Het klimaatalarm van een sociaal-psycholoog

‘Ons culturele model moet veranderen’

De klimaatverandering zal steeds vaker leiden tot politieke en sociale onrust. Dat is al zichtbaar in bijvoorbeeld Darfur en rond het Aralmeer. Werk aan de winkel voor sociale wetenschappers, vindt de Duitse hoogleraar sociaal-psychologie Harald Welzer

SINDS HARALD WELZER het boek De klimaatoorlogen heeft geschreven, wordt hem nogal eens gevraagd waarom hij niet, als een goed schoenmaker, bij zijn leest is gebleven. In dit onrustbarende boek analyseert hij namelijk, op mondiaal niveau, de politieke en sociale gevolgen van de klimaatverandering. Als gevolg van de opwarming van de aarde is in bepaalde delen van de wereld niet alleen sprake van woestijnvorming en een nog groter tekort aan water, wat tot migratiestromen leidt, ook neemt het aantal natuurrampen toe, die vooral minder ontwikkelde landen hard treffen. Dit alles zal leiden tot toenemende spanningen en, dikwijls gewapende, conflicten. Maar ook op een andere manier groeit het ‘conflictpotentieel’. Zo maakt het smelten van de poolkappen het nu pas mogelijk de zich daaronder bevindende bodemschatten te exploiteren, zodat nu al verschillende landen aanspraak maken op dezelfde gebieden.
Welzer is echter geen klimaatdeskundige en evenmin een sociaal-geograaf, maar hoogleraar sociaal-psychologie aan de universiteit van het Duitse Witten. Hij heeft zich vooral beziggehouden met de wijze waarop mensen omgaan met het verleden, waarbij de nadruk lag op de jaren van het Derde Rijk. Zijn vorige boek heette Daders: Hoe heel normale mensen massamoordenaars worden (2006) en beschreef hoe gewone Duitse mannen, van wie het merendeel aanvankelijk beslist geen nazi-sympathieën had, onder de druk der omstandigheden bereid waren mee te doen met allerlei gruweldaden. Vandaar de vraag: waarom dit onderwerp?
‘Ik ben door sommigen van beunhazerij beschuldigd’, zegt Welzer, ‘maar dat zijn mensen die het boek niet eens in handen hebben genomen. Als ik over de klimaatverandering an sich zou schrijven, als ik bijvoorbeeld zou beweren dat de temperatuurstijging in Afrika niet 2,4 maar 3,5 graden is, dan zou ik een beunhaas zijn. Maar dat doe ik niet. Ik belicht alleen een heel andere kant van het probleem. De verwarring verdwijnt denk ik bij lezen van de ondertitel: Waarom in de 21ste eeuw gevochten wordt. In dit boek gaat het alleen over klimaatverandering in verband met de vraag wat die veranderingen voor gevolgen hebben voor de samenleving. En dan vooral over de vraag in hoeverre dit tot geweld leidt. Klimaatveranderingen, ook heel dramatische, zijn er altijd geweest, en voor de aarde als geheel, als ecologisch systeem, maakt dat allemaal niets uit. Maar voor culturen en samenlevingen zijn de gevolgen bijzonder ingrijpend.’
Dus is er werk aan de winkel voor sociale wetenschappers?
‘Dat zou je verwachten. Kijk, wat je nu ziet is een enorme discrepantie tussen de analyse en mogelijke oplossingen. De analyse leidt tot doemscenario’s, terwijl de zogenaamde oplossingen blijven steken in symptoombestrijding. Dat is deels de schuld van sociale wetenschappers: die zijn niet erg goed in het maken van prognoses. Dat bleek heel duidelijk in 1989. De val van de Muur en de ineenstorting van het communisme heeft niemand zien aankomen, en als reactie daarop hebben veel sociale wetenschappers de blik vooral naar binnen gericht, zich min of meer teruggetrokken uit de maatschappij.’
De conflicten die u in uw boek analyseert en voorspelt komen deels voort uit de wedijver om de natuurlijke hulpbronnen en deels uit verschijnselen die het gevolg zijn van klimaatverandering. Dat zijn twee verschillende zaken.
‘Dat klopt, maar die hebben natuurlijk wel van alles met elkaar te maken. De klimaatverandering is voor een groot deel het gevolg van de enorme groei van het verbruik van fossiele brandstoffen. Je kunt die twee zaken wel formeel loskoppelen en zeggen dat de vraag naar een product en de gevolgen van het gebruiken van dat product twee heel verschillende dingen zijn, maar het punt is nu juist dat de problemen tot nog toe veel te weinig in hun samenhang zijn gezien. Waar het om gaat is dat de verschijnselen die ik in kaart probeer te brengen allemaal een milieucomponent hebben. Alleen is dat vaak niet duidelijk, en wordt gedaan alsof het uitsluitend gaat om etnische, godsdienstige of ideologische tegenstellingen.’
Dat geldt ook voor de oorlog in Darfur?
‘Ja, die noem ik in mijn boek de eerste klimaatoorlog. Door de droogte en de oprukkende woestijn verdwijnen weidegronden en vruchtbaar akkerland, wat in een land waar zeventig procent van de bevolking op en van het land leeft een enorm probleem is. Dit heeft geleid tot een meedogenloos conflict tussen veehoudende nomaden en boeren, waarbij de regering van Soedan een uiterst onverkwikkelijke rol speelt.
Bij dit soort conflicten gaat het om een rechtstreekse bedreiging van de levensvoorwaarden van mensen. Er zijn ook andere conflicttypen, bijvoorbeeld grensconflicten als gevolg van het veranderen van waterlopen of het opdrogen van meren. Het Tsjaadmeer is een goed voorbeeld. Dat is gekrompen tot vijf procent van zijn oorspronkelijke omvang. Op de opgedroogde meerbodem hebben zich mensen gevestigd, terwijl onduidelijk is bij welk land die grond hoort. Landen die vroeger niets met elkaar te maken hadden grenzen nu aan elkaar. Hetzelfde zie je bij het sterk opdrogende Aralmeer, waar de grens tussen Kazachstan en Oezbekistan doorheen loopt. Dit is een bron van conflicten.
Daarnaast leidt de klimaatverandering tot allerlei migratiestromen, waarbij mensen naar andere gebieden trekken, waar echter al mensen wonen. Ook dit zorgt voor een enorm conflictpotentieel. En dan hebben we nog het verschijnsel van het smeltende ijs, waardoor allerlei olie- en gasvoorraden toegankelijk worden. Maar wie mag die exploiteren? Rusland heeft in 2007 in het Noordpoolgebied op 4200 meter diepte een vlag van titanium op de zeebodem geplant. Een claim die wordt bestreden door de Verenigde Staten, Canada en Denemarken. Tegelijkertijd claimt Groot-Brittannië een enorm gebied bij Antarctica, waar Argentinië en Chili niet blij mee zijn.’
UITERAARD ZAL IN veel gevallen worden geprobeerd zulke conflicten vreedzaam op te lossen en een voor alle partijen acceptabel compromis te bereiken. Maar Welzer is niet optimistisch. Volgens hem is dat tot op grote hoogte wensdenken; in zijn boek beschrijft hij het ‘modernistische bijgeloof’ dat geweld nooit een oplossing is.
‘Met modernistisch bijgeloof’, licht Welzer toe, ‘bedoel ik de in het Westen overheersende weigering om onder ogen te zien dat het doden van andere mensen vaak wordt beschouwd als oplossingsoptie. Geweld is getaboeïseerd en gemythologiseerd. Men vergeet dat geweld vaak alleen destructief is voor de slachtoffers. Voor degene die geweld gebruikt kan het enorm constructief en profijtelijk zijn. Het is niet zo dat door de komst van het christelijk geloof of de acceptatie van burgerlijke waarden geweld plotseling niet meer bestaat. Het is daarentegen het centrale element van de sociale werkelijkheid en zo kan het ook op elk moment ingezet worden.’
Als het gaat om de klimaatverandering en het broeikaseffect wordt vaak veel heil verwacht van technologische vindingen. U bent sceptisch.
‘Wetenschap en technologie zijn niet de oplossing van het probleem, integendeel, ze zijn er zelf onderdeel van. We weten dat een groot deel van onze problemen voortkomt uit onze toegenomen mobiliteit. Als oplossing wordt dan ineens het idee uit de hoge hoed getoverd dat we op een dag geen auto’s met benzinemotoren meer hebben, maar met elektromotoren. Iedereen is enthousiast, maar het is natuurlijk helemaal geen oplossing. Om te beginnen omdat de actieradius van elektrisch aangedreven auto’s veel geringer is. Maar belangrijker is uiteraard dat de benodigde energie toch opgewekt moet worden. Elektriciteit komt uit centrales die op kolen, gas of kernenergie werken.
Ik noem dit soort “oplossingen” fantasieloos omdat men zich blijkbaar geen wereld kan voorstellen die anders is dan de huidige. Het is veel interessanter om over onze mobiliteitscultuur na te denken en deze flitscultuur te veranderen, in plaats van symptomen te bestrijden en dan maar te hopen dat zo’n kleine technologische verandering het hele probleem oplost. Dit geldt natuurlijk ook voor de basale principes van onze economie. Het is volstrekt onvoorstelbaar dat een samenleving die nu al te veel natuurlijke hulpbronnen verbruikt door middel van kleine correcties zo aangepast wordt dat dit probleem niet meer bestaat. Het is misschien wat bitter, maar men moet inzien dat ons culturele model een extreem succesvol model was toen het nog slechts gold voor een beperkt deel van de wereld. Het model was succesvol omdat alleen wij het hanteerden, doordat wij, als gevolg van bepaalde historische ontwikkelingen, de gehele wereld als enorm reservoir konden gebruiken om onze welvaart tot stand te brengen. Het is de ironie van de geschiedenis dat op het moment dat dit model gemondialiseerd wordt het ineenstort. Een gemondialiseerde wereld heeft geen te exploiteren reservoir dat zich “buiten” die wereld bevindt. Daarom wordt het tijd om dit culturele model te veranderen.’

OP INTERNATIONALE conferenties over het klimaatprobleem wordt altijd de nadruk gelegd op het mondiale karakter ervan, wat zou betekenen dat ‘we’ het ‘met z’n allen’ moeten aanpakken. Welzer noemt dit ‘de politieke laksheid van het abstracte “wij”’. ‘Degenen die enthousiast zijn over mondialisering’, zegt hij, ‘beweren altijd dat de wereld gelijker wordt, dat de levensomstandigheden naar elkaar toe groeien. Voorlopig blijkt daar niets van. De asymmetrie tussen rijke en arme landen wordt alleen maar groter. Voor rijke landen schept de mondialisering nieuwe mogelijkheden, terwijl voor armere landen de gevolgen desastreus zijn, niet in de laatste plaats omdat hierdoor het conflictpotentieel enorm toeneemt. Het is dus een leugen dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten en dat we allemaal moeten helpen bij de oplossing.
Het is daarom ook hypocriet om er steeds op te wijzen dat ontwikkelingslanden of snel groeiende economieën als China te weinig oog hebben voor de milieueffecten van hun handelen. Bovendien is het niet aan ons om te bepalen hoe de Chinezen het broeikaseffect moeten aanpakken. Op internationaal niveau is onze reikwijdte slechts groot als er internationale organisaties of platforms zijn waar iets kan worden afgesproken. Als lid van de politieke gemeenschap Duitsland heb ik invloed op de Duitse politiek, maar niet op die van China.’
Aan het eind van uw boek citeert u toneelschrijver Heiner Müller: ‘Optimisme is slechts een gebrek aan informatie.’ Dat heeft veel weg van een uitnodiging tot fatalisme.
‘Ik heb dit boek geschreven voor de lezer die zelf denken kan. Ik kom niet met een receptenboek, in de trant van “25 manieren om de wereld te redden”. Ik pleit voor een creatieve aanpak van de problemen, voor het transparant maken van problemen en de manier waarop men ermee omgaat. Over het rapport van de Club van Rome, Grenzen aan de groei, wordt altijd gezegd dat het veel te pessimistisch was, dat de auteurs de problemen van dertig jaar geleden schromelijk hebben overdreven. De grap is echter dat als dat boek nooit verschenen was, de hele beweging voor een groene politiek, met bepaalde veranderingsprocessen met betrekking tot het milieu, er niet gekomen was. Ons milieubewustzijn was dan veel minder ontwikkeld geweest.’

Harald Welzer, De klimaatoorlogen. Ambo, 272 blz., € 21,95