Ontdogen

Met een experiment hoopt de overheid een oplossing te vinden voor de manier waarop drugshandel de samenleving ondermijnt. Daar moeten we niet te veel van verwachten.

Een kleine maand geleden las ik in mijn ochtendkrant wat de grootste inkomstenbronnen zijn van het toerisme in Amsterdam. Prominent mee bovenaan: drugs en prostitutie. Het had geen verrassing moeten zijn, maar dan besef je toch ineens dat dit niet normaal is. Want zowel de handel in drugs als de wereld van de prostitutie is sterk vervuild met criminaliteit, tot en met mensenhandel en moord.

Drie jaar geleden kwamen hoogleraar bestuurskunde Pieter Tops en journalist Jan Tromp met het boek De achterkant van Nederland. Daarin beschrijven ze hoe de onderwereld en de bovenwereld met elkaar verweven raken. Brabantse lege schuren die dienst doen als wietplantage, een buurt in Tilburg waar wietteelt dwingend normaal is, burgemeesters en wethouders die worden bedreigd. Daarmee zetten de twee auteurs het onderwerp ondermijning hoger op de politieke agenda. Afgelopen week kwamen Tops en Tromp met een rapport dat focust op de hoofdstad. Met de titel De achterkant van Amsterdam sluiten ze aan bij hun eerdere boek. Ook nu gaat het over de handel in drugs en hoe die de Amsterdamse samenleving ondermijnt.

Want die drugshandelaren, of hun stromannen, kopen met hun drugsgeld panden op, wat de huizenprijzen onder druk zet. Ze verleiden jonge jongens om als drugskoerier te gaan werken, wat aanlokkelijk is omdat er al snel meer geld mee te verdienen is dan met vakkenvullen bij de supermarkt, maar waardoor ze al jong belanden in de harde wereld van de criminaliteit. Voor het afbakenen van hun handel aarzelen ze niet om geweld te gebruiken, met liquidaties. En dan is er nog het gezondheidsrisico voor de gebruikers, want die drugs zijn niet altijd zuivere koffie, soms zelfs pure rotzooi of met een veel te hoog gehalte aan verslavende stoffen.

Al dan niet toevallig werd afgelopen week ook bekendgemaakt welke tien steden in Nederland mee mogen doen met het ‘experiment gesloten coffeeshopketen’. Al in 2015 nam de Tweede Kamer een d66-motie aan waarin om dit experiment wordt gevraagd; het was een aanzet om te proberen een eind te maken aan het bestaande, maar niet uit te leggen Nederlandse gedoogbeleid ten aanzien van softdrugs. Want de verkoop van softdrugs in een coffeeshop is dan weliswaar toegestaan, het telen ervan is strafbaar. Een heuse politieke polderoplossing: uitkomen ergens in het midden tussen legaliseren en verbieden. Het legaliseren van de voordeur zette de criminele achterdeur wijd open.

Je mag hopen dat snuifschaamte de politiek onder druk zet

Dat zo laten, is geen optie meer. Daar is de politiek het nu inmiddels wel over eens. Gedogen heeft averechts gewerkt, ontdogen is wat er moet gebeuren. Maar de vraag is meteen weer hoe en wat dan wel. En dan zijn daar direct ook weer de politieke verschillen. Totaal verbieden? Dan gaat de drugshandel helemaal de illegaliteit in, is daar het steeds terugkerende antwoord op. Legaliseren dan? Dat kan alleen in internationaal verband, te beginnen binnen Europa, en dat gaat voorlopig niet lukken, is daarop steeds weer de repliek.

Aan het experiment dat er nu komt, en waarvoor in 2017 door de Tweede Kamer een wet is aangenomen, gaan Amsterdam en ook de andere drie grote steden niet meedoen. Want voorwaarde is dat alle coffeeshophouders in een deelnemende stad wiet inkopen van telers die onder streng toezicht staan, zowel waar het hun producten betreft als hun persoonlijke achtergrond en die van hun medewerkers. De vier grote steden oordeelden vooraf dat ze niet aan die voorwaarden kunnen voldoen. Een omineus teken. Een van de hamvragen bij het experiment gesloten coffeeshopketen is dan ook of die keten in de gekozen gemeenten niet toch opengebroken wordt.

Hoogleraar Tops was onlangs met een Nederlandse delegatie in Canada om te kijken of de legalisatie van drugs daar heeft geleid tot minder criminaliteit. Dat viel tegen, vooral in Ontario en British Columbia waar volgens Tops een ‘stevige illegale cannabiswereld’ is. Zal het in Nederland, waar die cannabiswereld ook stevig is, dan wel lukken om te voorkomen dat criminele drugshandelaren via stromannen toch een vergunning weten te bemachtigen om te leveren aan coffeeshops in de tien steden? Hoe wordt ervoor gezorgd dat legaal geteelde wiet niet naar het illegale circuit verdwijnt? Of andersom? En hoe wordt bestreden dat in de tien deelnemende steden op straat wiet wordt verkocht tegen zwaar concurrerende prijzen of net over de gemeentegrens? Want zo makkelijk zullen drugscriminelen zich niet van de markt laten verdrijven.

Voormalig hoogleraar huisartsgeneeskunde André Knottnerus, voorzitter van de commissie die de tien steden aanwees, was heel voorzichtig toen hem werd gevraagd naar de effectiviteit van dit experiment. Volgens hem moeten de verwachtingen niet te hooggespannen zijn, niet waar het gaat om de gezondheidseffecten op de gebruikers én niet waar het gaat om het terugdringen van de criminaliteit. Maar daar ging het toch om! Wat is dan wel te verwachten?

In het rapport van de commissie-Knottnerus staat onder het kopje ‘Ambitie’ een zin die je diep doet zuchten: ‘De procesevaluatie van de beoogde introductie van de gesloten keten is op zichzelf (…) al van groot belang voor besluitvorming over het toekomstig cannabisbeleid.’ Alsof de commissie er zelf al niet meer in gelooft. Bovendien zijn we dan zo weer jaren verder. Je mag hopen dat maatschappelijke druk, zo je wilt snuifschaamte, de politiek onder druk zet om voortvarender op te treden. Al hoor ik de stemmen al: gaat toch niet werken! O, nee?