Ontdekking in de hemel

Vijf jaar geleden overleed de Poolse schrijver/reporter Ryszard Kapucinski. Het had zo voor de hand gelegen, maar Harry Mulisch heeft hij nooit ontmoet. Plus een ongepubliceerd verhaal van Kapucinski.

Richard Kapuscinski, Nog een dag, EUR 15,-
Richard Kapuscinski, The Soccer War, 12,95
Richard Kapuscinski, De keizer. Macht en ondergang van Ras Tafari Haile Selassie I, EUR 16,90
Richard Kapuscinski, Shah of Shahs, EUR 12,95
Richard Kapuscinski, Sjah aller Sjahs, EUR 15,-
Richard Kapuscinski, The Shadow of the Sun, EUR 16,50
Richard Kapuscinski, Ebbenhout, EUR 16,50
Richard Kapuscinski, Travels with Herodotus, EUR 15,95
Richard Kapuscinski, Reizen met Herodotus, EUR 15,-

Op 8 januari 2007 kreeg Harry Mulisch een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. Een dag daarvoor vroeg Ryszard Kapuscinski (1932) Mulisch’ assistente bij zijn in het Pools vertaalde boeken. Hij verbleef op dat moment in een Warschaus ziekenhuis in afwachting van een zware operatie.
Mulisch en Kapuscinski kenden elkaar niet persoonlijk. Ze kenden elkaar ongetwijfeld van de lijst met potentiële kandidaten voor de Nobelprijs voor de Literatuur. In 2005 en 2006 werd er nogal gespeculeerd over de toekenning ervan aan Kapuscinski. Dat zou pas een revolutie zijn geweest - een belangrijke erkenning voor het literaire genre dat door Kapuscinski werd bedreven: de literaire reportage. En daar ging het de Poolse schrijver vooral om. Door bijvoorbeeld samen met Gabriel García Márquez in Argentinië, Mexico en Colombia seminars en colleges te verzorgen, trachtte hij de aankomende Spaanstalige schrijvers en journalisten voor deze literaire stijl te interesseren. Kapuscinski, die inmiddels vele nationale en internationale prijzen in ontvangst mocht nemen en diverse eredoctoraten op zijn naam had staan, droomde niet van de Nobelprijs - de drukte en de verplichtingen die ermee gepaard gingen deden hem huiveren. Zijn gezondheid was broos en hij had nog een paar reizen en boeken op zijn agenda staan.
Harry Mulisch, die ook nationale en internationale prijzen mocht ontvangen, wilde wél graag met de Nobelprijs worden geëerd. Hij voorspelde zelfs dat hij die als tachtigjarige zou krijgen in 2007. Het lot wilde blijkbaar anders en Mulisch liet uiteindelijk weten ‘dat het rijtje van schrijvers die hem niet hebben gekregen interessanter is dan dat van de degenen die hem wél hebben gekregen’. (Daar zit wat in: Leo Tolstoj, Henrik Ibsen, Marcel Proust, Emile Zola, James Joyce, Franz Kafka, Virginia Woolf, Joseph Conrad noch Vladimir Nabokov behoorde tot de laureaten.)
Het is bijzonder jammer dat de schrijvers elkaar nooit hebben ontmoet, er waren immers onderwerpen genoeg voor lange gesprekken. Te beginnen met de Cubaanse revolutie en haar legendarische helden Fidel Castro en Ernesto Che Guevara. Mulisch vertrok in de zomer van 1967 voor twee maanden naar Cuba teneinde de revolutionaire sfeer zelf te ervaren en de verworvenheden van de revolutie te aanschouwen. Iets later in dat jaar streek Kapuscinski neer in de hoofdstad van Chili, waar hij door het Poolse persagentschap PAP als correspondent buitenland werd aangesteld. In januari 1968 belandde Mulisch opnieuw op Cuba, deze keer op uitnodiging van de revolutionaire regering. Hij nam actief deel aan het Congres van Cultuur in Havana door zitting te nemen in de Tweede Commissie die zich boog over 'de integrale vorming van de mens’. Zo maakte Mulisch kennis met Castro. Kapuscinski daarentegen ontmoette in maart 1968 Salvador Allende, toen voorzitter van de Chileense senaat. Een maand later stuitte hij in het Chileense tijdschrift Punto Final op Het dagboek van Che Guevara, de Argentijnse arts die Castro bijstond in zijn revolutionaire strijd. Van november 1966 tot oktober 1967 gaf Guevara leiding aan de guerrillabeweging in Bolivia. Gedurende deze periode hield hij een dagboek bij waarin hij tot een dag voor zijn dood aantekeningen zou maken (op 8 oktober 1967 werd hij door Boliviaanse soldaten doodgeschoten).
Kapuscinski begon meteen Guevara’s dagboek in het Pools te vertalen en besloot Guevara’s route in de Boliviaanse bergen vanaf de stad Santa Cruz tot het dorp La Higuera zelf af te leggen. Een deel van het verzamelde materiaal verwerkte hij in de inleiding tot zijn vertaling, die in 1969 werd uitgegeven. De schrijver was voornemens om later een boek aan Che Guevara te wijden, wat niet meer lukte wegens zijn overvolle reportersbestaan.
Terwijl Kapuscinski druk aan het vertalen was, werkte Mulisch in Amsterdam aan zijn boek Het woord bij de daad: Getuigenis van de revolutie op Cuba. Deze ode aan de Cubaanse revolutie verscheen in september 1968. Mulisch koesterde bewondering voor Fidel Castro en Che Guevara. Nog in datzelfde jaar schreef hij samen met Hugo Claus het libretto voor de opera Reconstructie, een eerbetoon aan Che. De voorstellingen vonden in 1969 plaats in het kader van het Holland Festival. Deze moderne opera én Mulisch’ boek ademden anti-imperialisme en anti-amerikanisme. Ze oogstten lof maar stuitten ook op kritiek. Sommigen bleven het Mulisch tot het laatst kwalijk nemen dat hij nooit afstand had genomen van zijn vroegere idolen. In de loop van de tijd veranderde het land van Castro immers van een paradijs op aarde in een verstarde dictatuur. Maar Mulisch voelde er niets voor om zijn toenmalige standpunten publiekelijk af te zweren. Hij keek op de Cubaanse revolutie terug zoals hij dacht aan een aanbeden liefde van vroeger - de warme gevoelens van weleer zijn gebleven. In zijn optiek hadden de tegenstanders van Castro destijds geen gelijk, de doelen van de revolutie waren positief. Dit doet denken aan de reactie van de Poolse paus Johannes Paulus II. Toen deze tijdens zijn bezoek aan Cuba in 1998 door journalisten werd gevraagd naar zijn mening over Che Guevara antwoordde hij: 'Hij staat nu voor Gods Tribunaal en God zal hem berechten. Hij maakte een onjuiste keus, maar zijn intenties waren goed, hij wenste de armen te dienen.’
Kapuscinski bleef in Latijns-Amerika tot 1972. In de uit 1975 daterende bundel Chrystus z karabinem na ramieniu ('Christus met een geweer over zijn schouder’ - niet beschikbaar in Nederlandse vertaling) publiceerde hij enkele reportages over de partizanenbewegingen die hij eind jaren zestig in diverse Latijns-Amerikaanse landen van dichtbij had meegemaakt.
De Tweede Wereldoorlog had ook boeiende gesprekstof kunnen opleveren tussen Kapuscinski en Mulisch. Niet uitgesloten is dat beide schrijvers elkaar al in september 1961 in het centrum van Warschau passeerden of in hetzelfde café vertoefden. Terwijl Kapuscinski aan een reportage voor het weekblad Polityka werkte, was Mulisch in Warschau op doorreis naar Auschwitz. Hij verzamelde materiaal voor artikelen voor Elseviers Weekblad over het proces van de nazi Adolf Eichmann. Mulisch’ persoonlijke verslag van dat proces resulteerde in 1962 in het boek De zaak 40/61: Een reportage. In het hoofdstuk Een overweging in Warschau schreef hij het volgende over Polen: 'Aangevallen, verraden, in de rug gestoken, opgeheven maar nog was Polen niet verloren! In 1943 kwam het getto van Warschau in opstand (…). Een jaar later kwam de gehele bevolking van Warschau in opstand (…), twee maanden later was de rest van de stad vernietigd, tweehonderdvijftigduizend doden lagen tussen de puinhopen, driehonderdvijftigduizend Warschauers werden naar concentratiekampen gebracht.’ Van Kapuscinski had Mulisch de verhalen kunnen horen over de lotgevallen van de familie Kapuscinski tijdens de oorlog (de vlucht voor de Russen in september 1939, deelname aan het verzet, leven in Warschau tijdens en na de oorlog). Hij had Mulisch het in het park Pole Mokotowskie gelegen huisje kunnen laten zien waar zijn familie kort na de oorlog was ingetrokken.
In het najaar van 2001 bezocht Mulisch Warschau voor de tweede keer, nu in verband met de promotie van de Poolse vertaling van zijn roman De procedure. In een interview voor de krant Rzeczpospolita merkte hij naar aanleiding van de recente terroristische aanslagen in New York en Washington het volgende op: 'Ik trek jullie medeleven voor de Amerikaanse slachtoffers niet in twijfel. Maar degenen, die zich de oorlog nog kunnen herinneren, hadden kunnen zeggen: “Wij hebben heel wat meer meegemaakt!” (…) Het is fijn om te beseffen dat Hitler de oorlog niet had gewonnen, dat geeft troost. Zie Warschau vandaag de dag - de stad leeft. Natuurlijk, je kunt volhouden dat alles zijn einde nadert, dat de wereld de instorting nabij is, dat alles uit elkaar valt en degenereert, en dat wat goed is, eindigt meestal slecht. Maar dat wat slecht is, eindigt óók slecht. En dat is dan weer goed!’
Maar ook deze keer kwamen de schrijvers elkaar niet tegen. Jammer, want Kapuscinski was op dat moment in Warschau, hij werkte aan zijn rede die hij in november zou houden na de ontvangst van een eredoctoraat aan de Universiteit van Wrocaw.
Kapuscinski en Mulisch zullen elkaar nooit meer ontmoeten. Geen van beiden werd geëerd met de Nobelprijs voor de literatuur. Tijdens zijn aardse leven kon Mulisch al genieten van zijn hemelse bestaan: in 2006 werd de planetoïde 10251, draaiende om de zon tussen Mars en Jupiter, naar hem genoemd. Kapuscinski daarentegen is vooralsnog de aarde trouw gebleven: je kunt in het park Pole Mokotowskie langs het Kapuscinski-pad een wandeling maken, dezelfde die de schrijver jarenlang elke ochtend zelf maakte.
Inmiddels bestaan er twee Kapuscinski-prijzen: een voor de beste literaire reportage (voor de eerste editie in 2010 werd Ararat van Frank Westerman genomineerd), de andere voor de beste journalistieke productie (pers, radio of tv). De Stichting Kapuscinski Onderzoek- en Educatiecentrum ontplooit gestaag haar activiteiten. Vanaf 2009 worden de Kapuscinski Lectures gerealiseerd, een gezamenlijk project van onder meer de Europese Commissie en de Verenigde Naties. Experts in ontwikkelingsbeleid verzorgen lezingen in de EU-lidstaten; in dat kader hield Jan Pronk vorig jaar een lezing in de London School of Economics en sprak de Noorse kroonprins Haakon Magnus afgelopen december op de Universiteit van Warschau.
Vooralsnog doet Ryszard Kapuscinski op aarde goede zaken. Veel van zijn boeken hebben weinig aan actualiteit verloren. En hij heeft nog een goudmijntje: een eigen fotoarchief van bijna tienduizend negatieven dat ongetwijfeld in de nabije toekomst geordend zal worden.


De auteur is vertaalster van Reizen met Herodotus en De Ander van R. Kapuscinski, uitgegeven bij De Arbeiderspers