Dieet als religie voor ongelovigen

‘Ons dagelijks brood, maar dan wel glutenvrij graag!’

Diëten is van alle tijden, voedselgewoonten voorzien ons van identiteit. Maar in geseculariseerde, individualistische samenlevingen is eetstijl de nieuwe religie.

Medium stilleven1

Het filmpje van Arjen Lubach over de ‘Schijf van Trijf’ werd een paar weken geleden druk gedeeld. In dat filmpje maakt hij onder meer gehakt van de ‘dieetmeisjes’ van The Green Happiness die eerder in NRC Lux hadden verkondigd dat de Schijf van Vijf een ongezonde eetstijl propageert. ‘Allemaal trijf’, aldus Lubach, oftewel larie. Een van die domme meisjes had zelfs gezegd dat je het eten van een ei kon vergelijken met het consumeren van de menstruatie van een kip! Volstrekte onzin natuurlijk. Lubach depte zijn mond met een maandverband. Hilariteit alom.

Op de sociale media kon je merken dat veel mensen blij waren dat het eindelijk eens hardop gezegd werd: houd toch eens op met al die rare onzindiëten! Veganisme, paleo, suikervrij, eliminatie: er is geen enkele wetenschappelijke basis voor. Oké, één procent van de bevolking lijdt aan coeliakie, een auto-immuunziekte die een heftige reactie veroorzaakt op gluten. Maar dan hoeven we toch niet allemaal plotseling glutenvrij te gaan eten? Doe gewoon, dan doe je al gek genoeg – Nederlanders zijn sowieso vaak verguld met die boodschap.

Toch gaat ook Nederland, ondanks al die nuchterheid, wel degelijk mee met de verschillende voedselobsessies die overwaaien uit Amerika. Het is simpelweg een kwestie van tijd. Toen ik vier jaar geleden na tien jaar New York terug verhuisde naar Nederland waren groene groentesapjes hier nog nauwelijks te vinden. Ik werd zelfs voor gek verklaard toen ik op zoek ging naar een behoorlijk spinaziesapje in Amsterdam. Nu kan ik dat op vrijwel elke straathoek kopen. Was glutenvrij toen nog een grote uitzondering hier, nu breidt het glutenvrije schap van Albert Heijn en andere supermarkten zich gestaag verder uit. Werd in 2009 nog geschat dat 16.000 mensen in Nederland veganistisch waren, in 2014 werd dat al op 45.000 geschat. Op de site veganisme.org wordt het vergeleken met de uitspraak van Gandhi: ‘First they ignore you, then they laugh at you, then they fight you, then you win.’

De preoccupatie met eetstijlen is ook in Nederland aan het toenemen en het ziet er niet naar uit dat dit als tijdelijke hype weer snel zal verdwijnen. Maar als het inderdaad zo is dat geen enkele wetenschappelijke basis bestaat voor dergelijke diëten, waarom blijft het aantal mensen met bijzondere dieetregels dan toch zo fors stijgen? Waarom is het in restaurants tegenwoordig gebruikelijk dat de bediening eerst uitgebreid informeert naar allergieën en andere verboden vruchten? Geen suiker alstublieft (want suiker is de duivel). Geen koolhydraten (want dan krijg je een broodbuik). Geen gluten (want dan spelen de darmen op). Geen zuivel (borstkanker!).

Wat is hier aan de hand? Worden de nieuwe voedselregels gebaseerd op mythen in plaats van feiten? En in dat geval: zijn deze dieetregels een nieuwe religie geworden voor de seculiere mens?

Voordat oordelen worden geveld en mensen worden uitgelachen, is het belangrijk om te luisteren naar de woorden van de dieetvolgers zelf. Mensen die door hun glutenvrije dieet nooit meer last hebben van buikpijn, anderen die door het volgen van een paleodieet (eten zoals de prehistorische holbewoners) naar eigen zeggen verlost zijn van hardnekkige depressies, weer anderen die door een eliminatiedieet (geen suiker en meel) nooit meer migraine lijken te hebben. Als je luistert naar mensen om je heen en de internetforums leest, dan kom je dergelijke succesverhalen steeds weer tegen. Een ander opvallend aspect is dat op deze forums en websites juist wél regelmatig wordt verwezen naar wetenschappelijk onderzoek. Er worden echter andere conclusies uit getrokken of er wordt gesteld dat het ‘gewone’ wetenschappelijk onderzoek niet goed is of bevooroordeeld. Of gesponsord door de voedselindustrie en dus niet te vertrouwen. De wetenschap wordt alles behalve genegeerd; wetenschap wordt juist gebruikt ter legitimatie. Maar dan wel met andere conclusies. Dit alles in een sfeer van een diep wantrouwen richting de voedselindustrie. Een wantrouwen dat in veel gevallen op zijn plaats is en dus begrijpelijk.

Medium hosti

Alan Levinovitz, als religiewetenschapper verbonden aan de James Madison Universiteit in Virginia, schrijft hierover in zijn boek The Gluten Lie (2015), dat niet alleen over gluten gaat, maar ook over al die andere dietary demons zoals suiker, zout en vet. ‘Het probleem zit hem niet in de wetenschappelijke studies naar voeding, het probleem zit hem in de mensen die een verkeerd beeld schetsen van de kracht van de uitkomsten van die studies’, zo schrijft Levinovitz. Neem een studie naar gluten die werd gedaan aan de Monash Universiteit in Australië. De gerenommeerde, van de voedselindustrie onafhankelijke onderzoekers schreven in de conclusie van deze dubbel blinde, gerandomiseerde, met placebo gecontroleerde studie (de heilige graal in onderzoeksland) dat ‘symptomen van het prikkelbare-darmsyndroom meer frequent waren in de groep die gluten had gekregen dan in de groep zonder gluten’. Bovendien schreven de onderzoekers dat dit ‘positieve effect van glutenonthouding niet helemaal aan het placebo-effect kon worden toegeschreven.’

Dit onderzoek werd gretig overgenomen door schrijvers van bestsellers als Grain Brain en Wheat Belly. Toen het onderzoek echter iets later werd herhaald aan dezelfde Monash Universiteit kwamen de onderzoekers tot een andere conclusie. Gebruikmakend van een nog strakker vormgegeven trial was de uitkomst nu dat er ‘geen effecten waren van gluten op mensen met zelf gediagnosticeerde glutenintolerantie’. Peter Gibson, een van de co-auteurs van beide onderzoeken, heeft dit wanhopig geprobeerd uit te leggen in de media. ‘Mensen zeggen dat wij van gedachten zijn veranderd. Ze begrijpen gewoon niet hoe wetenschap werkt. We zijn niet van gedachten veranderd. We hebben simpelweg meer data geproduceerd. We zijn geen evangelisten. We zoeken naar de waarheid. En de waarheid is nu dat we het gewoon nog niet weten. Die boeken gebruiken wetenschappelijke studies op een onwetenschappelijke manier. Wij noemen het pseudo-wetenschap. De conclusies uit goed verkochte boeken als Wheat Belly en Grain Brain zijn prematuur en onverantwoordelijk.’

Medium oermens
Waarom informeert in restaurants de bediening eerst uitgebreid naar allergieën en andere verboden vruchten?

Echte voedselwetenschap is namelijk veel ingewikkelder dan men denkt, legt Levinovitz uit. En het verwerpt uitdrukkelijk oversimplificatie. ‘Natuurlijk’ voedsel en ‘bewerkt’ voedsel zijn bijvoorbeeld geen werkelijke categorieën waarmee je voedsel in kunt delen. Maar die worden tegenwoordig wel zo gebruikt. Als ik zelf spinaziesap pers, dan is dat bewerkt voedsel. Maar niemand zal zeggen dat het ongezond is.

Men zegt dat de wetenschap telkens weer iets anders zegt en eerdere stellingen herroept (‘je kunt door de bomen het bos niet meer zien’, is een veel gehoorde klacht) maar dit is volgens Levinovitz pertinent onjuist. ‘Er werden simpelweg verkeerde conclusies getrokken uit de eerdere studies. In feite wordt er maar zelden echt iets herroepen, want het is sowieso heel moeilijk om uit een studie een algemene conclusie te trekken. Maar dat doen mensen dus wel.’

Levinovitz schreef The Gluten Lie omdat hij het tijd vond om alle dietary demons af te maken. Hij kreeg veel aandacht, positief maar ook negatief. Aan de telefoon vertelt hij dat hij wat dat betreft wel een les heeft geleerd. The hard way. Hij had zich niet voldoende gerealiseerd dat veel mensen geen behoefte bleken te hebben aan het ‘afmaken van hun demonen’. ‘Die mensen zijn verward, hebben bijvoorbeeld chronische pijn en worden door de gewone medische wetenschap afgeschreven. Ze hebben een bepaald dieet omarmd en zijn daarin gaan geloven. En het placebo-effect is heel erg sterk. Ze hebben geïnvesteerd in een levensstijl. En ze wíllen helemaal niet dat iemand die van hen afneemt.’ Hij geeft toe dat hij achteraf een ‘iets empathischer toon’ had willen aanslaan. ‘Ik had meer moeten bieden aan juist deze groep.’

Tegelijkertijd blijft hij trots op zijn journalistieke werk. ‘De waarheid is belangrijk. Al die publieke figuren die ambigue uitkomsten van voedselstudies exploiteren voor hun eigen gewin – ik vind dat die verantwoordelijk moeten worden gehouden. En daar blijf ik achter staan.’ Hij wil de moderne diëten in perspectief plaatsen en laten zien dat ‘niet alles in het leven gaat over fysieke gezondheid. Onze eettafel lijkt soms wel te zijn veranderd in een apotheek.’

Levinovitz is echter huiverig voor de constatering dat alles nu ‘zoveel erger is dan vroeger’. Voedselmythes zijn er namelijk altijd geweest. Dit was dan ook hoe hij op het idee kwam om als religiewetenschapper een boek te schrijven over diëten. Hij deed onderzoek naar ‘graanvrije monniken’ in het oude China. Tweeduizend jaar geleden waren het de zogenaamde ‘vijf granen’ die de Chinese beschaving definieerden: twee soorten gierst, hennep, rijst en bonen. Het omarmen van landbouw en het cultiveren van granen waren voor vroege historici dé manieren om beschaafde mensen te onderscheiden van barbaren. De vijf granen werden vergeleken met goden en geprezen als het fundament van menselijk leven.

Toch was er een kleine minderheid van monniken, de stichters van het daoïsme, die deze granen juist afzweerde. Deze monniken schreven een dieet voor van planten die in het wild werden geplukt, aangevuld met bepaalde mineralen en ‘exotische elixers’. De resultaten logen er niet om: niet alleen stonden je met dit dieet een perfecte gezondheid, eeuwige jeugd en onsterfelijkheid te wachten, het bezorgde je ook de kunst om te vliegen én jezelf te teleporteren. Levinovitz legt uit dat mensen in die tijd heus niet gek waren en ongetwijfeld sceptisch stonden tegenover het vliegen en teleporteren, maar het dieet werd toch populair. ‘Want’, zo legt hij uit, ‘het graanverbod stond voor het verwerpen van de moderne cultuur en droeg de belofte in zich om terug te keren naar een mythisch, natuurlijk paradijs. Bovendien hielp het verwerpen van graan mensen om zich te definiëren als behorend tot een bijzondere, superieure groep. Zoals de daoïstische monniken.’

Ook Birgit Nemec, gespecialiseerd in de geschiedenis en ethiek van het lichaam aan de Universiteit van Heidelberg, vertelt me dat er vanuit historisch perspectief niets nieuws onder de zon is. Het idee van het dieet als onderdeel van onze identiteit is van alle tijden. Maar er is wel degelijk sprake van een ontwikkeling richting een steeds meer preventieve, medische functie van voeding.

Rond 1800 bijvoorbeeld werd in Centraal-Europa het idee van een optimale balans van lichaamssappen (humeuren), dat stamde uit de tijd van de Grieken en de Romeinen, opnieuw geïnterpreteerd in de Pruisische context. Dit leidde tot het voorschrijven van een gematigde, gebalanceerde leefstijl.

Honderd jaar later, rond 1900, werd voeding weer een belangrijk onderwerp. De Duitse dichter Erich Mühsam verbleef bijvoorbeeld in een reformkolonie in Monte Verità en bespotte in een van zijn gedichten de ‘gezonde’ en ‘natuurlijke’ leefstijl van de bewoners: het afzweren van vlees, alcohol en tabak. Vergelijkbare verhalen zijn te vinden in documenten van patiënten in de kliniek van dokter Bircher-Benner, die een strikt dieet volgden van rauwe groenten, fruit, muesli en noten. Ook hielden ze zich aan strikte leefregels: vroeg naar bed, bewegen in de buitenlucht, tuinieren, et cetera. Hoewel de ideeën van dokter Bircher-Benner ingingen tegen de toen heersende wetenschap over voeding verwelkomde de kliniek beroemde patiënten als tsaar Nicolaas II, Rainer Maria Rilke en Thomas Mann.

In 1800 ging het nog vooral om een gematigde leefstijl voor de gehele bevolking die in overeenstemming was met het geloof, maar de reformbeweging van 1900 moet eerder gezien worden in de bredere context van een meer preventieve benadering van ziekte en van hygiëne. In die tijd werd het dieet bovendien onderdeel van een kritiek op de donkere kant van de moderne samenleving: de consumentencultuur, overgewicht en drugs. Die kritiek was in eerste instantie voorbehouden aan een kleine, elitaire groep. Het was immers niet goedkoop en niet gemakkelijk om de regels van Bircher-Benner te volgen. Thomas Mann noemde de kliniek zelfs een ‘gezondheidsgevangenis’.

De parallel met westerse diëten van nu is eenvoudig te trekken. Want het is alles behalve gemakkelijk of goedkoop om ‘glutenvrij te gaan’, ‘locavoor te worden’ (lokaal te eten) of ‘veganist te zijn’, maar het is wel degelijk een manier tot het verkrijgen van een bepaalde identiteit. Je eet dan ook niet alleen glutenvrij. Nee, je bent glutenvrij. En je eet niet veganistisch. Nee, je bent het. Net als beroemdheden Ariana Grande, Ellen DeGeneres en Natalie Portman.

‘Niet alles in het leven gaat over fysieke gezondheid. Onze eettafel lijkt soms wel te zijn veranderd in een apotheek’

In de Verenigde Staten werd foodism door The New York Times al een aantal jaren geleden de ‘nieuwe cultuuroorlog’ genoemd. Daar lag eerst de nadruk op biologisch eten, maar nu dit inmiddels zelfs in een ‘gewone’ winkel als Walmart voor iedereen verkrijgbaar is, is de elite de nadruk gaan leggen op lokaal, waarbij de überlocavoren in Californië alleen nog maar eten betrekken van hun eigen lokale boer met wie ze een ‘bijzondere, persoonlijke band’ hebben opgebouwd. Of ze verbouwen alles zelf en houden kippen in hun achtertuin. Het is niet eenvoudig, maar je hoort er wél helemaal bij.

Medium gluut

Het element van ‘werk’, het idee dat je ‘sterk’ moet zijn om aan verleidingen weerstand te bieden, dat je ‘controle’ moet kunnen uitoefenen over je lichaam, en dat het in de strijd om het ‘meest morele voedsel’ een competitie kan zijn waarbij het altijd ‘baas boven baas’ is, ontstond volgens historica Helen Zoe Veit in het begin van de twintigste eeuw. ‘Toen werd de basis gelegd voor huidige, Amerikaanse voedselgewoonten (en daardoor mede voor de Europese, omdat de Amerikaanse gewoonten dikwijls overwaaien naar Europa).’ Veit deed uitgebreid onderzoek naar duizenden brieven uit het archief van de Amerikaanse voedselautoriteiten uit die tijd en schreef erover in haar boek Modern Food, Moral Food (2013).

In het midden van de jaren 1910-1920 waren de voedselprijzen in de VS hoog en heersten er voedseltekorten in Europa als gevolg van de oorlog. Amerikaanse voedselautoriteiten spoorden Amerikanen aan om vrijwillig minder graan, vlees, boter en suiker te eten, zodat dit voedsel naar het door oorlog geteisterde Europa kon worden gestuurd. ‘Het sensuele plezier in eten raakte in die tijd uit de mode’, vertelt Veit, ‘ook door claims van overheid en mensen zelf dat overeten en verspilling een bedreiging vormden voor de moraliteit.’ Terwijl een officiële campagne werd gevoerd om voedsel te besparen, raakten de voedselwetenschappen, die inzicht gaven in de werking van voedsel sneller populair.

De autoriteiten verbonden individuele voedselkeuzes aan belangrijke gevolgen voor de rest van de wereld (met als oorlogsslogan Food will win the war), en in het bijzonder werd de opkomst van Amerika als wereldmacht direct gerelateerd aan individuele keuzes om voedsel te besparen. Voedsel raakte zo op allerlei manieren vervlochten met moraal. ‘Rationeel eten’ werd meer en meer gezien als de ultieme vorm van zelfcontrole en kracht.

In concreto betekende de campagne dat Amerikaanse autoriteiten alle Amerikaanse gezinnen vroegen om vrijwillig één maaltijd per dag zonder vlees te eten en één maaltijd per dag zonder graan, en vervolgens om compleet vegetarisch te eten op dinsdag, zonder varkensvlees op zaterdag en zonder graan op maandag. Deze vrijwillige regels waren niet officieel afdwingbaar, maar werkten toch vrij dwingend uit door intense sociale druk van vooral vrouwen onderling en door informele surveillancenetwerken. Er werd op een zeker moment zelfs een State Food Police in het leven geroepen. Toch was de belangrijkste oorzaak voor het succes van de voedselbesparingscampagne het feit dat mensen gehoor gaven aan de opdracht om je ‘eigen innerlijke politieagent’ te zijn.

Die innerlijke politieagent van begin vorige eeuw is nu terug te zien bij alle moderne diëten. In de regel begint de uitleg van zo’n dieet met een dolenthousiast verhaal dat je eigenlijk alles gewoon mag eten, maar vervolgens volgt dan toch altijd een lange lijst met ‘verboden voedsel’. Benjamin Zeller, onderzoeker en docent religie aan Lake Forest College in Chicago noemt het, in Sigmund Freuds woorden, totems en taboes. Bijvoorbeeld in het paleodieet: noten zijn totem en dus goed (want die aten de holbewoners ook) en brood is taboe en dus fout (want dat kenden holbewoners nog niet). ‘Voedsel en voedselpraktijken worden totem en taboe, dat wil zeggen: ze vormen de ankers die individuen gebruiken om de angsten en onzekerheden van het moderne leven mee te navigeren en om een identiteit mee te vormen’, aldus Zeller.

Uiteraard hebben religieuze voedselregels, zoals halal in de islam of kosjer in het jodendom, altijd bestaan als dergelijke ankers. Zeller ziet echter de nieuwe diëten zélf als een nieuwe vorm van religie, hoewel er natuurlijk ook verschillen zijn met ‘traditionele religies’. Sommige onderzoekers zijn van mening dat slechts de traditionele religies als echte religies mogen tellen. Maar de grens is soms moeilijk te trekken. In een e-mail licht Zeller toe: ‘Ik ken veganisten voor wie hun voedselpraktijken een zeer diepe betekenis hebben, mensen die hun hele leven in feite om hun veganisme heen bouwen. En ik ken ook aanhangers van traditionele religies (meestal een vorm van het christendom) voor wie hun geloof veel minder diep gaat. Dat onderscheid is niet zo eenvoudig te maken in twee netjes afgescheiden categorieën.’

Medium jezus

In zijn artikel Totem and Taboo in the Grocery Store (2016) gebruikt Zeller als compromis de term ‘quasi-religieuze voedselwegen’. ‘Uiteraard hebben voedselkeuzes niet voor iedereen dezelfde betekenis. Het feit echter dat veganisme bestaat (als -isme) en dat er bijvoorbeeld een subcultuur is ontstaan rond het glutenvrije dieet, reflecteren dat deze totem- en taboevoedselwegen functioneren als meer dan slechts op gezondheid gebaseerde voedselkeuzes. Ze zijn emblemen van identiteit binnen bredere culturele bewegingen.’

Of het nu wel of geen religie is geworden, is dat eigenlijk wel een belangrijke vraag? Benjamin Zeller denkt van wel. We gaan die praktijken daardoor namelijk anders bekijken. ‘Mensen markeren hun identiteit door wat ze eten. Dat hebben ze altijd gedaan. Maar de manier waarop het in onze tijd gebeurt laat zien op welke manier identiteit en de spirituele praktijk zowel geseculariseerd als geïndividualiseerd zijn geworden. En volledig gegrond in consumentengedrag. Mensen geloven niet meer in bovennatuurlijke verschijnselen, maar ze hebben wel behoefte aan een gemeenschap en aan rituele voedselpraktijken die betekenis verlenen. Het is een soort vasten zonder Pasen en zonder kerk.’

‘Iedereen heeft andere regels. Het kan nooit gewoon eens ongecompliceerd gezellig met elkaar eten zijn’

Aan de ene kant zijn voedselkeuzes natuurlijk hoogst individueel, maar aan de andere kant staat er door het kiezen van een bepaald soort dieet wellicht ook juist wel weer een nieuwe groep ‘vrienden’ op je te wachten, al was het maar online. ‘Het lijkt gek om onderdeel te worden van een groep op basis van voedselkeuzes, maar als je voedselpraktijken bestudeert als in feite seculiere religies, dan is dat opeens heel begrijpelijk’, zegt Zeller. Hij denkt dat ‘veel mensen verlangen naar een gemeenschappelijke identiteit met gemeenschappelijke gebruiken, maar in onze individualistische maatschappij weten ze niet meer hoe. Quasi-religies rondom voedsel zijn die rol gaan vervullen.’

Zeller lijkt er geen oordeel over te willen vellen. Hij constateert slechts de veranderende functie van voedselkeuzes in onze huidige tijd. Speciale dieetregels leiden echter ook tot een nieuw soort ratrace en uiteindelijk is het tevens een manier voor de elite om zich te onderscheiden van het voetvolk. De Canadese filosoof en publicist Andrew Potter schreef hierover in zijn boek The Authenticity Hoax: How We Get Lost Finding Ourselves (2010). Volgens Potter is het streven naar een authentiek leven, waar veel van de dieetregels nauw mee verbonden zijn, niets meer dan het zoeken naar een exclusieve status. Het probleem dat hij daarmee heeft is dat het streven naar authenticiteit niet de oplossing kan zijn van onze problemen, omdat het de oorzaak is. De kern van de zoektocht naar authenticiteit, vaak de basis van de dieetregels, gaat namelijk uit van een extreme focus op het zelf en het eigen geluk, wat juist relaties en werkelijke gemeenschapsvorming in de weg staat.

Maar de redenen voor veel dieetregels, in het bijzonder voor veganisten, zijn juist gelegen in een veel breder concept van een betere wereld: eerlijker handel, minder milieuvervuiling, betere behandeling van dieren, et cetera. Dat lijkt toch juist helemaal niet individualistisch? Ook hier geeft volgens Potter uiteindelijk het individualisme de doorslag. De focus op de verbetering van de eigen gezondheid blijft leidend. ‘Natuurlijk hebben we een ecologisch probleem, dat zie ik heus wel. Maar dat dwepen met lokale boeren en zelf gekarnde boter is gewoon niet de oplossing en leidt de aandacht af van werkelijke problemen. We hebben internationale wetgeving nodig om het milieu te ontzien en eerlijke handelsverhoudingen te garanderen.’

Alan Levinovitz wijst er bovendien op dat je wellicht een nieuwe gemeenschap kunt krijgen door bepaalde dieetregels, maar dat je tegelijkertijd andere, bestaande gemeenschappen onder een bepaalde spanning kunt zetten. ‘Denk maar aan de feestdagen. Waarom eet jij die cake van je tante niet? Wat is daar mis mee?’ Levinovitz denkt dat het prettiger en gezonder zou zijn om je gemeenschap te kiezen zonder zulke strikte dieetregels. Het probleem lijkt nu juist dat die twee niet goed meer uit elkaar te halen zijn.

Hij blijft dan ook wijzen op de kosten van een dieet, welk dieet dan ook. ‘Elk dieet is een medische interventie en niet zonder risico’s. Elk dieet kan leiden tot het jojo-effect, wat niet goed is voor je gezondheid. Bovendien kan elk dieet steeds restrictiever worden opgevat en op die manier een gestoorde verhouding met eten gaan legitimeren.’ Zo is orthorexia nervosa, gedefinieerd als een obsessie met gezond eten, geen officieel psychiatrische diagnose, maar de term wordt wel degelijk gebruikt door specialisten op het gebied van eetstoornissen. Ten slotte, en dat is misschien nog wel het belangrijkste, kan een dieet de kwaliteit van leven aantasten. Jezelf iets ontzeggen komt met psychologische kosten, zowel bij het deelnemen aan bepaalde gemeenschappelijke feesten (‘Kunnen we met Kerst graag een glutenvrije kerststol krijgen?’) of uitjes met familie en vrienden (‘Heeft dat restaurant ook paleo-opties?’).

Jessica Bruder beschreef in The New York Times een etentje met vrienden waar ze een prachtig, met kaas gevuld brood op tafel legde. ‘Niemand raakte het aan. Het leek alsof ik een boeket brandnetels op tafel had gelegd.’ Ze noemt het atomized eating, iedereen die eet volgens zijn eigen specifieke set voedselregels. ‘Consumenten lijken hun smaken en eetregels te gebruiken om onafhankelijkheid en moreel karakter uit te stralen.’ In interviews die Bruder deed met volgers van speciale diëten kwamen twee woorden steeds terug: ‘identiteit’ en ‘controle’.

Het wordt steeds moeilijker, constateert Bruder, voor Amerikanen to break bread together. Waarschijnlijk is dat het gevoelige punt dat Lubach in zijn sketch aanraakte. Hoewel we in Nederland nog niet zo ver zijn als in New York of Los Angeles is het waarschijnlijk een kwestie van tijd. En dat is wel degelijk iets verdrietigs.

Een New Yorkse vriendin beklaagde zich er onlangs over. ‘Je kunt geen etentjes meer organiseren. Iedereen gaat ervan uit dat je rekening houdt met zijn of haar dieetwensen. En iedereen heeft andere regels. Het kan nooit gewoon eens ongecompliceerd gezellig met elkaar eten zijn.’ Precies dát is waar Alan Levinovitz voor waarschuwt. Los van de aantoonbare onjuistheid van veel voedselclaims die ten grondslag liggen aan speciale diëten is misschien nog wel het belangrijkste dat wél is aangetoond dat eten een sociaal gebeuren is. Dat het een moment is om nader tot elkaar te komen, om je onderdeel te voelen van een gemeenschap. Levinovitz wijst er bovendien op dat je van voedselobsessies of verlammende voedselangst uiteindelijk dezelfde symptomen kunt krijgen als die van de overgevoeligheid voor dietary demons als suiker, zout en gluten! Er wordt wel eens gezegd ‘je bent wat je eet’, maar misschien is het wel eerder ‘je bent hoe je eet’, aldus Levinovitz.

We maken ons druk over suiker, zout en gluten, maar wellicht zouden we gewoon wat vaker met elkaar moeten gaan eten. Op die manier komt het plezier in eten wat meer op de voorgrond en dat blijkt uiteindelijk misschien wel het beste dieet te zijn.

Else Vogel promoveerde onlangs aan de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar afvalmethodes die het genot van eten benadrukken. Samen met haar promotor, Annemarie Mol, hoogleraar antropologie van het lichaam, schreef ze het artikel Enjoy Your Food: On Losing Weight and Taking Pleasure. Vogel en Mol onderzochten verschillende afvalprofessionals die mensen begeleiden met diëten en daarbij niet de nadruk leggen op controle over het lichaam, maar juist op het genot van eten. Het gaat er daarbij om dat patiënten worden uitgenodigd om niet langer zichzelf plezier te onthouden, maar om dit juist naar zich toe te halen. ‘Dat is minder eenvoudig dan het lijkt, maar kan uiteindelijk leiden tot een overgang van controlegedrag, dat meestal verbonden is aan een dieet, naar beter voor jezelf zorgen en genieten van voedsel.’ Het idee is: als je geniet van dat wat goed voor jou is, dan ga je vanzelf niet overeten.

Wellicht is het geen toeval dat de toename van overgewicht in de westerse wereld gelijk op lijkt te zijn gegaan met die controlebehoefte. Birgit Nemec ziet onze huidige dieetobsessies als het ‘einde van een lange ontwikkeling van voeding als preventief medicijn, een ontwikkeling die begon in het begin van de twintigste eeuw en die de nadruk steeds meer is gaan leggen op preventie van ziekte middels voeding’. De focus is daarbij gaan liggen op het individu in plaats van op de bevolking als geheel. ‘We hebben steeds meer technologie om ziektes in een vroeg stadium op te sporen en we horen steeds meer adviezen en leefregels voor een gezond leven. Sommigen noemen dit “de pathologisering van het dagelijks leven”. Mensen voelen een hoge druk om mee te doen aan het voorkomen van ziekte door voeding. Dieetregels zijn een essentieel onderdeel geworden van “zelf-optimalisatie” en “controle”.’

In een tijd van grote onzekerheid, een tijd waarin (vooral jonge) mensen zich hevig zorgen maken over het klimaat, politieke spanningen en de ongebreidelde macht van grote ondernemingen, is er nog één gebied dat we zelf in de hand hebben, één handeling waar we volledige controle over hebben: dat wat we in onze mond stoppen. Die controle komt echter met een prijs. De prijs van ‘geatomiseerd’ eten via geïndividualiseerde consumentenkeuzes. Ieder volgens zijn eigen set afgebakende regels, zonder gemeenschappelijke focus op het samenzijn aan tafel, zonder gemeenschappelijk tafelgesprek over hoe het verder moet met de voedselindustrie.

Natuurlijk zien we de desastreuze gevolgen van de vlees- en zuivelindustrie voor het milieu, en natuurlijk moeten we daar iets aan doen. Waarschijnlijk is die industrie niet langer houdbaar in de loop van de 21ste eeuw. Maar laten we het dáár dan met elkaar over hebben. Aan een grote tafel. Laten we samen ons brood breken.