NEDERLAND EN MENSENRECHTEN

Ons treft geen blaam

Nederland blaast hoog van de toren als het om mensenrechten gaat. Maar de afgelopen maanden kreeg Nederland zelf veel kritiek. Het geven van kritiek gaat ons beter af dan het incasseren ervan.

IN NOVEMBER KONDIGDE minister Verhagen van Buitenlandse Zaken in een hooggestemde rede aan dat mensenrechten voortaan centraal zouden staan in het Nederlandse buitenlandbeleid. ‘De meest basale rechten worden overal ter wereld met voeten getreden’, stelde hij. Ter bestrijding daarvan stelde Nederland een onderscheiding in: de Mensenrechten Tulp. Er kwam een mensenrechtenfonds met een jaarbudget van twintig miljoen euro. Er kwam een ‘handboek mensenrechten’, te gebruiken op Europese ambassades wereldwijd. En zo waren er bijna honderd andere maatregelen – de meeste overigens zo vaag dat de Tweede Kamer concretere plannen eiste.
Minister Verhagen zal bij de uitdrukking ‘overal ter wereld’ wellicht niet aan Nederland hebben gedacht. Maar het afgelopen jaar was uitgerekend Nederland het onderwerp van een reeks bezorgde en kritische rapporten. De mensenrechtensituatie in Nederland werd achtereenvolgens aangekaart door het Europese Comité ter Preventie van Foltering en Onmenselijke Behandeling, de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie, leden van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, Human Rights Watch en Amnesty International (zie kader).
Het is niet per se tegenstrijdig dat Nederland enerzijds een mondiale voortrekkersrol wil spelen op het gebied van mensenrechten en dat het anderzijds wordt aangesproken op de eigen mensenrechtensituatie. Wie pleit voor transparantie in andere landen moet zelf ook verantwoording afleggen. Nederland kan daarin zijn voortrekkersrol uitbouwen, door te tonen hoe een voorbeeldig land zich laat doorlichten.
Maar dat gaat niet altijd zo soepel als de Nederlandse ambities doen vermoeden. Om te beginnen nemen de media de buitenlandse visie op Nederland niet altijd even serieus. ‘Die rare Hollanders met hun “racistische” beleid’, stond bijvoorbeeld boven een artikel in de Volkskrant waarin afgelopen week de Marokkaanse zorgen om Nederlandse maatregelen werden bespot. Toen Nederland zich in april in de VN-Mensenrechtenraad voor andere landen moest verantwoorden, schreven media daar vooral lacherig over. Volgens NRC Handelsblad ‘begonnen diplomaten prompt over onderwerpen waarover Amnesty rapporteerde’, al kwamen ze zelf uit landen waar Amnesty de mond gesnoerd werd. Andere diplomaten hadden duidelijk ook maar wat gesurfd op internet op zoek naar inspiratie.
Een stuk verbetener wordt soms gereageerd in Den Haag. Na de beoordeling in de VN-Mensenrechtenraad moest minister Verhagen zich tegen hogelijk opgewonden Kamerleden verweren. Geert Wilders, die bij die VN-beoordeling was aangevallen, vond het geheel ‘een aanfluiting’ en een ‘schandalige inmenging in binnenlandse aangelegenheden’. In februari was zijn collega Kamp van de VVD al even boos, toen de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie allerhande negatieve gevolgen had aangekaart van de verharde toon in het Nederlandse integratiedebat. Dat rapport was ‘beneden alle peil’, ‘een typisch links verhaal’ en (opnieuw) ‘een aanfluiting’.
De rapporten en vermaningen uit het buitenland zijn in de eerste plaats bedoeld voor bewindslieden, en gezien de reacties van bijvoorbeeld Verhagen en ook staatssecretaris Albayrak van Justitie zijn die daar best ontvankelijk voor. Maar volgens Willem van Genugten, hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van Tilburg, schuilt het gevaar elders. ‘De hoogst verantwoordelijken op ministeries nemen kritiek van buiten wel serieus. Zij kunnen ook niet goed anders’, zegt hij. ‘Het is eerder lager in de ambtelijke keten en elders in de samenleving dat ik irritatie zie. De schrobbering in de VN-Mensenrechtenraad is een goed voorbeeld. Nederland heeft zich juist voor deze opzet sterk gemaakt en aangedrongen op scherpe beoordelingen. Nu de kritiek stevig uitviel, wordt er gezegd: “Het is allemaal toevallig, andere landen hadden weer wat anders gezegd.” Dat is geen volwassen reactie.’
Ook elders in Den Haag vinden buitenlandse terechtwijzingen soms weinig weerklank. Het meest berucht en belangrijk is in dat opzicht de uitspraak in januari 2007 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in een zaak die de jonge Somaliër Salah Sheekh tegen Nederland had aangespannen. Volgens het Hof keek Nederland bij het uitzetten van asielzoekers ten onrechte alleen naar ambtsberichten van Buitenlandse Zaken. Als die zeggen dat een land veilig is, wordt een afgewezen asielzoeker erheen gestuurd. Maar volgens het Hof moet Nederland ook naar rapporten van vluchtelingen- en mensenrechtenorganisaties kijken.
Dit was al pijnlijk, maar veel erger was dat het Hof vond dat Sheekh terecht een gang naar de Raad van State had overgeslagen. Een zaak mag pas naar het Europese Hof als alle nationale gerechtelijke stappen zijn doorlopen. Maar in het geval van asielzoekers als Sheekh, zo oordeelde het Hof, is het overslaan van de Raad van State terecht omdat zij daar toch altijd verliezen. Dat oordeel leek Nederlands hoogste rechtsorgaan als partijdig neer te zetten. Sommige academici schreven dat al jaren, maar binnen de rechtspraak sloeg dat oordeel in als een bom.
‘Binnen de overheid is dat negatief ontvangen’, stelt hoogleraar Van Genugten. ‘In en rond de Raad van State wordt er wel over nagedacht, maar niet erg toeschietelijk. De uitspraak en de kritiek binnen Nederland lijken de Raad wel hoog te zitten, maar veel leden lijken het er niet mee eens. Ik vrees dat het wachten is op een nieuwe veroordeling.’
Zo’n veroordeling zou schadelijk zijn voor de Nederlandse statuur én voor het veelgeplaagde Europese Hof. Het Hof is een instelling van de Raad van Europa en kan geen naleving van zijn uitspraken afdwingen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken prijst het Europese Hof om zijn voorbeeldfunctie. Maar een tweede veroordeling van Nederland op hetzelfde onderwerp zou tonen dat Nederland een uitspraak van het Hof negeert. ‘Nederland wil dat Rusland het Hof serieus neemt’, stelt Lars van Troost van Amnesty Nederland. ‘Dan moet Nederland tonen dat het zelf het Hof ook serieus neemt.’
De weerstand tegen het overnemen van het arrest van het Europese Hof illustreert volgens Van Troost dat Nederland op mensenrechtengebied niet beter of slechter is dan vergelijkbare landen: ‘Nederland schakelt niet een tandje hoger. Zo heeft Den Haag lang aangedrongen op een extra protocol bij het antifolterverdrag in Europa. Vervolgens doet Nederland er lang over voordat het zelf ratificeert.’
Emeritus hoogleraar internationaal recht en voormalig directeur van het VN-bureau voor de mensenrechten Theo van Boven is daar niet verbaasd over: ‘Bij zo’n verdrag is de houding in de Nederlandse politiek altijd: mooi dat het er is, want daar hebben andere landen wat aan. Zelf hebben we het niet nodig, dus ratificatie heeft geen haast. Al bij de eerste Europese verdragen, in de jaren vijftig en zestig, werden de verdragen in de Tweede Kamer besproken als een soort dienstverlening aan het buitenland.’
Van Boven ziet die mentaliteit ook terug in onze perceptie van mensenrechten hier: ‘In onze ogen betreffen ook mensenrechtenschendingen in Nederland altijd anderen in ons midden, zoals asielzoekers en niet-geïntegreerde immigranten. We vinden schendingen wel erg, maar toch betreft het niet direct “ons”. Dat lijkt een nobel uitgangspunt maar is in werkelijkheid een kwalijke tendens als je uitgaat van solidariteit en de universele geldigheid van mensenrechten.’
Nederland is daarin niet slechter dan anderen, vindt ook Van Boven: ‘Alle landen zijn op het punt van mensenrechten erg gevoelig, maar Nederland zegt de discussie opener aan te gaan dan andere landen. Op officieel niveau is dat tot op zekere hoogte waar, maar als je naar de samenleving als geheel kijkt, ligt dat anders. De basishouding is in de laatste jaren slechter geworden. De Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie sprak Nederland daar terecht op aan, maar over de hele breedte genomen is dat vooral ter kennisgeving aangenomen. De grotere vraag is hoe serieus we dergelijke internationale instanties nemen. Veel te weinig, naar mijn smaak: het zijn vaak heel consciëntieuze organisaties met heel goede mensen. Als we geloofwaardig willen zijn in onze mensenrechtendiscussie met andere landen, zullen we wat met hun kritiek moeten doen. En dat gebeurt lang niet altijd.’
………………………………………………………………………………………………………..
Nederland onder vuur
Januari: het Comité ter Preventie van Foltering en Onmenselijke Behandeling (CPT) van de Raad van Europa brengt een rapport uit waarin het zich bezorgd toont over een aantal praktijken in Nederland, met name rond detentie en uitzetting van asielzoekers, de (isolatie-)opsluiting van terrorismeverdachten en de verstoorde verhoudingen in de Bon Futuro-gevangenis in Curaçao. Het CPT geeft tientallen aanbevelingen ter verbetering.
Februari: de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (Ecri), een andere organisatie van de Raad van Europa, concludeert in een rapport over Nederland dat sinds 2000 ‘de toon van het politieke en publieke debat over integratie en andere voor etnische minderheden relevante thema’s op dramatische wijze is verslechterd’. Dat heeft volgens de commissie kwalijke gevolgen gehad: polarisatie tussen de autochtone bevolking en etnische minderheden, een toename van racial profiling door de politie, een ‘significante’ toename van islamofobie, een verharding van het publieke klimaat rond Turken, Marokkanen en Antillianen, een toename van racistisch gemotiveerd geweld en de toename van antisemitisch en racistisch materiaal op internet.
April: als vice-voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad is Nederland aan de beurt voor een ‘periodieke beoordeling’. De 46 andere leden van de raad houden de Nederlandse mensenrechtensituatie kritisch tegen het licht: staatssecretaris Albayrak van Justitie krijgt veel vragen over de inburgeringscursus, zwarte en witte scholen, islamofobie en xenofobie in de samenleving en het asielbeleid.
Mei: mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch publiceert het rapport Netherlands: Discrimination in the Name of Integration. De inburgeringscursus is volgens HRW discriminerend, omdat immigranten uit veel landen die niet hoeven te doen, en bedoeld lijkt om immigranten uit Turkije en Marokko te weren en voor hoge kosten te stellen.
Juni: mensenrechtenorganisatie Amnesty International is in een rapport zeer kritisch over de detentie van asielzoekers en illegaal geïmmigreerden. Nederland sluit jaarlijks zo’n twintigduizend van hen op, stelt Amnesty, hoewel het volgens internationale verdragen een extreem en laatste middel moet zijn. Volgens Amnesty dwingt Nederland illegaal geïmmigreerden steeds meer naar de marges van de samenleving, wordt de strafwet steeds belangrijker in het Nederlandse immigratiebeleid, en ‘creëert het uitblijven van onmiddellijke, volledige en onafhankelijke onderzoeken naar [mishandelingen van immigranten en asielzoekers] omstandigheden waarin misbruik straffeloos kan plaatsvinden’.

Het rapport over Nederland van de Europese Commissie tegen racisme en Intolerantie (ECRI)

Het rapport over Nederland van het Europese Committee ter Preventie van Foltering en Onmenselijke Behandeling (CPT)

Het rapport over Nederland van Amnesty International

Het rapport over Nederland van Human Rights Watch