Onstuimig enthousiast

Waar de meeste gymnasiasten na hun diploma keurig rechten of economie gaan studeren, of tijdens een zoals ze dat in Engeland noemen, ‘gap year’ door Azië en Australië trekken, treedt Roland Warmer in dienst als ambtenaar bij de gemeentelijke reinigingsdienst. Met een voorkeur voor buurten ‘met verkeerde postcodes.’ Per medras ad astra, luidt de ondertitel van het eerste deel van Sana Valiulina’s nieuwe roman, Honderd jaar gezelligheid: ‘via de stront naar de sterren’.

Sana Valiulina, Honderd jaar gezelligheid. € 19,95

Medium sana valiulina 02

Rolands bijdrage aan een betere wereld is er een schonere wereld van te maken - letterlijk. De Oud-Zuid-jongen komt op een vuilniswagen tussen de vlotte Antillianen en Surinamers, die hem belachelijk maken om zijn idealisme. Maar Roland weet zijn missie:
‘Tussen de gulle aarde en de volmaakte hemel bevond zich de verrotte wereld met door kanker weggevreten gelaatstrekken. (…) Die wereld waarin je moest leven stonk niet alleen, zij had geen gezicht meer! Je kon haar niet eens aankijken, die kankerlijer.’
Hij laat de makkelijke meisjes en therapeutische sessies van zijn moeder achter zich en maakt zijn afdaling naar de baggerige krochten van Amsterdam - de uitvoerigheid waarmee die krochten beschreven worden, roept de Tandeloze tijd-cyclus in herinnering, van A.F.Th. van der Heijden.
Valiulina’s vorige roman, Didar en Faroek, haalde de shortlist van de Libris Literatuurprijs. Terecht, het was een opmerkelijk boek; een episch verhaal over de ontberingen onder het stalinisme in de Sovjet-Unie, geschreven in een strakke, zakelijke stijl. Nergens werd het larmoyant, de feiten spraken voor zichzelf. Honderd jaar gezelligheid kent een veel meer uitwaaierende stijl, met lange associatieve zinnen, zeker in de dialogen. Ook dit werkt; je hoort de mensen praten, maar eigenlijk niets zeggen. Aan het woord zijn 'the chattering classes’, zoals cultuurcritici dat noemen, de kakelende klasse, de zogenaamde weldenkende elite die overal een mening over heeft, maar vooral veilig thuis zit.
In het eerste deel lezen we over de familie Rijnders, waar Rolands beste vriend Roderick toe behoort. Na de 'reiki-verbouwing’ van haar huis besluit mevrouw Rijnders ('Just call me Hetty’) een minderjarige asielzoeker uit Congo in huis te halen, Akliku Dereza. De asielzoeker jaagt de rest van het gezin de stuipen op het lijf, wat mevrouw Rijnders ontgaat, hoofdzakelijk omdat ze op voortreffelijke wijze sufgeneukt wordt door Akliku. Het eindigt met een moment van spaarzame daadkracht van vader, die een getuige omkoopt en Akliku op een vliegtuig terug laat zetten. Moeder vliegt hem aan met een briefopener. Valiulina schrijft het héél geestig op.
Maar is dit boek nu echt een portret van de Nederlandse tijdgeest, zoals de achterflap stelt? Aanvankelijk lijkt de roman een aanklacht tegen de Nederlandse hang naar gezelligheid te worden, gezelligheid die als een dekmantel over echte problemen heen wordt gegooid. Maar achterflappen zijn gevaarlijk. Waar het begint met een hardoplachwekkende pastiche van de muizenissen van de hoofdstedelijke welgestelden, krijgt het verhaal gaandeweg steeds surrealistischer trekken. Roland sluit vriendschap met een muis, verandert van naam, verandert zo zeer van uiterlijk dat zijn moeder hem niet meer herkent, gaat met nationalistische jongeren op stap, neemt een psychotische zwerfster in huis - hij omarmt de gorigheid. Maar waarom? De krachten die Roland/Roderick/Adam stuwen komen noch voort uit enige logica, noch zijn zijn daden het gevolg van een persoonlijke nieuwsgierigheid of wereldovertuiging. Nee, de onzichtbare hand achter hem is enkel de literaire drive van zijn bedenkster, die hem zo op een odyssee kan sturen langs mensen en plekken waar hij anders nooit zou komen.
Dat surrealistische geeft de bewegingen zoiets willekeurigs dat het thema 'Oud-Zuid-jongen wordt geconfronteerd met onderklasse’ verzandt. Rolands idealistische missie de wereld te verschonen heeft door dat gebrek aan logica steeds meer weg van een grondige psychose - en zoals al bij Herman Kochs Het diner werd opgemerkt: een zedenschets uit de ogen van iemand met een mentale afwijking heeft iets flauws, het is per definitie onbetrouwbaar, dus telt het niet.
Wat dan wel de boodschap is van Valiulina blijft onduidelijk. De enige onschuldige, zuivere geest is de contactgestoorde zwerfster 'Spillenbeen’ Atka, die als een soort noble savage tussen het vuilnis leeft, zich ermee omringt, ermee speelt. Haar beschermheer, de altruïstische Pool Adam, keek voorbij de demarcatielijn van hygiëne en nam haar in zijn huis. Is dat de kritiek dan? Dat de Hollandse maatschappij een materialistische klassenindeling kent, van degenen die geld en spullen hebben, en degenen die tussen het afval van die hogere klasse leven? Als Adam verdwijnt, neemt Roland zijn functie (en naam) over en op die manier komt hij weer in het reine met zichzelf. 'Maar ooit, wist hij, ging de nacht lichter kleuren in de gloed van de naderende dageraad, tot hij zijn eigen gezicht weer kon zien. Niet in de spiegel, het was nog te vroeg om die op te hangen. Hij had hem ook niet meer nodig, nu hij in de ogen van Atka kon kijken.’
Het is dit soort zinnen waardoor Honderd jaar gezelligheid de lezer niet onbevredigd achter zal laten; dat heeft alles te maken met de humor en het verteltalent van Sana Valiulina die op elke pagina onstuimig enthousiast op je af stormen.

SANA VALIULINA
HONDERD JAAR GEZELLIGHEID
Prometheus, 288 blz., € 19,95

Foto: Bob Bronshoff