Met Oscar van den Boogaard in Berlijn

«Ons geluk is in gevaar»

Oscar van den Boogaard (1964) is sinds de jaren negentig de belichaming van de vooruitgang in kunst en literatuur. Ook nu de tijdgeest plotsklaps is veranderd en «de blijheid» verdwenen. «Deze periode is superexistentieel.»

BERLIJN – «In bed had ik aantekeningen gemaakt over geborgenheid en daarom sliep ik buitengewoon vredig in. Anderhalf uur later gebeurde het. Iemand boog zich over me heen, ik schrok wakker, het bloed spoot in ’t rond. Ik had mijn arm door twee ramen geslagen. Het was een slagaderlijke bloeding. Ik ben naar beneden gerend en een café binnen gegaan. In de ambulance kreeg ik een enorm gevoel van dankbaarheid en liefde voor de ambulancerijders. En later in het ziekenhuis voor de man die mijn wonden dichtnaaide. Ik was heel euforisch – kijk.»

Hij laat zijn onderarm zien, met twee japen erin. De binnenkant is dood. Die voelt niet meer.

«Later was ik voor mijn boek blij dat het was gebeurd. Ik zie mezelf als een Probe-Mensch. Als iemand die zijn lichaam in de strijd werpt en zich blootstelt om te kijken wat er gebeurt. Overdag ben ik ongelooflijk moedig, maar als ik in bed stap, word ik bang. Sinds ik met schrijven begon, zo rond mijn 25ste, schreeuw ik in mijn slaap. Voor die tijd had ik nacht merries waarin ik wel wilde maar niet kon schreeuwen. In mijn slaap schreeuwen is daarom eigenlijk een enorme bevrijding.»

Hij vertelt niet de hele waarheid. Als hij later over zijn moeder komt te spreken, zal blijken dat het schreeuwen niet alleen met het schrijven maar ook met haar dood kwam.

En het is niet zomaar dat hij het slaan in zijn slaap en de wens een Probe-Mensch te zijn met elkaar verbindt. In zijn laatste boek (het Berlijnse dagboek Inspiration Point) schrijft Oscar van den Boogaard dat hij een nieuwe mens wil worden, een «die niet in de wereld zijn spiegel ziet, maar door die spiegel heen breekt en kan kijken».

Met Inspiration Point breekt hij door de spiegels van de jaren negentig, die hij te midden van de Europese avant-garde beleefde. Het was de tijd van onbekommerd van zichzelf en van anderen genieten. Het tijdperk waar we op 11 september 2001 hardhandig uitgedonderd werden en dat sinds 2 november 2004 als een sprookje zo ver weg lijkt. Hij poogt een manifest op te stellen of tenminste een woord te verzinnen dat aangeeft hoe zij die hij als «gevoelige mensen» ziet nu leven. Daartoe komt hij met begrippen als superexistentialisme, superhumanisme en barbapapisme, die hij introduceert, wegwerpt en weer terughaalt.

«Ik heb geen theorie», zegt Van den Boogaard, «ook geen manifest. Maar ik wil een nieuwe mens benoemen. Ik denk dat wij wel weten hoe we zouden willen zijn. We willen nieuwsgierig zijn, in alle ontwikkelingen mee kunnen gaan, niet definitief zijn. In de kunsten wordt er gezocht naar een wereld die bestaat uit alles wat je je kunt voorstellen. Een wereld die eigenlijk heel lief is, maar ook een wereld die waar is en waar de ego’s niet opgeblazen zijn, maar waarin wel alles in de buitenwereld zijn belang krijgt.»

Toets in www.superexistentialisme.com en www.oscarvandenboogaard.com verschijnt.

Oscar zelf is het manifest.

Waar is Oscar? Daar is Oscar. Morgen moet hij de tentoonstelling van zijn bed in Bonn openen, daarna naar zijn huis in Antwerpen en vervolgens naar de tijdelijke werkplek Parijs, alwaar de presentatie van zijn roman De heerlijkheid van Julia in Palais de Tokyo plaatsvindt. Nu raust hij op zijn mountainbike door de bladeren in de straten van Berlijn. Rood. Geel. Bruin. Groen. In duizenden bomen tegelijk is de herfst geëxplodeerd.

Oscar ziet er stoer uit in zijn grove grijze trui en broek. In het boord zit een geel sjaaltje weggestopt. Onder de trui schuilt een kunstwerk dat hij in 1996 van de Schotse kunstenaar Douglas Gordon kocht: Guilty staat op een schouderblad getatoeëerd. In spiegelbeeld; alleen Oscar kan het lezen als hij over zijn schouder in de spiegel kijkt. Het werk (een foto van de rug van de schrijver) is door het Guggenheim in New York aangeschaft, en Oscar kan er prat op gaan dat zijn rug tot de collectie van een van de belangrijkste musea van de wereld behoort.

«Kijk, daar. Zie je die showroom? Daar kun je ’s avonds dineren. Aan een tafeltje tussen de auto’s in!»

Dit is Charlottenburg. West-Berlijn. Een wijk met elegante grandeur. Zijn huis, een plein, Oscar wijst de mooie stekken aan. Hij vertelt dat de eerste pioniers al terugkeren uit de hippe Oost-Berlijnse wijken Mitte en Prenzlauer Berg.

Hij praat in Oscar-taal. Een taal waarin woorden als licht, hecht, blij, receptief en poppy een net andere betekenis lijken te bezitten dan in gewoon Hollands. Genoeg gefietst. Oscar arrangeert een overdadig mooie plek: een balkonnetje voor de serre van het Literaturhaus. Een klein gietijzeren tafeltje, zon, rondfladderende musjes en zwevende bladeren. Hij zet een precieus gevormde zonnebril op, klaar om van wal te steken. Toch niet. Een lange stilte valt. Dan zegt hij iets over schrijven. Schrijven heeft volgens hem te maken met niet kunnen leven zonder te kunnen schrijven. Dus: niet gewoon kunnen leven. Bij hem hangt dat ergens mee samen.

«Ik ben in een donkere wereld opgegroeid. Ik ben opgevoed door een moeder die niet wilde leven. Van haar heb ik geleerd dat het leven niet de moeite waard is en dat eigenlijk niemand voldoet aan de verwachtingen. Daarom is het leven niet iets vanzelfsprekends voor mij.

Ik hielp haar. Ik schonk haar glas vol. Ik probeerde mezelf zo stil mogelijk te maken om haar niet tot last te zijn.

Ze droeg een zonnebril en was eigenlijk heel erg grensoverschrijdend. Ze vond het een totaal domme gemeenschap in Deventer en verschanste zich in een huis dat ze buiten de stad voor zichzelf had laten bouwen. Ze had een enorm dédain voor de wereld en vond niets goed genoeg. Ik probeerde haar ideale zoon te zijn. Als kind van een alcoholist was de enige manier om te overleven me in de ander in te leven. Als ik op dat moment mijn eigen wensen zou hebben geformuleerd, zou ik ook totaal mislukt zijn. Er was geen kans van slagen dat ik zou krijgen wat ik wilde hebben: iemand die verantwoordelijkheid voor mij droeg.

Ik moest begrijpen waarom zij was zoals zij was en zo werd ik opgeleid tot haar slaaf. Haar nimf. Mijn oudste zus heeft zich tegen haar afgezet en mijn middelste zus heeft geprobeerd te middelen. Ik leefde in een volstrekt eigen wereld. Ik zat op school, ik deed Grieks, ik deed Latijn, ik hield daarvan. Ik las verhalen en ik schreef dingetjes op, ik speelde met het poppenhuis en mijn autootjes, maar ik was een solitair, teruggetrokken kind.

Toen ging mijn vader weg. Hij was militair en leerde mijn moeder kennen op Paleis Soestdijk, in de entourage van Bernhard en Juliana. Ik was elf, hij ging naar Suriname, waar we al hadden gewoond. Ik werd de enige man in huis. Dat werd ook zo aangekondigd. Vlak voordat mijn vader vertrok, legde hij me nog uit hoe ik de verwarming moest ontluchten. Mijn moeder toverde me meteen om tot de man in huis. Ze gaf me een scheerapparaat toen ik daar nog lang niet aan toe was, after shavejes, mannencrèmepjes, een polaroid die ze van mijn eerste borsthaar maakte en de hele enge rataplan daaromheen. Dat was helemaal niet leuk. Het was allemaal niet zo leuk daar.»

Hoe verliet je je moeder?

«Ze heeft altijd gezegd: jij bent vertrokken als je je eindexamen hebt gedaan. Er was geen sprake van dat ik zou blijven.»

Dat wilde ze niet?

«Dat wilde ze niet. Ze wilde het achter de rug hebben. Zij wilde alles achter de rug hebben.»

Wanneer is ze overleden?

«Kort voor het verschijnen van mijn eerste boek. Dat gaat heel erg over haar. Ze heeft het in manuscriptvorm gelezen. Ze zei dat ik heel veel fantasie had en dat ik dat van haar had. Ze heeft zichzelf er niet in herkend, of deed dat zo voorkomen.

Daarop is ze heel ziek geworden, het resultaat van een langdurige zelfmoordactie eigenlijk. Ze heeft zichzelf totaal ondermijnd.»

Je beleefde je triomf toen je moeder overleed.

«Ik heb Dentz geschreven toen ze doodziek was en ik haar moest verzorgen. Ik zat in dat huis en ik schreef aan dat boek. Het ging over een jongen die zijn moeder wil uitschakelen. Ik was net bezig toen bij haar botkanker werd geconstateerd. Toen liep het parallel. Ik kreeg het gevoel dat er iets visionairs in het schrijven zit. Of in mijn schrijven. Het is een beetje creepy business. Het zijn totaal onbewuste processen en er is natuurlijk meer aan de hand dan het schrijven alleen.»

«Toen ik wegging, begon mijn eigen leven. Het werd mijn project. Ik ben naar Montpellier gegaan omdat ik dacht: ik ga weg van mijn moeder en ik ga nooit meer in Nederland wonen. Maar na een jaar ben ik toch naar Amsterdam gegaan om rechten te studeren, na mijn afstuderen ben ik in Brussel gaan wonen.»

Je bent allerminst gevallen voor Amsterdam.

«Ik kon niet tegen de vanzelfsprekendheid van mensen die ergens vandaan komen en daar zijn blijven wonen. De Duitsers in Duitsland, de Nederlanders in Nederland – dat is iets normaals, maar ik kan er niet tegen. Ik heb behoefte aan verbazing en aan mensen die als ze praten aan het vertalen zijn, mensen die het gevoel hebben dat wat ze zeggen niet alleen maar… ik vind het moeilijk om in een cultuur te leven waar mensen denken dat de taal die ze spreken de enige taal is. Het gaat er juist om dat dingen niet vanzelfsprekend zijn.

En ik leerde Jan kennen. Op een rondvaartboot. Hij heeft me van Brussel leren houden.»

De top van de jaren negentig was inmiddels bereikt.

«Nee, die was later, zo vanaf 1996, toen we de galerie begonnen. Dat was een absolute top qua idealisme, qua nieuwe dingen die gebeurden en qua samenkomen van die nieuwe dingen. Zo in 1993 begon het. We hadden een heel groot huis in Schaarbeek en we maakten onze eigen tentoonstellingen. We nodigden gewoon thuis uit: ‹Jan Mot en Oscar van den Boogaard hebben het plezier … uit te nodigen voor de tentoonstelling van …› Tracey Emin kwam bij ons logeren en las voor uit haar boek. De Britse en de Franse kunstwereld, allemaal jonge mensen op zoek naar iets wat totaal nieuw was en dat ging over ik en over jij en over samen-zijn en lichtheid. Ons motto was: It takes courage to enjoy. Eigenlijk ging het over een ideale wereld. Het was niet meer formeel, het ging over de persoon.

Bij Tracey Emin was haar leven uitgangspunt voor haar werk. Ze had een eigen museum. Ze was nog niemand, ze was net van school af en ze had haar eigen Tracey Emin-museum in Londen. Jezelf monumentaliseren, daar ging het om, en dat elkaar ook toestaan. Elkaar ook met het respect benaderen van: we zijn allemaal koningen en koninginnen. Het was totaal vernieuwend. Het was iets dat niet op andere plekken gebeurde. Dit waren nieuwe mensen.»

Was het niet het kunstmatig afschudden van de ballast van een groeiend zelfbewustzijn en een wanhopige poging toch naïef te zijn?

«Ik weet het niet. De kunst werd een manier van leven. Alles werd eigenlijk kunst. Het ging ook heel erg over de mentaliteit van dat de wereld van ons was. Van: we hebben elkaar gisteren in Londen gezien, morgen gaan we naar Parijs en dat vinden we allemaal heel leuk en dan gaan we naar Berlijn en dan is het zomer en gaan we naar Ibiza en we blijven logeren en we slapen met z’n allen in een bed en dat bed zetten we in een museum en ik schrijf daar een verhaaltje over en ik maak dit nu mee.

Het ging over de blijheid vrij te zijn.»

Zonder ouders?

«Ja, grote kinderen.

Maar goed. Ik wil niet een tijd in beeld brengen op die manier.»

Waarom niet?

«Omdat praten snel gaat en denken vrij langzaam.»

In Sensaties en in Inspiration Point beschrijft hij zijn vrienden als de genietende, consumerende, zichzelf etalerende en avantgardistische elite van de jaren negentig. Eeuwig jong, bijna seksloos, te sensitief en emotioneel gevoelig om burgerlijk te kunnen zijn. Ze zijn beyond hip. Het zijn hun ideeën die en masse gekopieerd en verkocht worden. Tot de wereld definitief doordringt. Een vriend zet zich nog op een net aangeschafte mooie bank om te staren naar de schaduwen van de bomen buiten, maar als Oscar tv kijkt, blijkt hij niet in staat om «in al die open wonden» te kijken.

«Ik denk dat de jaren negentig heel esthetiserend waren. We hebben onze huizen zo mooi en onze wereld zo perfect mogelijk gemaakt. Dat is voorbij. De beelden zijn kapotgeschoten. Het gaat over iets anders nu. Ik weet niet precies wat. Door de vorm heen breken, tussen de scherven zoeken… tussen de scherven… zie ik daar een glimp van de nieuwe mens?»

In de jaren negentig konden we vrij kapot maken, wegdoen, begrippen onzin vinden, het allemaal zelf uitzoeken of anders wel in de winkel aanschaffen.

«We waren vrolijk aan het zoeken. Zoeken is ook een luxe. Het door de wereld gaan en zoeken is ook je wentelen in een wereld waarin er voor je gezorgd wordt. De jaren tachtig waren de jaren van het opblazen van ego’s geweest. Dat is voorbijgegaan. Kunst werd het zoeken. Het vormgeven van iets dat tussen mensen hangt. Van communicatie en het intermenselijke.

Maar we leven nu in een andere tijd. Iedereen is op een bepaalde manier in gevaar. Dat vergroot het verantwoordelijkheidsgevoel voor je eigen gevoel en voor dat van anderen.»

De tijd van het vrijblijvend in het rond trappen of mooi schrijvend lukraak afbreken, is die tijd nu voorbij?

«Er is angst. Ja, voor de wereld. Intussen is onze authenticiteit in gevaar in een samenleving die vervlakt, sentimenteel is en vol ressentiment. Kortom, ons geluk is in gevaar. Inspiration Pont gaat over het verlangen naar authenticiteit en geluk en het zoeken naar een nieuwe wereld.

Vrijheid is altijd verbonden met angst. Het een kan niet zonder het ander bestaan. Deze periode is superexistentieel. Onze vrijheid was nooit zo groot, onze angst ook niet. Niets is vanzelfsprekend, we kunnen hypergevoelig worden, superhumanisten.

Ik ben ook heel bang voor deze tijd. Ik denk dat sommige mensen die een beetje open waren weer totaal zijn dichtgeslagen. Een wereld die bang is en alleen nog maar getroost wil worden is een heel gevaarlijke wereld. Omdat die niet meer goed kan kijken. Dat is een kind in een bedje dat zijn kruik wil krijgen.»

Je vrienden, veelal kunstenaars, spelen een rol in je werk en jij in hun werk. Hoe zijn zij veranderd?

«Ze zijn allemaal op een andere manier veranderd.»

Een lange stilte volgt.

«Het is alsof de blijdschap is ingedaald. Ik denk dat we in de jaren negentig onze blijdschap bijna moesten bewijzen. We moesten bewijzen dat we blij waren, omdat die blijdschap zo ongewoon was en het eigenlijk zo onterecht was om blij te zijn. Het werd bijna een thema. Nu is het een besmet thema. Blijdschap tot thema verheffen is een beetje smerig in een wereld waarmee het zo slecht gaat.»

En nostalgie?

«Nostalgie was toen iets bijzonders en nodig om vorm te geven, maar nu is dat niet meer nodig. Nu de hele wereld nostalgisch is, is dat geen onderwerp meer.»

Triest klinkt de brief die je vriendin Manon de Boer schrijft en die in een van de laatste hoofdstukken van ‹Inspiration Point› is opgenomen. Ze schrijft dat wat jullie een aantal jaren geleden beleefden nu is ingehaald door de tijd en de commercie.

«Dat is ook zo en je kunt zeggen dat het triest is, maar je kunt ook zeggen dat je er zo weer van bevrijd wordt.»

We gaan naar binnen. Oscar versiert een deftig zaaltje. In het midden worden een tafel en twee stoelen gezet, zodat de opstelling voor een act met twee heren ontstaat. Oscar completeert de setting door heen en weer te banjeren in de ruimte terwijl hij de opdrachten van kunstenaar Tino Sehgal nadoet. Hij en zijn vrienden zijn bezig. Er moet nu gemaakt worden. De installatie die vanaf morgen in de Bonner Kunstverein te zien is, heeft hij met zijn vriend Steven van der Watermeulen gemaakt. «Manon de Boer», zegt Oscar, «heeft een film gemaakt over Sylvia Kristel en die wordt ontzettend gewaardeerd. Hij draait op festivals in de hele wereld. In Nederland wordt hij in het geheel niet opgemerkt.»

Je wilt echt niet in Nederland wonen.

«In Berlijn lijkt alles zwaarder, ernstiger, daardoor is de lichtheid ook echter. Lichtheid is hier een ontdekking, een verovering, omdat die niet vanzelfsprekend is. Lichtheid zonder zwaarte is voor mij niets waard.

Ook zoiets. Ik zit dit seizoen in Parijs en heb een kamer op het Nederlands Instituut. Ik vertelde een Hollandse dat mijn boek wordt gepresenteerd in Palais de Tokyo en dat Sylvia Kristel erotische passages komt voorlezen. Nou, (de zelf zeer beschaafd pratende Oscar doet een Hollands accent na:) ‹Pallè du Tokiejoow? Hoew hep je dat foor mukaar gekreegu?› Dan denk ik: weet u wie ik ben? Alsof je niet een persoonlijke geschiedenis kunt hebben. Alsof ik niet bevriend zou kunnen zijn met iemand die dat Palais de Tokyo heeft opgericht. Dat iedereen zo is als zij, daar gaat het Hollanders om. Dat alles wat er gebeurt eigenlijk… dat iedereen gewoon even gewoontjes is!

Al die dingen die ik niet kan vertellen, dat vind ik zo erg. Ik denk dat ik jou alles kan vertellen, maar ik kan helemaal niet alles vertellen want ik mag helemaal niet alles vertellen. Want als ik alles zou vertellen, zouden mensen helemaal niet meer weten wie ze tegenover zich hebben.»

Wat bedoel je?

«Ik bedoel, ik ben een schrijver, maar ik schrijf ook toneelstukken en mijn werk wordt ook vertaald, en ik ben bezig met beeldende kunst, en ik heb verscheidene officiële adressen, en ik ben op heel veel plekken tegelijk, en ik ken bepaalde mensen en ik heb net dat en dat meegemaakt en ik was vannacht daar en daar en ik interesseer me voor dit en dit en dit. Ik bedoel, dat valt allemaal niet te combineren voor een Hollander, dus ik heb het idee dat ik me de hele tijd moet versimpelen om te kunnen communiceren. Het is jeugdjournaal. Het voordeel van het buitenland is dat er van je wordt verwacht dat je een vreemdeling bent.

Begrijp je er iets van?»

Zoals je het zegt ligt het aan een egalitaire maatschappij waarin er geen voorstelling bestaat van verschil.

«Precies. Maar in zo’n wereld kan ik niet bestaan. Mijn werk gaat juist over het een heel specifiek iemand willen zijn.

Een mevrouw schreef over Nest, mijn laatste toneelstuk: de psychologie klopt niet en er is te weinig samenhang in de tekst. Het gaat er toch juist om dat ze zich probeert voor te stellen wat de samenhang eventueel kan zijn? En als je de psychologie niet herkent, dan gaat het er juist om dat je probeert te ontdekken wat er wél aan de hand is. Maar als dat niet de grondhouding is, in zo’n cultuur kun je toch maar beter weggaan. Een cultuur die niet openstaat voor het vreemde, die alleen maar afstraft en niet nieuwsgierig is, is een gevaarlijke cultuur, ik denk dat de Nederlanders dat nu aan den lijve ondervinden.

En dan al die mensen die denken dat ze kritisch zijn omdat ze een kritische krant lezen. Maar ze lezen die krant niet kritisch! Ze denken oké, de kritiek wordt al voor mij verricht. Dat is geen autonome, kritische houding. Of de mensen die denken dat ze kritisch zijn omdat ze in een kritische krant schrijven…

Ik ben wel heel negatief. Wat ik zeg geldt misschien overal. Er zijn ook mooie dingen over Nederland te zeggen, bijvoorbeeld dat er steeds minder Hollanders wonen. Nederland wordt een paradijs als iedereen een vreemdeling is.»

Hoffelijk dankt hij de serveersters die zo goed waren voor hem speciaal het zaaltje open te stellen. Naar huis, maar eerst nog even zwarte thee met melk drinken in een bijzondere antiekwinkel.

Uren later zigzagt hij in het donker door het vrijdagavondverkeer in Oost-Berlijn. Nu heeft hij een leren jack aan en een stoere schakelarmband om. Wijn drinken in een hotelbar. En er is een tentoonstelling getiteld The Stars Are So Big, The Earth Is So Small… Stay As You Are (Part II) van een groep kunstenaars bij galerie Esther Schipper, hij moet een inleiding schrijven voor de catalogus die nog komt. «Echt een heel goeie galerie», roept Oscar als hij een helwit verlichte en door beton gedomineerde ruimte binnenstapt. «Ha. Die Ozkar!» Hij schudt handen, kust en wordt op zijn schouder geslagen. In de drukte is het wat moeilijk genieten van de werken. Enkele bakstenen hangen aan touwtjes aan het plafond, een pendule slingert, een steiger tot aan het plafond, een bureau, of zou dat misschien toch niet… Weer door. Weer fietsen. Het is zomaar warm in de herfst. Berlijners zitten levenslustig met de jas aan op terrassen die in Nederland al lang voor een plek bij de centrale verwarming verruild waren.

Als het drankgebruik toeneemt wordt het makkelijker praten. Hij is de jongen die beschadigd is. Maar hij is ook een man die zich van zijn lot bevrijdde en zijn leven vanzelfsprekend maakte. Hij is vrij schrijver, wel een gevoelig maar niet meer allereerst een beschadigd mens. Tot dusver is zijn project geslaagd.

Vorige week, vertelt hij, belandde hij op een heel bijzonder feestje.

«We waren in Parijs naar het defilé van Veronique Branquinho geweest. Het was van een New Yorks modellenagentschap in een suite in Hôtel Westminster. Twee kamers en een soort salonnetje, een tafel met honderd flessen champagne en gin en zo. En acht bloed-, bloed-, bloedmooie meisjes van zestien en zeventien jaar oud. Een raar soort buitenaardse wezens met grote ogen. Totaal nuchter en dan wij gasten die zwaar aan het drinken waren. Mick Jagger zat ergens in een stoel, Nicole Kidman kwam nog binnen. Ik stond met een ongelooflijk mooi meisje te praten waar ik helemaal verliefd op werd en ik ontmoette iemand uit Bulgarije die weer een vriend van me kende. Ik voelde me heel goed.

Om half negen liep ik naar huis. Voor het Louvre waren een jongen en meisje ruzie aan het maken. Het was echt het einde van een relatie en ik werd daar zo… ik begon me ermee te bemoeien en ben met dat meisje mee gaan huilen. Toen liep ik verder en kwam bij de brug. Ik durf vaak bruggen niet over te steken en nu had ik weer dat probleem. Ik dacht, ik kan niet over deze brug, ik vind dat eng. Ik ben gaan wachten tot er mensen kwamen, maar als ik aan mensen vraag of ik met ze mee mag lopen omdat ik anders in het water spring, durven ze niet met mij de brug over te steken. Dat was echt heel vervelend.

Toen ik toch met mensen mee was gegaan heb ik aan de andere kant van de brug een koffietje gedronken. Daarna ben ik een kerk in gelopen en daar wilde ik een kaarsje aansteken maar ik had geen muntjes bij me en kreeg heel veel zelfmedelijden. Ik ben weer een koffietje gaan drinken, ging terug en gooide van mijn wisselgeld een twee-euromunt in dat bakje, maar de kaarsenstandaard stond bij Maria en ik heb niks met Maria. Verderop was een beeld van Antonius met een kind op zijn arm en ik vind hem een hele mooie heilige. Bij hem heb ik mijn kaarsje op gestoken en opeens had ik het gevoel dat ik had nadat ik mijn arm door de ruit had geslagen en voor mezelf moest zorgen. Namelijk dat er twee mensen in je zitten. Dat je samen kunt zijn als je alleen bent. Ik had het gevoel, terwijl ik naar dat beeld keek, dat hij het kind in zichzelf beschermde en dat het kind de man in hem troostte of toelachte. Ik heb dat heel erg op mezelf betrokken en kreeg weer een enorme euforische aanval.

Ja. Maar goed.»

_______________________

Boeken:

Dentz (roman, 1990)

Fremdkörper (roman, 1991)

Bruno’s optimisme (roman, 1993)

De heerlijkheid van Julia (roman, 1995)

Liefdesdood (roman, 1999)

Sensaties (notities, 2000)

Een bed vol schuim (roman, 2002)

Inspiration Point (notities, 2004)

Voorjaar 2005 verschijnt Het verticale strand bij De Bezige Bij

Toneel

Lucia Smelt (2001)

Sterremix (2002)

De nacht van de bonobo’s (2002)

Lavalounge (2002)

Nest (2004)

Nu te zien: Nest (Stadsschouwburg Amsterdam, 7 december; RO-theater Rotterdam, 16 t/m 18 december; Lucia Schmiltzt (Schau spielhaus Hannover) en Bed I (i.s.m. Steven van der Watermeulen) in Auftritt-tentoonstelling in Bonner Kunstverein.

Zie ook: www.oscarvandenboogaard.com