Ik ben een rare goser; voor m'n idealen ga ik door roeien en ruiten. Dus scheidde ik, verliet mijn kinderen en gaf mijn baan op. Nu was ik vrij te vertrekken. Ik kocht een wandeluitrusting en prikte een plek, ergens midden in de rimboe. Het geluk, bleek weer eens, is met de dommen. Ik was nog geen drie dagen onderweg of ik stuitte op een totempaal, omkranst door een dozijn schedels.
Half verheugd, half bevreesd vervolgde ik mijn weg, om even later op menselijk leven te stuiten. Wij snuffelden wat aan elkaar om te ontdekken dat wij allemaal een hoofd, een neus, twee armen en twee benen hadden. De inboorlingen waren vriendelijk tegen me, waaruit ik concludeerde dat zij nog nooit een blanke hadden gezien.
Laat ik mijn mond niet voorbijpraten: ontdek zelf uw wilde maar, het is de moeite waard. Want tegen zijn ongekunsteldheid en spontaniteit kan geen Amsterdammer op.