Ons murw geslagen enquêtevolk

Dit is het laatste wat u zult lezen over huiselijk geweld. Vorige week ging ‘het nieuws’ de lucht in. Justitie had, heel slim, een deal kunnen sluiten met tv-programma Zembla, dat de inhoud van een rapport als zogenaamd onthullende reportage bracht. Zembla liet ook een bezorgde minister Sorgdrager aan het woord. Alarmerend probleem. Maatregelen. Actualiteitenprogramma’s op radio en tv plus de kranten namen klakkeloos de conclusies van het rapport over. Het stond in één keer op alle voorpagina’s en dus was het waar: de helft van alle Nederlanders is slachtoffer van niet-incidenteel huiselijk geweld.

De zogenaamde maatschappelijke discussies gaan in golven. Zo hadden we kort op elkaar: hervonden herinneringen bij therapie, geweld op straat en huiselijk geweld. Er hing nog wat in de touwen, zoals een zedenschandaal in Emmer-Compascuum, maar dat moest het vooralsnog tegen dit mediageweld afleggen.
Dat de ‘maatschappelijke discussie’ over valse aangiften in zedenzaken in de kiem werd gesmoord, was te danken aan een ongelukkig toeval: de schrijver van het spraakmakende boek over dit onderwerp, de Alkmaarse advocaat C. Veraart, moest door ziekte alle verdere interviews afzeggen. Zo viel er een gat, waar het rapport van Sorgdrager precies in paste. Bingo!
In de wetenschap dat het inmiddels hopeloos oudbakken is, hier toch nog maar een kanttekening over de waarde van de in het rapport geschatte omvang van het probleem. Die 45 procent van ons als dramatisch slachtoffer. De waarde van die inschatting is namelijk nul.
Het bureau Intomart dat door Justitie werd ingeschakeld, ging als volgt te werk: 4600 Nederlanders die al eens eerder hadden meegedaan aan een schriftelijk onderzoek, kregen een brief. Daarin werd men verzocht mee te doen aan het onderzoek. En dat zou niet zomaar een onderzoek zijn, nee, door mee te werken aan dit onderzoek zou invloed kunnen worden uitgeoefend op het overheidsbeleid. Letterlijk stond er: 'De resultaten van het onderzoek zullen dus zeker gevolgen hebben voor het overheidsbeleid op dit belangrijke gebied dat wordt aangeduid met “huiselijk geweld”.’
Stel, je hebt in de verste verte nooit iets met huiselijk geweld van doen gehad. Zelf ben je geen slachtoffer en in je nabije omgeving ken je ook geen slachtoffers. Op zich ben je, zo in het algemeen, net als alle andere Nederlanders natuurlijk, een voorstander dat er iets aan 'dit belangrijke gebied’ wordt gedaan. Maar als jij die onderzoekers volgens waarheid vertelt dat er bij jou niks aan de hand is, dan doe je daar de zaak geen goed mee. Bovendien, het gaat niet zomaar om een paar vraagjes per telefoon, nee, er komt een enquêteur bij je langs, misschien gaat het wel een uur duren, of langer. En waarom? Om uit de doeken te doen dat bij jou niets aan de hand is en dat daar dan ook niets over valt te vertellen. Natuurlijk doe je niet mee.
Stel, je bent een slachtoffer van huiselijk geweld. Of je kent iemand die dat is. Je weet hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn. Je hebt je er misschien al die tijd wel druk over gemaakt dat de overheid niet kon ingrijpen. Nu kun je er eindelijk uitgebreid over praten. En dat niet alleen. Er wordt ook gesteld dat het 'zeker gevolgen zal hebben voor het overheidsbeleid’. Zo'n kans laat je niet liggen. Ook al vind je het misschien nog zo moeilijk om erover te praten. Natuurlijk doe je mee.
Van de aangeschrevenen deed de meerderheid niet mee. Zelfs van deze vroeger zo bereidwillig gebleken personen stuurde maar een kwart het retourstrookje in. Toen de rest daarna werd opgebeld, zei een vijfde alsnog geen zin te hebben. Als reden werd opgegeven: geen interesse (vijftig procent), geen tijd (een kwart), of praktische redenen als vakantie en verhuizing (24 procent). Slechts één persoon, een vrouw, zei niet mee te willen doen omdat ze er als slachtoffer nog niet over kon praten.
En dat terwijl er aan de telefoon toch twee antwoorden expliciet werden aangeboden: 1. respondent is vroeger slachtoffer van huiselijk geweld geweest en wil er nu niet meer over praten; 2. respondent 'zit er midden in’ en kan of mag er dus niet over praten.
Met andere woorden, ook de antwoorden van de 'non-respondenten’ wijzen erop dat deze personen geen betrokkenheid met het onderwerp hebben. Maar in het rapport heeft men het heel manipulatief over 'onderrapportage’.
Erger is hetgeen te lezen valt in het hoofdstuk 'aanbevelingen’. Daarin staat onder andere: 'De politie moet het zich tot taak rekenen de kloof tussen het melden van huiselijk geweld en het doen van aangifte te verkleinen.’ Met andere woorden: bij de politie 'weet’ men nu dat er bij de helft van de mensen sprake is van huiselijk geweld en raadt men bovendien aan een eventuele klacht, hoe vaag ook, zo snel mogelijk de molen van het strafrecht in te voeren. Dus waar men bij de incestproblematiek alweer begonnen is aan een corrigerende handeling door dit soort zaken minder via strafrechtelijke en meer via therapeutische wegen tot een oplossing te brengen, begint hier de ellende opnieuw. Met als gevolg strafzaken waarin weinig te bewijzen valt en des te meer leed wordt aangericht. Totdat de eerste 'hervonden herinneringen’ onder de noemer van huiselijk geweld als fake aangemerkt worden. Maar dan zijn we alweer menig verstoorde gezinssituatie verder.
En in wiens belang is dit allemaal? De politie gaat er een hoop banen bij krijgen. Ook komen er meer subsidies voor op zich nuttige organisaties als Slachtofferhulp Nederland en Blijf van m'n Lijf, direct betrokken bij dit onderzoek. Zo maken de probleemoplossende organisaties zichzelf belangrijker door middel van het 'objectief’ opblazen van het probleem.
Al is maar drie procent slachtoffer van huiselijk geweld, dan is dat nog verschrikkelijk. Maar voor dit soort slordige rapportjes zou de minister van een partij die zich graag als genuanceerd profileert, zich diep moeten schamen.