Ontbrekend bederf

Is Ondaatjes boek beter, of Minghella’s verfilming? Voor Adriaan Jaeggi leek het vanaf het tweede shot duidelijk: de film. Maar waarom eindigt ‘The English Patient’ zo schoon?
HET LEZEN WAS gepaard gegaan met heel wat verschillende emoties; beginnend met nieuwsgierigheid en verwachting, degene die het me had aangeraden was tenslotte niet de eerste de beste; daarna stak de ergernis de kop op, omdat ik tijdens een vakantie van drie weken niet verder kwam dan bladzij zeven (‘The book lay on her lap. She realized that for more than five minutes she had been looking at the porousness of the paper, the crease at the corner’). De ergernis groeide toen ik bemerkte dat dat niet aan mij lag maar aan de auteur. Een verteltrant met veel herhaling - het kan zijn effect hebben, maar het geeft toch snel het gevoel dat zo'n schrijver je niet voor vol aanziet.

De laatste honderd, honderdvijftig bladzijden ploegde ik daarom voort met een nijdige verbetenheid, die me weliswaar dwong om het boek uit te lezen, maar die er ook voor zorgde dat ik het lezen voortdurend begon te onderbreken voor uitroepen als: ‘Jáhaaa, nou weet ik het wel’ en 'Hallo! Kunnen we even doorlopen daar achter?!’ Met dat eenmaal achter de rug ga je niet heel onbekommerd naar de bioscoop om de gelijknamige film te zien.
De film zou zeker drie uur duren, fluisterde mijn gezelschap gezellig, en toen ging het licht definitief uit en kwam er een vliegtuigje in beeld dat overduidelijk bestond uit een losse cockpit en een stuk vleugel op een statief. De haren van de inzittenden, een stoere piloot met een mooi leren jack en een blonde dame die half in slaap leek, wapperden decoratief in de wind uit de windmachine. Ze 'vlogen’ over de geelzwarte duinen van een woestijn die zo duidelijk op zeildoek getekend was dat je ging denken dat de regisseur het expres knullig bedoeld had.
Bij het volgende shot siste mijn gezelschap van schrik, toen er werd ingezoomd op het gruwelijk verbrande gezicht van de piloot die zojuist nog vrolijk over de woestijn had gevlogen. Ik wilde iets troostends of afleidends fluisteren, iets als: goed werk van die make-up-afdeling, maar terwijl ik dat nog aan het bedenken was zaten we ineens midden in de oorlog in Italië, overal ontploften bommen en landmijnen, en ik zag Juliette Binoche als verpleegster opgewekt door een slingerende spoortrein vol gewonden wankelen en een kus uitdelen aan een gewonde soldaat, en ik besloot dat dat de komende maanden mijn favoriete filmshot aller tijden zou zijn.
HET BLEEK HET eerste van een hele reeks schitterende shots, die overigens niet meer met elkaar gemeen leken te hebben dan het verlangen om nòg mooier, nòg indrukwekkender te zijn dan het shot daarvoor. Ik zakte tevreden onderuit, waardoor mijn benen onwrikbaar klem kwamen te zitten, maar dat deerde me even niet. Ten eerste was ik waarschijnlijk de enige in die hele bioscoop die het boek uitgelezen had en dus wist wat het verband was tussen al die prachtbeelden, en ten tweede was het prettig dat alles zo precies volgens verwachting verliep. De overvloed aan mooie plaatjes was me al voorspeld toen ik had aangekondigd de film te gaan zien, en ook had ik, het boek van Ondaatje in gedachten, niet anders verwacht dan een regisseur die overdonderend zou beginnen, waarschijnlijk met de oorlog.
En ja hoor. Kosten noch moeite gespaard. Waar in het boek de meeste landmijnen onschadelijk worden gemaakt door de mineur Kip, worden ze in de film vrolijk, bij tientallen, tot ontploffing gebracht.
Regisseur Minghella heeft daarnaast de beschikking over een aantal schitterend geboetseerde acteurs en actrices. Hij heeft ze zelfs in zulke grote aantallen dat hij het hele eerste kwart van zijn film nodig heeft om ze allemaal uit te stallen. Juliette Binoche, nog altijd kwetsbaar en ontoegankelijk als in The Unbearable Lightness of Being en Trois couleurs: Bleu loopt glimlachend rond door de Toscaanse natuur, barst warempel een keer of twee in lachen uit en dat staat haar heel goed. Hoofdrolspeler Ralph Fiennes, de Hongaarse graaf Almásy in het verhaal, krijgt alle ruimte voor zijn stoere, mysterieuze uitstraling: er is geen shot waarin hij niet stoer en mysterieus is. En Kristin Scott Thomas, de love interest van Fiennes, tja, daar kan ik alleen maar hele dubieuze macho dingen over zeggen. Laat ik het houden op: een mooie rol.
IN DE PAUZE is iedereen het erover eens: indrukwekkend. Omtrent het verhaal zijn de meesten nog in het ongewisse, maar niemand is van plan om voortijdig naar huis te gaan.
Na de pauze krijgt de film me voor het eerst te pakken. Laat, weliswaar, maar ik merk dat het me begint te raken wat er met de personages zal gebeuren en dat ik niet enkel meer hun exterieur bewonder.
Zo raak ik gefascineerd door het gezelschap vrienden dat om Fiennes en Thomas verzameld is: haar man en de overige leden van een Britse oudheidkundige expeditie. Ik heb een zwak voor dat soort kolonialen, de spreekwoordelijk onverstoorbare bestuurders en ontdekkingsreizigers uit de lang vervlogen tijd dat 'the sun never set on the British Empire.’
We zitten in de woestijn om het kampvuur, op de achtergrond scharrelen inheemse bedienden rond de resten van het avondmaal, op de bodem van ons glas cognac heeft zich een residu van fijn zand afgezet, en dan staat iemand op om een gedicht te citeren of een schuin liedje te zingen, dat glimlachend wordt aangehoord. Buiten de kring van het vuur ruist en fluistert het zand, de aankondiging van een naderende zandstorm. Kortom, als het Minghella’s bedoeling was om de gezelligheid van het kolonialisme in herinnering te roepen, dan is hij daar fantastisch in geslaagd. Zelfs het taalgebruik van de acteurs roept hetzelfde beeld op; de dialogen worden gesproken in de meest uitgelezen Oxford- en Cambridge-accenten. De film heeft daar iets voor op het boek: bij het lezen is niet te horen hoe prachtig gesproken taal kan zijn, zeker dit volmaakte, afgemeten upperclass-Engels, ook gesproken door Stanley, Livingstone, cricket-commentatoren en leden van het Britse koninklijk huis.
DAARNAAST ONTROLT het verhaal in de film zich veel duidelijker en met veel meer vaart dan in het boek. De eindeloze herhalingen van Ondaatjes stijl zijn verdwenen, en de overgangen tussen heden en verleden zijn veel duidelijker. De regisseur heeft daarbij dankbaar gebruik gemaakt van de voorzieningen die de schrijver had getroffen: de kleuren in het Toscaanse kloostertje waar het 'heden’ zich afspeelt zijn plavuisgrijs en kalkwit, met het bleke groen van de planten op de achtergrond, een soort aquarel. De woestijn - het verleden - is geometrisch en scherp afgebakend, bruin, geel en rood in alle tinten. De schrijver had het de filmer niet beter naar de zin kunnen maken.
Het wachten is inmiddels op de grote slotscène, die waarin Almásy zijn geliefde, gewond bij een vliegongeluk, heeft moeten achterlaten in een grot. Hij gaat er alleen op uit voor hulp, maar door een misverstand - niet het sterkste deel van het verhaal - is hij pas in staat om terug te keren als het al veel te laat is. Zijn geliefde is in volstrekte eenzaamheid gestorven.
Op bladzij 171 van het boek staat dan: 'I approached her naked as I would have done in our South Cairo room, wanting to undress her, still wanting to love her. What is terrible in what I did?’ Om daarna te vertellen over de felhomaly, de intimiteit tussen doden en levenden in de schemer van het graf. Het is het beste stuk van het boek.
Maar als Ralph Fiennes de grot binnengaat is Kristin Scott Thomas lichamelijk nog geheel intact. Geen bederf, geen kleren als spinrag. Ze is dood, maar nog altijd prachtig. Hij neemt niet wild bezit van haar, maar draagt haar in zijn armen naar buiten, schreeuwend van wanhoop, en dat is een mooie scène, maar ik geloof het niet meer. De laatste beelden, de tranen van Juliette Binoche en de mineur Kip die op zijn motor wegrijdt door het gouden Toscaanse landschap, zie ik onbewogen aan.
IN HET GEDRANG bij het verlaten van de bioscoop raak ik mijn gezelschap kwijt. Bij de fietsen vinden we elkaar weer. Ik geef geen antwoord als ze vraagt waarom ik zo stil ben, want hoe leg je dat uit dat je op necrofilie had gehoopt en dat je schilderachtige eindes haat?