In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: ontbukking. We gaan steeds meer rechtop leven. Buigingen zijn óf ironisch, óf afgedwongen.

Curtsey, zo schijnt de traditionele kniebuiging te heten die de nieuwe Britse premier May blijkens een krantenfoto voor koningin Elizabeth maakte. De queen gaf haar een hand, maar maakte geen aanstalten haar overeind te trekken, zoals Juliana deed bij een staatsbezoek van koning Bhumibol in 1960. Toen een Thaise hofdame kruipend over de vloer niet alleen ’s konings voeten wilde kussen, maar ook die van onze vorstin, aarzelde die geen seconde. Ze boog zich diep voorover en hees de hofdame aan haar nekvel overeind.

Fysiek nederigheidsbetoon vervult ons Nederlanders met weerzin. Ootmoedigheid en deemoed willen we nog wel pruimen, nederigheid, vooruit. Maar letterlijke zelfvernedering ervaren we als een soort ongewenste intimiteit.

Tegenwoordig, dan. In vroeger tijd zagen we er geen probleem in, als het bijvoorbeeld goed was voor de commercie. Voor de keizer van China moest je je zo diep in het stof buigen dat je hoofd de grond raakte, soms tot negen keer toe. Britse en Russische ambassadeurs weigerden die vernedering, die bekendstond als kowtow, maar de Nederlandse ambassadeur Titsingh deed het wel tijdens zijn bezoek aan de keizer, eind achttiende eeuw.

Bij de Turkse sultan gold weer een ander zelfvernederingsprotocol. Als die het woord richtte tot een onderdaan maakte die een diepe buiging, waarbij hij symbolisch stof opraapte en over zich heen gooide. En was je in Sint-Petersburg op audiëntie geweest bij de tsaar, dan moest je je niet alleen buigend maar ook achteruit lopend verwijderen. Wat een bijna onmenselijk navigatievermogen moet hebben vereist, gezien de enorme afmetingen van de troonzaal.

Ook in het dagelijks leven was de gewone man veroordeeld tot laagbijdegrondse lichaamshoudingen. Op romaanse kerkportalen zijn het helemaal onderaan gebukte mannetjes en vrouwtjes die de hogere regionen van het menselijk bedrijf op hun schouders torsen. En in middeleeuwse getijdenboeken zie je de landlieden bij het plukken en wieden steevast gebukt staan, onderbroeken piepen erbij te voorschijn, terwijl in de kasteeltuin op de achtergrond adellijke dames kaarsrecht rondschrijden.

Nog steeds gaan miljarden mensen grotendeels gebukt door het leven. Nooit zag ik zoveel mensen zich naar de aarde buigen als tijdens een bezoek aan Malawi. Ze stonden zo om hout te sprokkelen, water te putten, het vuur onder de pot met maïspap aan te steken, de was te doen, het land te bewerken – en waarschijnlijk ook om stamhoofd en president te begroeten.

In Noordwest-Spanje kun je de laatste kromgetrokken generatie nog in het veld zien staan, gebukt met hak of sikkel in de hand. Eens zag ik daar een oude boer in de auto plaatsnemen. Er was veel geduld en overleg mee gemoeid; minuten verstreken voordat hij zijn in de vorm van een winkelhaak verstijfde lijf naar binnen had gemanoeuvreerd.

Ook in Oost-Europa staan de mensen nog krom, gebogen over de wijnranken op het achtererf of midden in zo’n eindeloze akker: één of twee minieme figuurtjes, het achterste omhoog, de benen gestrekt en een beetje uit elkaar. Ook buiten het veld stond men hier vaak gebogen: voor koning, keizer en sovjet, nu nog voor de bisschop en de paus.

Lang zal het niet meer duren; de ontbukking is niet tegen te houden. Democratie, welvaart en vooruitgang brengen het ideaal van het socialistisch strijdlied naderbij: de broeders ‘verheffen zich ter vrijheid’ en worden ‘tot mensen opgericht’.

Bij ons is het al zo ver dat buigingen óf ironisch zijn, óf afgedwongen. In het ongunstigste geval doen ze ons denken aan het jappenkamp, in het gunstigste aan het theater, waar een vrolijke kwant een sire van een koning begroet. De ene voet licht vooruit en opzij, een arm zwaait vanaf de hoed als een molenwiek naar beneden en voilà: je ‘zwierige buiging’ is een feit.

Intussen is het nog maar een halve eeuw geleden dat miljoenen Nederlanders zich in de meest nederige houdingen plooiden: in de kerk. Een traditionele mis is een kwestie van zitten en opstaan, knielen, en bij de priesterwijding liggen. Maar de bidstoelen met knielvoorziening zijn verhuisd naar het sacristievertrek, opgestapeld tussen spinnenwebben, stoffige biechtstoelen en andere afgedankte rekwisieten.

Als laatste verliest ook de relatie tussen mens en opperwezen haar verticale karakter. In Spanje zie je de communicanten nog met uitgestoken tong knielen aan de communiebank om de hostie toegediend te krijgen. Nederlandse katholieken blijven rechtop staan en steken in plaats van hun tong hun hand uit.

En de pastoors? Zijgen Spaanse padres bij de consecratie nog op de knieën met hun neus op het altaar, hun Nederlandse collega’s volstaan met een lichte buiging, een snelle knicks of een welwillend knikje.

In het Westen hebben we ons in een proces van eeuwen opgericht: in onze werkzaamheden, in het huishouden, tegenover elkaar, ten opzichte van machthebbers. Ooit zette de mens een beslissende stap in de evolutie door zich letterlijk te verheffen en op twee benen te gaan lopen. Nu rechten zelfs priesters hun rug tegenover God.