De nawerking in de islamitische wereld

Ons tegen ons

Al-Qaeda is in de islamitische wereld niet populair. Alleen al vanwege het feit dat vooral geloofsgenoten slachtoffer zijn van islamterreur. ‘Ze haten mij ook!’

IN DE ZOMER VAN 2003 huurde student Fouad Gehad een filmzaaltje in Caïro en nodigde al zijn familieleden, kennissen en medestudenten uit. Op een groot scherm projecteerde hij videobeelden die hij zelf in een Afghaans vluchtelingenkamp had gemaakt. Het waren interviews met vluchtelingen die met Osama bin Laden hadden gesproken of hem ten minste met eigen ogen hadden gezien. ‘Het is mijn levensdoel te bewijzen dat Osama bestaat’, vertelde Gehad aan de Amerikaans-Arabische journaliste Mona Eltahawy: 'Ik heb schoon genoeg van de samenzweringstheorieën die hem afschilderen als een bedenksel van de Amerikanen.’
Over de uitwerking van 9/11 op de westerse wereld zijn boekenplanken vol geschreven. Over het effect in islamitische landen weten we jammerlijk weinig. Veel moslims moeten even verbijsterd zijn geweest als seculiere westerlingen bij de gedachte dat in naam van hun profeet vliegtuigen zich in wolkenkrabbers boorden, metrostations werden opgeblazen en verwarde mannen met bomschoenen en ontvlambare onderbroeken langs passagierscontroles poogden te glippen, dit alles begeleid door videoboodschappen uit een Afghaanse grot.
Van triomfalisme na 9/11 was in de islamitische wereld dan ook nauwelijks sprake. Uiteraard gingen de westerse media op zoek naar aanwijzingen dat moslims feestjes hadden gebouwd om de operatie te vieren, maar afgezien van wat geruchten over een Palestijns vluchtelingenkamp of een Parijse buitenwijk vonden ze niets. In het openbaar was de overheersende reactie er een van schaamte of ontkenning. De angst voor een geharnaste Amerikaanse reactie op elk vertoon van leedvermaak speelde natuurlijk mee, maar er was wel degelijk ook sprake van oprechte afschuw. In Iran werden op veel plaatsen goedbezochte waken gehouden voor de slachtoffers en in het voetbalstadion van Teheran namen zestigduizend mensen vol overtuiging een minuut stilte in acht.
De officiële uitvluchten grepen echter snel om zich heen, gestuurd door staatsmedia en geestelijk leiders die elke verantwoordelijkheid voor het gebeurde afwezen. Tariq Ali, een Britse auteur en gewezen linkse activist van Pakistaanse komaf, stuitte op een wijdverspreide mythologie omtrent 9/11. 'Ik heb veel van onze mensen gesproken in alle delen van de wereld sinds 11 september’, schreef hij in zijn Brief aan een jonge moslim die in april 2002 werd afgedrukt in de New Left Review. 'Eén vraag keert steeds terug: denkt u dat moslims slim genoeg zijn om dit te hebben gedaan? Ik antwoord altijd ja. Daarna vraag ik wie er volgens hen verantwoordelijk voor is. Het antwoord luidt zonder uitzondering: “Israël.” Waarom? “Om ons in diskrediet te brengen en te zorgen dat de Amerikanen ons aanvallen.” Ik probeer hen dan voorzichtig van hun illusies af te helpen, maar het gesprek maakt me bedroefd. Waarom wentelen zoveel moslims zich in zelfmedelijden? Waarom moet altijd iemand anders de schuld krijgen?’

OM TE BEGRIJPEN welke invloed 9/11 heeft gehad in de islamitische wereld beschikken we over weinig meer dan zulke uiterlijke aanknopingspunten. De publieke opinie is nauwelijks toegerust voor een onbevangen debat over de aanslagen, gevangen als ze zit in ongeletterdheid, censuur, religieuze propaganda en de verdeel- en heerspolitiek van wereldlijke en geestelijke leiders. Het is goed om te weten dat er studenten zoals Fouad zijn die waandenkbeelden rond 9/11 bestrijden. Ze stemmen Mona Eltahawy optimistisch, ondanks het feit dat zelfs onder moslims in het Westen de gelederen zich al snel sloten als reactie op haastig ingevoerde islamofobe wetgeving en wraakacties tegen moskeeën en islamitische scholen: 'Het enige voordeel dat die rampzalige aanslag voor moslims heeft gehad is dat we werden gedwongen hardop na te denken over begrippen als “jihad” en “ongelovige” die we zo lang gedachteloos hebben gebruikt.’
Maar wie zijn 'we’? En waar vindt die discussie hardop plaats? Volgens Tariq Ali bestond er zelfs onder academici in islamitische landen geen wil tot onderzoek of een redelijk gesprek: 'Alles lijkt versteend: onze economie, onze politiek, onze intellectuelen en het meest van alles onze religie.’ Om dezelfde reden kon men niet zinvol debatteren over de moord op Theo van Gogh of over de martelingen in de Abu Ghraib-gevangenis, betoogde de Libanese schrijver en journalist Hassan Daoud in dit blad (De Groene Amsterdammer, 14 januari 2005). De Arabische publieke opinie beschikt niet over de vereiste taal en verzandt bij dramatische gebeurtenissen als vanzelf in theologische gemeenplaatsen. Of in mystificaties, zoals het idee dat de Aziatische tsunami van 2004 is opgewekt door een geheime Israëlische kernproef. De ontkenning dat de complexe aanslagen van 2001 door geloofsgenoten zijn uitgevoerd is dus niet altijd kwaadaardig bedoeld. Niet alleen westerlingen hebben een cliché-beeld van moslimstrijders, ook veel moslims geloven dat 'hun’ fundamentalisten niet tot meer in staat zijn dan rondrijden in Toyota pick-ups, vrouwen afranselen en met kalasjnikovs in de lucht schieten.
De ontkenning drukt ook een minderwaardigheidsgevoel jegens het Westen uit. In politiek, sociaal en intellectueel opzicht heeft vooral de Arabische wereld, het epicentrum van de islam, een grote achterstand. Die werd in 2002 in kaart gebracht in het Arab Human Development Report, geschreven door een team van vijftien Arabische intellectuelen en wetenschappers in opdracht van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties UNDP. Het bevat schrijnende cijfers en beschrijvingen van de politieke onderdrukking, de kennisachterstand, de achterstand van vrouwen, het ontbreken van een civil society, de extreem lage productiviteit en scholingsgraad en niet te vergeten de dreiging van een reusachtig leger van gefrustreerde werkloze jongeren die zich vaak aansluiten bij radicale bewegingen.
Alleen al daarom is het bijna ondoenlijk om uitspraken te doen over de ware impact van 9/11 op ’s werelds moslims. Om toch enigszins een beeld te krijgen zijn we aangewezen op de demoscopie. De Amerikanen hebben in het kader van hun hearts and minds-campagne veel geld besteed aan opinieonderzoeken in de islamitische wereld, vaak uitgevoerd met hulp van lokale onderzoekers. Daaruit blijkt dat de gevonden standpunten over 9/11 nauw samenhangen met het doorgaans negatieve standpunt dat men heeft over de Verenigde Staten. Veel islamieten hangen hun mening over 9/11 geheel daaraan op. In veel landen buiten het Midden-Oosten (zoals Indonesië, het land met de meeste mosliminwoners ter wereld) denkt men overigens niet negatiever dan Russen, Grieken of Peruvianen over de VS. Egyptenaren spannen daarentegen de kroon. Maar liefst 93 procent van hen beoordeelt Amerika 'negatief’ of 'zeer negatief’.

UIT ZULKE PEILINGEN en verklaringen van populaire moslimleiders valt op te maken dat de bezwaren tegen de VS zijn te herleiden tot één punt: Amerika houdt zich niet aan zijn zelfverklaarde idealen. Het land neemt een loopje met het internationaal recht en met de democratie in de wereld. Het zou Israël voortrekken boven Palestijnen en andere Arabieren, het Midden-Oosten hoofdzakelijk als wingewest beschouwen en het veel te makkelijk op een akkoordje gooien met autoritaire leiders die Amerika van olie voorzien. Het opmerkelijke aan het verwijt dat de VS zich niet aan hun eigen maatstaven houden, is dat men impliciet aangeeft die maatstaven te delen. Dat wijst op een onderliggende sympathie. Veel islamieten hebben een maatschappelijk ideaalbeeld dat sterke overeenkomsten vertoont met de American way of life, zoals een vrije markt, een traditioneel arbeidsethos en sociale mobiliteit. Zij zien dat ideaalbeeld wel binnen de Amerikaanse landsgrenzen belichaamd, maar niet in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Hoe zou hun ressentiment anders te rijmen zijn met de rijen mensen die dagelijks voor Amerikaanse consulaten in moslimlanden staan om een visum aan te vragen?
Maar die opvattingen bestonden al voor 9/11. Er is niet veel verandering in gekomen door de aanslagen, op één belangrijke uitzondering na. Sinds 9/11 meent een aanzienlijk deel van de islamitische wereldbevolking dat Amerika de oorlog heeft verklaard aan de islam. In de surveys die onderzoekers van het Pew Research Center of het Program for International Policy Studies (Pipa) uitvoeren wordt steevast herinnerd aan de opmerking van George Bush dat hij een 'kruistocht’ wilde beginnen. Uit een groot vergelijkend opinieonderzoek dat Pipa in 2007 in Marokko, Egypte, Pakistan en Indonesië hield, blijkt dat acht van de tien ondervraagde moslims denken dat Washington opzettelijk de islamitische wereld tracht te 'verdelen en verzwakken’. De aanwezigheid van Amerikaanse troepen in het Midden-Oosten wordt door negen van de tien ondervraagden als een 'bezettingsmacht’ beschouwd. Een meerderheid keurt aanslagen op Amerikaanse militairen in het gebied uitdrukkelijk goed.
Dat wil niet zeggen dat islamieten meer sympathie zijn gaan koesteren voor al-Qaeda. Eén op de zeven ondervraagden zegt het wereldbeeld van Osama bin Laden te delen. Maar hier wordt het ingewikkeld, want de meesten van hen hebben opvattingen die van dat wereldbeeld afwijken. Zij wijzen bijvoorbeeld aanvallen op burgers af. Dat zij niettemin Osama steunen, komt doordat zij hem gewoonweg niet schuldig achten aan 9/11. Van alle ondervraagden in het Pipa-onderzoek wees slechts een derde al-Qaeda aan als schuldige voor 9/11. In Pakistan was dat maar twee procent. 'Het probleem is dat je mensen niet met bewijsmateriaal kunt confronteren om uit te vinden in hoeverre ze sociaal wenselijke antwoorden geven’, zegt onderzoeker Steven Kull van de Maryland-universiteit die bij het onderzoek betrokken was: 'Ik heb in focusgroepen wel gewezen op het bestaan van de video’s waarin al-Qaeda-leiders opscheppen over de aanslagen, maar het geijkte antwoord was: “Hollywood kan alles namaken.”’
Sommigen schreven de aanslagen toe aan de Amerikaanse geheime diensten, anderen aan de Mossad. Weer anderen weigerden eenvoudig een schuldige aan te wijzen. De Osama die men in sommige islamitische kringen bewondert is dus niet de Osama zoals wij die in het Westen kennen. Als al-Qaeda al wordt veroordeeld, dan is dat eerder als een product van het Westen dan als een uitvloeisel van de islamitische wereld zelf. Hoe beperkt de populariteit van al-Qaeda is, blijkt uit het feit dat de groepering er geen enkele massabeweging heeft geïnspireerd. De leden of aanhangers kunnen hooguit overleven door zich als parasieten aan bestaande volksbewegingen te hechten. Dat laatste is eigenlijk alleen in delen van Afghanistan en Pakistan gelukt.
De pogingen van Osama’s vertegenwoordiger in Irak, de Jordaniër Abu Musab al Zarqawi, om het soennitische verzet tegen de Amerikanen over te nemen is mislukt. Eigenlijk was die poging al gedoemd zodra Al Zarqawi de strijd aanbond tegen de sjiitische meerderheid. De Amerikaanse militaire aanpak, ondersteund door de Iraakse regering, deed de rest. Vervolgens drong de Arabische lente de beweging in de hele regio compleet naar de achtergrond. In Egypte en Tunesië gingen heel wat meer voorstanders van democratie dan van Osama’s 'herstelde kalifaat’ de straat op en ook in de zich moeizaam ontwikkelende Libanese democratie speelt al-Qaeda geen enkele rol. In Marokko had een forse meerderheid meteen een uitgesproken afkeer van de aan al-Qaeda gelieerde Groupe Islamique Combattant Marocain, die onder meer de bloedige zelfmoordaanslag van 2003 in Casablanca pleegde. De groep schijnt in 2007 te zijn uiteengevallen, waarschijnlijk wegens gebrek aan weerklank en aanwas.
Terwijl de Libische opstandelingen Moammar Kadhafi uitrookten, stelde Al Jazeera de retorische vraag: 'Waar is al-Qaeda?’ Islamisten zijn beslist invloedrijk binnen de Libische rebellenbeweging en ook de franchise die zich 'al-Qaeda in de Maghreb’ noemt lijkt een rol te hebben gespeeld in de Libische burgeroorlog. Maar het is niet duidelijk hoeveel invloed de groep heeft en dominant is zij zeker niet. De enige keer dat al-Qaeda in verband met Libië ter sprake kwam, was een maand geleden toen rebellengeneraal Abdel Fatah Younes werd vermoord. Younes was een oude kameraad van Moammar Kadhafi. Hij was minister van Binnenlandse Zaken toen hij op 20 februari overliep en zijn kennis en gezag waren een grote aanwinst voor de rebellen. Volgens Kadhafi zat al-Qaeda achter de moord op de generaal. Die versie werd echter tegengesproken door rebellenleider Mustafa Abdul Jalil, die het waarschijnlijker noemde dat volgelingen of huurmoordenaars van Kadhafi zelf de generaal hadden vermoord teneinde andere potentiële overlopers naar de rebellen te ontmoedigen. Het onderzoek naar de dood van Younes loopt nog.

DE VRAAG 'Waar is al-Qaeda?’ moet op een ander niveau worden beantwoord. Als de beweging sinds 2001 ergens vorderingen heeft gemaakt, dan is het in de virtuele ruimte. In conflictgebieden is al-Qaeda nooit meer dan een minuscule groepering vergeleken bij lokale islamitische groepen. In westerse landen is de beweging zo klein dat inlichtingendiensten aan een ouderwets kaartenbakje genoeg zouden hebben om alle betrokkenen te noteren. Dat isolement maakt de beweging niet minder gevaarlijk, maar wel politiek ineffectief. Al-Qaeda blijkt vooral een radicaliserende invloed te hebben op sommige jongeren via het internet, vooral in het Westen. De Franse onderzoeker Olivier Roy heeft als eerste dit effect beschreven. Hij wijst erop dat bijna alle daders van door al-Qaeda geclaimde terreurdaden uit het Westen komen of ten minste daar opgeleid zijn en zich vaak pas in het Westen hebben bekeerd tot hun radicale denkbeelden.
In datzelfde Westen vinden de grootscheepse discussies onder moslims plaats die in islamitische landen onmogelijk zijn. Discussies over de ware oorzaken en gevolgen van 9/11 en de betekenis ervan voor het geloof en de oemma, de islamitische wereldgemeenschap. Niet alleen erkent men het daderschap van Osama bin Laden en al-Qaeda, men beseft dat 9/11 staat voor een versie van de islam die precies die democratische meningsvorming de nek wil omdraaien. En die bovendien de meeste slachtoffers maakt onder geloofsgenoten, niet onder ongelovigen. 'Het is niet wij tegen zij, het is ons tegen ons’, schrijft Mona Eltahawy: 'Een Deense cartoon of Hollandse film kan nooit beledigender zijn voor een moslim dan de zelfmoordaanvallen in Pakistan die honderden doden eisen. Telkens wanneer ik een Amerikaanse presentator aan een analist hoor vragen “Waarom haten ze ons?”, hoor ik mezelf roepen: “Ze haten mij ook!”’