Ons pak

Hypocrisie is een pak dat ons slecht staat. Ik weet niet in hoeverre dat bepaald is door onze cultuur. Mijn vooroordeel is dat ik denk dat Italianen, Belgen en Fransen – ik noem drie volkeren – hierin makkelijker gekleed gaan.

Wie hypocriet is, heeft een moreel probleem. Hij wendt iets voor, hij huichelt, hij doet iets zonder daar helemaal achter te staan, hij weet beter.

Bij ons is het vaak de keuze tussen de koopman en de dominee.

Of, zoals Neelie Kroes het onlangs zei: ‘Straks sta je met schone maar lege handen of met vuile maar gevulde handen.’

Schone en gevulde handen lijkt een te groot ideaal – het is onhaalbaar.

Dat is niet helemaal waar. Wie vuile handen maakt, zal dat altijd rechtvaardigen door een hoger doel in te zetten dat het rechtvaardigt.

Zijn handen zijn dan iets minder vuil.

Dat wij onze economie, die lijdt onder een crisis, kunnen laten opstomen in de vaart der volkeren rechtvaardigt de aanwezigheid van de hoogste Nederlanders in Sotsji. Het bestrijden van die crisis gaat boven het protest dat je eigenlijk moet laten horen tegen de schandelijke maatregelen die Rusland tegen homo’s heeft genomen.

Mensenrechten dwingen ons in de bijrol van dominees met lege handen.

Daar komt bij dat het innemen van een moreel juist standpunt geen zin heeft als je geen macht hebt. Het werkt zelfs tegen je als je de ander nodig hebt. Nederland is zo klein dat je je moet afvragen of het zich wel te allen tijde een moreel juist standpunt kan permitteren. We zijn noodgedwongen kooplieden geworden, en goed koopmanschap vereist een wat lossere moraal. Vraag niet waar die kleren vandaan komen, doe geen onderzoek naar de gevolgen van gaswinning, laat je niet in met de mensenrechten in welk land dan ook, bemoei je niet met oorlogen die het land voert, maar verkoop je nachtkijkers.

Ik kom uit een familie van ondernemers en ze hebben allemaal vuile handen gemaakt.

Ik vraag me wel eens af of er een Nederlandse moraal bestaat

En allemaal hebben ze die handen willen schoonvegen.

Het vaakst deden ze dat met liefdadigheid.

Liefdadigheid die trouwens ook een hoger doel moest dienen. Het ging om het steunen van bepaalde wetenschappelijke projecten, of geld doneren aan bepaalde bibliotheken.

Misschien is dat de reden dat mij is geleerd dat je niet spreekt over je goede daden. Je laat je daar niet op voorstaan. Je vertelt niemand dat je geld hebt gegeven aan een goed doel. Je doet goed in stilte. Als ik al goed doe – het komt weinig voor – zwijg ik daarover. Mij is duidelijk gemaakt dat die stilte onzin is – en ik geloof dat ook wel, maar ik zou me erg ongemakkelijk voelen als ik me op mijn borst zou kloppen wanneer ik vertelde dat ik aan zus en zo geld heb gedoneerd.

Dat wij zulke gulle gevers zijn, komt door dat hypocriete pak dat wij dragen. (Vermoedelijk is dat pak ook in India door driejarigen in elkaar gestikt.)

Ik vraag me wel eens af of er een Nederlandse moraal bestaat. A Dutch morality.

De eerste keer dat ik dat dacht was een jaar of veertig geleden. Ik studeerde. Er waren wat journalisten uit Amerika op bezoek en die kregen een rondleiding door Amsterdam. In die rondleiding zat een bezoek aan een bordeel. (Ik meen dat alle Amerikaanse journalisten daar een artikel over wilden schrijven, maar het niet hebben gedaan.) Ze vonden het stuitend dat wij dat hadden geregeld, ze vonden het vreemd, typically Dutch, ontaard, maar ze gingen wel allemaal naar de dames.

‘Waarom hebben jullie dit georganiseerd?’ vroeg een journalist ons.

‘Om te laten zien hoe vrij we zijn en hoe we over deze zaken denken’, zei ik, de dominee.

Dat ik honderd piek in mijn handje kreeg van de bordeelhouder verzweeg de koopman.

Droeg ik een pak van hypocrisie?