergeten dat wij, Chinezen, de grootste bevolking ter wereld hebben. Als iemand ook maar denkt dat wij bereid zijn te onderhandelen over de positie vanTaiwan, heeft hij het mis, heel erg mis.’

Dit citaat komt uit een boek met de titel China kan nee zeggen. Het is de afgelopen lente uitgekomen in de Chinese Volksrepubliek en is sindsdien in honderdduizenden exemplaren over de toonbank gegaan. Vooral in Peking is het heel populair.
China kan nee zeggen is een uiterst venijnig, ultranationalistisch werk en heeft zowel in China als in het buitenland al voor veel opwinding gezorgd. Haast iedereen in de Chinese elite heeft het gelezen of heeft er in ieder geval een mening over. Mede door toedoen van dit boek lijken vele, doorgaans zachtaardige intellectuelen, studenten en kunstenaars plotseling begeesterd door een extreem soort nationalisme en worden ze obstinaat als de internationale positie van China aan de orde komt. Wat is dit voor een boek, dat vriendelijke mensen doet veranderen in ijzervreters?
In China kan nee zeggen wordt alles wat ook maar enigszins naar het buitenland riekt door de vijf co-auteurs - Tang Zhengyu, Song Qiang, Qiao Bian, Zhang Xiaobo en Gu Qingsheng - onder vuur genomen. Er wordt een breed en ogenschijnlijk onsamenhangend scala bestreken - de inhoud strekt zich uit van universele mensenrechten tot Mickey Mouse en van de Amerikaanse presidentsverkiezingen tot dierenliefde en westers individualisme. Al deze zaken zijn volgens de schrijvers niet te verenigen met de traditionele Chinese cultuur en moeten daarom te vuur en te zwaard worden bestreden. Zelfs Project Hope - een internationale organisatie die zich voor het welzijn van kinderen inzet - is volgens de auteurs een neo-imperialistische mantelorganisatie die erop uit is de Volksrepubliek cultureel te ondermijnen.
De rode draad in het betoog is dat een in toenemende mate sterk, trots en rijk China zich op zijn eigen waarden en normen moet baseren als het land zich een eigen plek wil verwerven in de internationale culturele, politieke en economische verhoudingen. En als het niet anders kan, zal China daar oorlog voor moeten voeren.
SOMMIGE CHINESE commentatoren hebben het boek met welwillendheid besproken, maar in het buitenland reageren de media over het algemeen uiterst geprikkeld op dit nieuwe nationalisme. Bezorgde China-specialisten vragen zich af of in China een brede nationalistische beweging in opkomst is die, als het momentum zou weten te krijgen, voor veel onrust in de internationale verhoudingen zou kunnen zorgen. En de Amerikaanse ambassade in Peking, ook niet vrij van komplottheoretisch denken, heeft al geprobeerd te achterhalen of niet de Chinese overheid zelf achter de vijf, tot voor kort onbekende, jonge schrijvers schuilgaat. Maar dat is onwaarschijnlijk. Het boek is verbannen uit de staatsboekwinkels en vanaf begin oktober is het kranten zelfs verboden nog interviews met de schrijvers te publiceren.
Waarom dan het succes van dit onstuimig nationalistisch werk? Waarom wordt een boek waarin het interraciale huwelijk gelijkgesteld wordt aan culturele uitverkoop in honderdduizendtallen verkocht? Het lijkt erop dat het in de eerste plaats een reactie is op - zoals Chinezen het zien - de westerse culturele arrogantie, rijkdom en betweterij. De laatste jaren reageren veel intellectuele smaakmakers steeds geprikkelder op internationale kritiek, hoe goed die kritiek ook bedoeld kan zijn, en vooral de Amerikaanse pers wordt verweten dat zij niet begrijpt dat China nu eenmaal de Verenigde Staten niet is.
SONG QIANG (28) lijkt eerder op een onzekere student dan op de geharnaste nationalist die ik me op grond van zijn aandeel in China kan nee zeggen had voorgesteld. Achter dikke brilleglazen blikken zijn ogen nerveus in het rond terwijl hij kettingrokend zijn ultranationalistische betoog afsteekt. Gefascineerd door deze puisterige jongeman, die tegen heug en meug een rollenspel lijkt te spelen, kan ik me maar moeilijk concentreren op wat hij nu eigenlijk zegt. Als Zhang Xiaobo (42) binnenkomt, ontspant hij zichtbaar en ziet hij er even uit als een schooljongen die met een zesje aan een moeilijke spreekbeurt is ontsnapt. Maar als ook Gu, Tang en Qiao bij ons aanschuiven en het gezelschap van wal steekt, vind ik de situatie al gauw heel wat minder aangenaam.
Zhang Xiaobo voert het woord: ‘In de jaren tachtig, tijdens de eerste jaren van de hervormingen onder Deng Xiaoping, liep iedereen weg met de westerse cultuur. We zagen al die toeristen met kauwgum en walkmans en we dachten: “Dat willen we ook.” Het leek in die tijd wel of wij Chinezen met ons eeuwige minderwaardigheidscomplex een provincie wilden zijn van de Verenigde Staten. Veel Chinezen hadden in die tijd een hekel aan de eigen cultuur. We wilden van alles, als het maar westers was. Dus kochten we kleurentelevisies, importeerden we films uit Hollywood, lazen we strips en kauwden we kauwgum. We realiseerden ons niet dat de westerse, en vooral de Amerikaanse cultuur leeg en daarom uiterst gevaarlijk is: geweld, seks en oppervlakkig vermaak zijn er de gevolgen van. Na juni 1989 begonnen we dat pas te begrijpen.
Toen al die zogenaamde leiders van het Plein van de Hemelse Vrede naar het buitenland vluchtten, werden ze daar binnengehaald als helden. Door hun onverantwoordelijke gedrag zijn veel mensen hier toen gestorven. Maar kijk nu eens naar ze. Ze hebben een lui leventje en maken onderling nog ruzie ook. Ze zijn geheel ingepakt door het westerse decadente bestaan.
Langzaam begonnen we in te zien dat, als China een toekomst wil, we die zelf moeten maken. Vertrouwen op anderen heeft geen zin. We moeten ons uitsluitend richten op onze eigen cultuur en van daar uit proberen aan de toekomst te werken. Natuurlijk is er wel wat op onze cultuur aan te merken maar het is nu eenmaal een cultuur die zich gedurende vijfduizend jaar geschiedenis heeft gevormd, dus die laat zich niet zomaar veranderen. Nu zijn we nog een derde-wereldland, maar in de eenentwintigste eeuw zal China weer machtig zijn. Het Westen weet dat ook heel goed en ze probeert dit ten koste van alles te voorkomen.
Het buitenland is bang voor een sterk China. Vooral Amerika treedt misdadig op tegen de Volksrepubliek. Ze hebben nu net die dissident Wang Xizhe weer helpen ontsnappen in de hoop ons internationaal belachelijk te maken. Maar een nieuwe wereldorde, waarvan ons land het hart zal zijn, laat zich door niemand, ook Amerika niet, tegenhouden, en dat zal het Westen moeten inzien. Wij zullen ons door niemand meer de wet laten voorschrijven. Wij willen de Chinese jeugd weer zelfvertrouwen geven en hen voorbereiden op de politieke en economische rol van China in de volgende eeuw. En als het moet, ja als het moet, als het Westen zich mengt in onze aangelegenheden en als het probeert ons land te splijten, dan zullen we oorlog moeten voeren. Denk niet dat we dat niet kunnen winnen. Het Westen mag militair sterker zijn dan de Volksrepubliek, maar wij weten waar we voor vechten en we hebben de grootste bevolking ter wereld. Ons gelijk en onze enorme bevolking zal in een eventuele oorlog beslissend zijn.’
SINDS DE RELATIEF liberale jaren tachtig is er veel veranderd in China. Toen Deng Xiaoping meer dan tien jaar geleden verklaarde dat rijk worden 'glorieus’ is, werd onder invloed van zijn economische politiek in razend tempo de basis gelegd voor een nieuwe consumptiemaatschappij. Ondanks deze economische laisser faire-politiek bleef de leiding van het land onwrikbaar in handen van de communistische partij. Er werd in die tijd veel over democratie gediscussieerd en het Westen gold toen als het grote voorbeeld. Veel Chinese intellectuelen hoopten dat onder buitenlandse druk veranderingen in de verstarde politieke verhoudingen konden worden afgedwongen.
Eind jaren tachtig was het pro-westerse denken onder de Chinese intelligentsia en studenten op haar hoogtepunt. Het politieke systeem van de Sovjetunie was geïmplodeerd en voor velen binnen en buiten China was dit een teken aan de wand: snelle politieke veranderingen zouden ook aan de Volksrepubliek niet voorbijgaan.
De werkelijkheid was echter ontnuchterend. De Chinese centrale regering bleek veel taaier dan gedacht en iedere hoop op snelle politieke ontwikkelingen werd begin juni 1989 met tanks de bodem ingeslagen. Nu, in 1996, beroept partijleider en president Jiang Zemin zich weer op oude revolutionaire leuzen uit angst dat de morele grond onder de wankelende samenleving wegvalt. Premier Li Peng, de slager van het Tiananmenplein, heeft in een toespraak dat de Culturele Revolutie niet alleen kommer en kwel heeft gebracht maar ook een verheven moreel elan.
Opvallend genoeg maakte ook de sympathie van veel intellectuelen en studenten voor het Westen een omslag door. Toen eerder dit jaar Liu Gang, een leider van de studentenopstand, na zes jaar gevangen te hebben gezeten naar de Verenigde Staten vluchtte, noemden sommige studenten van de Peking Universiteit hem zelfs een landverrader. Een een student voegde daar nog aan toe dat dissidenten zoals Liu Gang op geen enkele sympathie meer hoeven te rekenen in China. De Peking Universiteit was in 1989 het epicentrum van de studentenprotesten.
Waarschijnlijk heeft deze omslag te maken met gekrenkte trots en, zoals velen het zien, een nationaal gezichtsverlies. Veel Chinezen hebben het gevoel dat China door het Westen niet als een volwaardige gesprekspartner wordt gezien. En strikt vanuit de Chinese optiek gezien heeft de Volksrepubliek het de laatste jaren ook wel zwaar voor de kiezen gehad in de internationale politieke verhoudingen. Al sedert jaren wordt China onder leiding van de Verenigde Staten het lidmaatschap van de Wereld Handels Organisatie ontzegd en iedere zomer weer wordt er in Washington een rituele dans opgevoerd rond de verlenging van de status van the most favoured nation.
Ook is niemand in China vergeten dat door Amerikaanse bemoeienis de Olympische Spelen van het jaar 2000 op het nippertje aan de neus van Peking is voorbijgegaan. Verder bemoeit het Westen zich volgens China in toenemende mate met binnenlandse aangelegenheden, zoals de Tibet-kwestie en de status van Taiwan. Buitenlandse machten zouden daarmee proberen het vaderland te splijten. Toen als klap op de vuurpijl het Amerikaanse weekblad Newsweek eerder dit jaar meldde dat in Shanghaise tehuizen weeskinderen systematisch worden vermoord - als uitvloeisel van een regeringsrichtlijn - sloegen bij velen in China de stoppen door en werd er openlijk gesproken over een westers komplot om China te vernederen.
Het lijkt wel een episode uit de tijd van de Culturele Revolutie. Toen had China zich hermetisch afgesloten van de wereld en heerste in het land een xenofobisch, hysterisch nationalisme. De revolutionaire, nationalistische Rode Garde hielden in die tijd een heksenjacht op alles wat ook maar in de verste verte iets met het buitenland te maken had. Dat is echter al lang geleden. Mao - en met hem de Culturele Revolutie - is al twintig jaar dood en sindsdien is er veel ten goede veranderd in de Volksrepubliek. Zou een nationalistische beweging de klok terug kunnen zetten? Hoe invloedrijk is deze groep mensen nu werkelijk?
'ACH JA, WE zijn een explosief volkje’, reageert Wang Shun, een populaire romanschrijver wiens brutale werk sinds enkele maanden door een uitgaveverbod is getroffen. 'Ik denk niet dat dit gedachtengoed erg populair zal worden onder de mensen in de straat. Maar ja, die nationalisten zijn intellectuelen nietwaar? Chinese intellectuelen doen altijd alsof ze het volk vertegenwoordigen. Ik geloof helemaal niet dat gewone mensen teleurgesteld zijn in het Westen. Ze zijn nog steeds geïnteresseerd in westerse culturen. Wat wil je? Feit is dat westerse en Japanse produkten beter zijn dan Chinese spullen, en dat Hollywoodfilms nu eenmaal leuker zijn dan de doorsnee Chinese films. Internationale politiek interesseert ze helemaal niet. Het raakt ze niet. Natuurlijk heeft het Westen nooit iets gratis weggegeven maar is dat nu zo vreemd in de internationale politiek? Eens zal China daar aan moeten wennen. Dat geklaag en gejammer altijd van die intellectuelen. Dit jaar is het een populair boek maar volgend jaar is iedereen het weer vergeten.’
Enthousiast geworden door hun eigen succes hebben de auteurs van China kan nee zeggen een nieuw boek geschreven. Het heet China kan nog steeds nee zeggen. Het is nog niet op de markt, maar de schrijvers stuurden me een exemplaar toe. De strekking ervan is ongeveer die van hun eerste boek, alhoewel de auteurs hun betoog meer hebben toegespitst op de persoonlijke omstandigheden van de schrijvers zelf. Tevens proberen ze een weerwoord te formuleren op de kritiek die ze met hun eerste boek te verduren hebben gehad.
China kan nee zeggen is ondertussen vertaald in het Spaans en het Japans. Er wordt gewerkt aan een Engelse vertaling voor de Amerikaanse markt. Tang Zhengyu, een van de schrijvers, is momenteel in de Verenigde Staten. Hij is daar op uitnodiging van een journalistenvereniging om de Amerikaanse presidentsverkiezingen bij te wonen. Uiteraard was de uitnodiging ook bedoeld om bij hem meer begrip te kweken voor de Amerikaanse cultuur. Dat lijkt, vooralsnog, vergeefse moeite.