De journalistieke klasse

Ons soort mensen

Journalisten zijn er dol op om de samenleving in groepen in te delen: middenklasse, onderklasse, wit, zwart, rechts of links. Maar hoe zit het met henzelf? ‘Journalisten zijn een soort stam.’

Medium ons kent ons6

Nederland is een buitengewoon eensgezind land, als je op zijn journalisten afgaat tenminste. Neem het regeerakkoord van vorige maand. Dat werd aanvankelijk vrijwel unaniem geprezen. ‘Met alle slagen om de arm die je maar kunt bedenken, is dit het beste wat we kunnen krijgen’, las ik in de Volkskrant. NRC Handelsblad waarschuwde voor al te hoge verwachtingen, maar noemde het desondanks ‘cruciaal dat de financiële markten vertrouwen houden in Nederland. Dat is in deze crisistijd een groot goed.’ Het kleine broertje nrc.next sprak over een mogelijk nieuwe periode van ‘zakelijkheid’ in de politiek. ‘In crisistijd biedt dat hoop.’

Alleen De Telegraaf week af van de lijn met zijn campagne tegen ‘Marx Rutte’. Daarna volgde het premie-oproer en was de jubel­stemming snel voorbij. Maar ook in hun verontwaardiging over de dreigende koopkrachtdaling van met name de hogere middeninkomens toonden de media zich opvallend eendrachtig. Hier en daar hoorde ik mensen zich afvragen of journalisten zich misschien laten leiden door hun eigen financiële zorgen. Maar dat zal niet – toch?

Tien jaar geleden, na de moord op Pim Fortuyn, was er volop kritiek op het vermeende gebrek aan onafhankelijkheid van de media. Toen luidde de beschuldiging dat journalisten te links waren. Vanuit die bias zouden ze Fortuyn hebben gedemoniseerd. Een aantal veelvuldig aangehaalde voorvallen leek die beschuldiging te staven. Parlementair verslaggever Job Frieszo zwaaide, toen het over Fortuyn ging, voor de camera met het rood-wit-blauwe partij­programma van de Centrum Democraten. In een column in Trouw schreef Matty Verkamman over Fortuyn als een ‘vuile, kale nepprofessor’ met ‘de intelligentie van Hitler’ en ‘de charme van Himmler’. En er was het beruchte hoofdredactionele commentaar dat op de dag van de moord op Fortuyn in NRC Handelsblad verscheen, waarin ironisch genoeg werd gewaarschuwd voor het ‘demoniseren’ van anders­denkenden door totalitaire bewegingen.

Maar schijn bedriegt. Achteraf wees onderzoek van de Vrije Universiteit uit dat Fortuyn helemaal niet structureel was benadeeld door de media. In de politieke berichtgeving had hij ongeveer evenveel steun als kritiek ontvangen. In de kranten en op televisie kreeg hij bovendien met afstand de meeste aandacht. Zo bezien hadden de media ook fors bijgedragen aan zijn succes. Voor zulke relativeringen was het toen echter al te laat. Het beeld van de demoniserende, linkse media was in beton gegoten. Van de weeromstuit schoten veel redacties de andere kant op. ‘Een krant of tijdschrift moet nergens bij willen horen, maar er zijn gradaties’, schreef toenmalig hoofdredacteur Henk Steenhuis van HP/De Tijd in een hoofdredactioneel. ‘Je wilt nergens bij horen, maar het grootst dient de afstand te zijn tot de groepering met de meeste macht. Ook al wordt hier doorgaans stilzwijgend aan voorbij gegaan, de heersende ideologie in Nederland is de linkse leer.’

Dat was toen. Het afgelopen verkiezingsjaar bekroop mij opnieuw een gevoel dat journalisten als beroepsgroep vooringenomen zijn. Niet in de zin van een mythische linkse kerk. Kijk alleen al naar de verkiezingscampagne. Uit onderzoek van de Nederlandse Nieuwsmonitor naar de voorpagina’s van de belangrijkste kranten is gebleken dat het allerminst de rechtse partijen waren die het moesten ontgelden. Over de pvv werd weinig maar redelijk neutraal bericht. De vvd werd met name door De Telegraaf de hemel in geprezen. Met afstand het slechtst kwam de linkse sp er vanaf, en niet alleen in de krant van wakker Nederland. Ook Algemeen Dagblad, Trouw en de Volkskrant berichtten overwegend negatief.

Ik betwijfel of het op televisie en radio veel anders ging. Een paar jaar geleden werd de publieke omroep door pvv’er Martin Bosma nog verongelijkt weggezet als een gezelschap ‘rode neuzen’ (die best afgehakt mochten worden). Maar NRC-recensent Hans Beerekamp concludeerde eind 2010, na drie maanden gasten turven van praatprogramma’s, dat het omgekeerde waar is. De ‘linkse omroep is een mythe’, aldus Beerekamp. Rechtse politici en opiniegasten kregen veel meer ruimte om hun standpunten te etaleren dan linkse.

Er is dus iets anders aan de hand. Laat ik het maar ronduit zeggen: voor mijn gevoel heeft het overgrote deel van de media al jarenlang heel uitgesproken voorkeuren. Niet voor linkse, maar voor ‘progressieve’ oplossingen, in de moderne, sociaal-liberale zin van het woord.

Ik weet dat geen twee journalisten precies hetzelfde zijn. Je hebt atheïsten, christenen en ietsisten. Degenen die voor de televisie werken zijn heel anders dan de schrijvende media. Ook tussen mensen bij de regionale en de landelijke dagbladen zit vaak een verschil van dag en nacht, om nog maar te zwijgen over al diegenen die bij vrouwen-, mannen-, auto-, woon- en bridgebladen hun brood verdienen. En nee, de redactie van De Groene Amsterdammer heeft weinig gemeen met die van pak ’m beet Het Financieele Dagblad.

Maar tóch zie je nagenoeg overal dezelfde meningen en standpunten terugkomen. Of het nou het regeerakkoord, het Lenteakkoord of willekeurig welke politieke gebeurtenis betreft, er heerst brede waardering voor ‘pijnlijke maar noodzakelijke hervormingen’, ‘daadkracht’ en een ‘zakelijke, rationele aanpak’. Voor een ‘moderne, flexibele arbeidsmarkt’ en een al even ‘moderne, afgeslankte’ verzorgingsstaat. Kortom, voor d66-politiek.

Heb ik gelijk? Zijn journalisten, ondanks hun pretentie om te laten zien wat er leeft in de samenleving, een zeer specifieke groep met gekleurde ideeën over waar het met Nederland en de wereld heen moet? Of komt die verdenking slechts voort uit mijn eigen, afwijkende voorkeuren – die ik nadrukkelijk geenszins wil ontkennen.

Ik leg het eerst maar eens, volstrekt onwetenschappelijk, voor aan wat willekeurige niet-journalisten in mijn directe omgeving. Zijn journalisten een menssoort? En aan welke trefwoorden denk je daarbij? De antwoorden lopen op het eerste gezicht wijd uiteen. ‘Mannelijk’, zegt de een. Een ander spreekt iets gedifferentieerder van ‘witte mannen en vrouwen’, een volgende persoon van ‘heteroseksuele mannen die net niet metroseksueel zijn’. ‘nos’, klinkt het ook, en ‘Randstad’. De beschrijvingen zijn lang niet altijd flatteus: ‘sensatiebelust’, ‘op status gericht’ en met ‘een soort pusherige, nep-kritische houding’. Eén iemand maakt onderscheid tussen jonge en oude journalisten. Waar de eersten ‘vlot’ zijn met een ‘open mind’, vallen de laatsten in de categorie ‘slobberige verschijning’ of ‘doordrammer’, inclusief snor en pijp.

Waar ligt de waarheid? Overal, zo ontdek ik merkwaardig genoeg. In die zin dat vrijwel al deze kenmerken wel ergens terugkomen in het schaarse wetenschappelijke onderzoek dat hier door de jaren naar is verricht.

Maar eerst nog even de kwestie of journalisten nou wel of niet een apart slag zijn. Bestaat er zoiets als ‘ons soort mensen’? Ik leg de vraag voor aan communicatiewetenschapper Mark Deuze. Zijn promotie-onderzoek uit 2002, een studie naar de journalistieke beroepsgroep in Nederland, wordt steevast geciteerd als het over dit onderwerp gaat. Tegenwoordig is Deuze verbonden aan Indiana University in de Verenigde Staten.

‘Journalisten zijn een soort tribe, een stam’, verklaart hij over de telefoon. ‘Het lijkt op het eerste gezicht een groep zonder duidelijke grenzen. Net los zand. Je hoeft geen cursus te volgen of pasje af te halen om journalist te worden. Maar ondertussen weten ze heel goed wat goede journalistiek is en wat niet. Als het erop aankomt wie daarover mag oordelen, heerst er ook een onuitgesproken hiërarchie. Bovenaan staan de parlementair verslaggevers en de correspondenten. Onderaan bungelen de samenstellers van de reisbijlage of degenen die de interviewtjes met de man in de straat doen voor Hart van Nederland.’

Daarbij geldt dat je er zonder hogere opleiding en de juiste stages niet meer tussen komt, meent Deuze. ‘Dat is een enorm filter. Het zorgt ervoor dat journalisten vrij homogeen zijn: hoogopgeleid, wit, middenklasse, en eerder progressief dan conservatief. Ze wonen doorgaans in de centra van de Randstad. Zeker niet in de achterstandswijken. Ze hebben weliswaar een voorkeur voor de underdog, maar zitten liever niet zelf met de vingers in de viezigheid.’

Het door Deuze geschetste beeld wordt grotendeels bevestigd door de meest recente, grootschalige studie uit 2010. ‘Journalisten zijn blanker dan de gemiddelde Nederlander, linkser en steeds hoger opgeleid’, bevestigt Alexander Pleij­ter, werkzaam voor de Rijksuniversiteit Groningen en een van de auteurs van het onderzoek. Ze vinden zichzelf bovendien kritisch, aldus Pleijter, maar hebben geen behoefte om op te komen voor zogenaamde ‘zwakke groepen’. Journalisten willen boven alles ‘onafhankelijk’ zijn, ‘objectief’ en ‘neutraal’, ook al leren ze tegenwoordig op elke journalistiekopleiding dat die laatste twee doelen onmogelijk te bereiken zijn.

Het beeld dat zowel Deuze als Pleijter schetst is consistent. Het sluit aan bij mijn idee van mediawerkers als een soort kaste. Maar eerlijk is eerlijk, de specifieke kenmerken van die journalisten vertonen meer overeenkomsten met het door de aanhangers van Fortuyn en Wilders gekoesterde beeld. In een op hun onderzoek gebaseerd profiel van de doorsnee-journalist, dat verscheen op de website De Nieuwe Reporter, doopten Pleijter en zijn collega’s deze persoon ‘Peter’. Het betreft ‘een man van vijftig jaar met een journalistieke opleiding op hbo-niveau. Hij werkt voor een papieren medium, inmiddels al zo’n 25 jaar. Dat heeft hem een vast dienst­verband opgeleverd (…) De afgelopen jaren zag hij steeds meer vrouwen hun opwachting maken op de redactie, vaak dames met een academische graad. Dat is sowieso een trend: steeds meer van zijn jonge collega’s hebben een academische graad. Wat in elk geval niet veranderd is, is de politieke oriëntatie van zijn collega’s, die is nog altijd vrij links.’

Peter dus. Toch is er met deze doorsnee-­journalist iets aan de hand. Kijk nog eens naar dat plaatje. Naar die leeftijd, naar Peters arbeidsomstandigheden. Het is ongetwijfeld een accurate foto van ‘de’ Nederlandse journalist. Maar wanneer is hij genomen?

Voorzichtigheid is geboden, geeft Pleijter direct toe. Want net als vrijwel alle andere onderzoeken leunt ook deze studie zwaar op het ledenbestand van de Vakbond van Journalisten, de nvj. ‘Er is nou eenmaal geen adressenlijst van alle journalisten in Nederland’, legt Pleijter uit. ‘En ja, dat is een manco. De nvj-leden zijn vermoedelijk een specifieke groep journalisten. Ouder wellicht. Linkser ook.’

Het maakt het er niet eenvoudiger op. De journalist zoals die in de onderzoeken naar voren komt is een blanke man, met een vast contract en een politieke voorkeur links van het midden. Maar hoe betrouwbaar is die informatie? Omdat het vooral gaat om vakbondsleden – doorgaans ouder, langer in het beroep, vaker man en linkser dan het gemiddelde – mag je aannemen dat dit beeld vertekend is. Die foto zou, kortom, zomaar van tien, twintig jaar geleden kunnen zijn.

Is dat van belang? Natuurlijk. Stel dat een buitenaards wezen, om een indruk te krijgen van wat die bewoners van de aarde nou precies bedoelen met ‘journalistiek’, zich louter verdiept in films als All the President’s Men, over de onthulling van het Watergate-schandaal. Of naar The Killing Fields of Salvador van Oliver Stone. Journalisten zijn dan dappere mannen die in naam van democratie en gerechtigheid onverschrokken op onderzoek uit gaan. Dat was al bij het verschijnen van die films een geromantiseerd beeld. Voor de grote, degelijke, ietwat saaie meerderheid die haar dagen op kantoor slijt is zelden aandacht. Maar tegenwoordig slaat het helemaal nergens meer op.

De journalistiek is de laatste jaren namelijk razendsnel van gezicht aan het veranderen. Letterlijk. Aan de randen van de verouderde foto’s van de mediaonderzoekers waren ze al zichtbaar: jongeren, vrouwen, freelancers, stuk voor stuk hoogopgeleid. Zo bezien is zelfs een serie als Sex and the City beter studie­materiaal voor onze buitenaardse bezoeker. Niet dat hoofdrolspeelster Carrie Bradshaw representatief is. Alleen al het feit dat ze zo succesvol is maakt haar ongeschikt. Maar ze is in elk geval een vrouw. Haar stukjes over relaties en daten vormen een gangbaarder genre dan de onthullingsjournalistiek van Woodward en Bernstein. En ze heeft geen vaste baan van negen tot vijf.

Dus wat kunnen we verder zeggen over de nieuwe journalisten? Mark Deuze is net begonnen aan een onderzoeksproject waarbij uitsluitend gekeken wordt naar die ‘onbekende’ media­werkers, met tijdelijke contracten, die geen lid zijn van de beroepsverenigingen. ‘Want dat wordt in de toekomst denk ik toch de norm. Er is een enorme omslag gaande.’

Deuze beschouwt de nieuwe journalisten als onderdeel van de ‘creatieve klasse’: hoog­opgeleid, kosmopolitisch, flexibel. Tegelijkertijd behoren ze binnen die groep van designers, fotografen en mensen in de game-industrie weer tot de iets behoudender types. Er is nog een aantal andere cruciale kenmerken. Zoals gezegd: de nieuwe journalist is steeds vaker een vrouw en steeds jonger. De oorzaak ligt voor de hand, denkt Deuze: het einde van de vaste contracten in de media. ‘Onder jonge journalisten die ik tegenkom, bijvoorbeeld bij colleges op het hbo, heerst enthousiasme voor het idee dat je niet je hele leven voor dezelfde baas werkt. Maar zodra ze eind twintig, begin dertig zijn, worden al die tijdelijke contracten een probleem. Niet voor niets zie je nu al vrijwel niemand van boven de 35 werken in de reclame- of de filmwereld.’

Terug naar het vermoeden waar het eigenlijk allemaal om te doen was. Journalisten blijken inderdaad een duidelijk omlijnde groep. Al zit daar wel veel beweging in. De oudere journalisten zijn mannelijker, witter en hebben veel vaker een vast contract. De nieuwe journalisten zijn vaker vrouw, jong, ze freelancen of werken met tijdelijke contracten.

Als ik mijn gelijk zou willen halen, zou ik er nu op moeten wijzen dat met name de nieuwe journalisten tot de creatieve klasse behoren. Dat dit de door Wilders’ achterban zo gehate hippe types met flexibele banen zijn, met bakfietsen, Scandinavische kinderkleren, Apple-spullen en uitgesproken brilmonturen. Dat dit precies de mensen zijn met een bovengemiddelde voorkeur voor partijen als d66, GroenLinks of (de liberale vleugel van) de pvda. Maar die bovenal geloven dat politiek een kwestie is van slimme, rationele oplossingen verzinnen voor problemen. Flexibele oplossingen. Hervormende oplossingen. Bezuinigende oplossingen. Oplossingen die – hoe opvallend – vervolgens altijd naadloos blijken aan te sluiten op hun eigen vrijzinnige, sociaal-liberale wereldbeeld.

Ons soort mensen, inderdaad. Maar laat ik niet te snel open deuren intrappen. Wellicht zit er meer beweging in de journalistieke klasse dan ik denk. Worden juist de flexibele freelancers op dit moment niet bedreigd door tarieven die sneller kelderen dan de prijs van een huis in Zoetermeer? Vallen uitgerekend kranten- en omroepredacties niet ten prooi aan de ene na de andere ontslagronde – pardon, ik bedoel: hervorming? Wie kan zeggen in hoeverre die veranderende persoonlijke omstandigheden op termijn gaan doorwerken in de onderwerpkeuze en de kleur van de berichtgeving van de media? Helemaal voorspelbaar worden journalisten zo bezien nooit. En dat is maar goed ook.

Koen Haegens is journalist. Hij stemt geen D66, is uitgesproken links (maar zonder rode neus), woont in de Randstad maar niet in een centrum, laat staan in de Grachtengordel. Haegens draagt geen bril met een dik, zwart montuur

Zijn journalisten links?

Het lijkt op het eerste gezicht zo duidelijk: de overgrote meerderheid van de journalisten noemt zichzelf links. In het proefschrift van Mark Deuze uit 2002 gaf maar liefst 47 procent van de respondenten aan dat ze ‘een beetje’ naar links neigden; 31 procent achtte zich zelfs behoorlijk links. Uit het recentere onderzoek van onder anderen Alexander Pleijter komt eenzelfde beeld naar voren, zij het iets minder afgetekend. Slechts een paar procent van de journalisten noemt zich ronduit rechts.

Deze resultaten bevestigen wat veel (rechtse) critici van de media altijd al zeiden: de media zijn links. Bloedrood zelfs.

Toch is voorzichtigheid geboden. Ten eerste leunen de onderzoeken zoals gezegd zwaar op de journalisten die zijn georganiseerd in een vakbond. Dat kan een vertekend beeld opleveren. Ten tweede is niet gezegd dat de politieke voorkeur ook doorwerkt in de berichtgeving. Daarop zijn ook tal van andere factoren van invloed: de redactionele koers, lezers en adverteerders. Zo zal een gematigd linkse Telegraaf-redacteur heus geen steunbetuiging aan Diederik Samsoms nivelleringsbeleid kwijt kunnen in de kolommen van zijn krant.

Ten derde gaat het om een eigen inschatting. Welke partijen als ‘links’ of ‘gematigd links’ worden beschouwd staat daarbij niet vast. Interessant in dat opzicht is een ander onderzoek, uit 1998, naar de politieke voorkeuren van parlementair journalisten. Zij stemden onevenredig vaak D66 (27 procent van de parlementair journalisten tegen 9 procent van de bevolking als geheel) en GroenLinks (14 tegen 7,3 procent). Beide partijen worden tegenwoordig eerder als ‘progressief’ bestempeld. Behoudende partijen als het CDA en het linkse buitenbeentje SP bleken daarentegen buitengewoon impopulair: slechts één op de honderd journalisten stemde op die laatste partij.

Een andere opmerkelijke bevinding uit dit onderzoek: de parlementaire journalisten beschouwden, ongeacht hun partijpolitieke voorkeur, vrijwel dezelfde thema’s als belangrijk. Boven aan alle lijstjes stond de asielproblematiek. Ter herinnering: dat was ruim drie jaar voor de opkomst van Pim Fortuyn.