Volkstelling in Amerika

Ontelbare daklozen

In de VS wordt deze maanden de Census, de tienjaarlijkse volkstelling, gehouden. Hoe meer inwoners een stad heeft des te meer geld er komt voor minderheidsvoorzieningen. Hulpverleners in Detroit proberen duizenden daklozen meegeteld te krijgen.

DE RAMEN VAN tientallen gebouwen zijn ingeslagen, koloniale landhuizen zijn dichtgetimmerd en de resten van afgebrande huizen hebben een plek in het landschap veroverd. De zon schijnt fel, het is een prachtige lentedag. In de straten van de verpauperde stad Detroit in het zuidoosten van de staat Michigan, lopen tientallen voornamelijk zwarte Amerikanen in lompen met hun bezittingen in een plastic tasje.

Dominee Ann Johnson wijst naar een muurtje op de hoek van een straat, waarop een gezin met drie kinderen zit. ‘Zij zijn waarschijnlijk ook dakloos.’ Johnson is een zwarte Amerikaanse, eind vijftig en geboren en getogen in Detroit. Als zestienjarige moeder stond ze op straat en vanaf 1982 zet ze zich in voor de daklozen. Ze runt een daklozencentrum voor alleenstaande vrouwen en deelt iedere dag eten uit in haar gaarkeuken in Harper Street.


DIT JAAR wordt in de Verenigde Staten voor de 22ste keer de Census, een volkstelling, gehouden. De afgelopen dagen zijn de vragenformulieren van het Census Bureau, dat de telling namens de overheid uitvoert, bij 120 miljoen huishoudens bezorgd. Traditiegetrouw vult een groot deel — vooral minderheidsgroepen — de formulieren niet in, uit angst dat de gegevens tegen hen worden gebruikt.

In 1970 is in de grondwet vastgelegd dat om de tien jaar alle Amerikanen moeten worden geteld. In eerste instantie werden de uitkomsten van de Census alleen gebruikt om het aantal afgevaardigden van een staat in het Congres te bepalen. Later werden de vragen uitgebreid en werd de Census ook aangewend om andere statistische gegevens vast te stellen. Vandaag de dag zijn de gegevens cruciaal bij de verdeling van overheidsgeld aan onder meer onderwijsinstellingen, gezondheidsdiensten en hulpverleningsinstanties. Ook het bouwen van wegen of winkels is afhankelijk van de volkstelling.

Totdat in 1868 de slavernij werd afgeschaft, telden de slaven slechts voor drievijfde mee.

Al in 1790 werd geconstateerd dat een belangrijk deel van de bevolking lastig te tellen was. Toen gold dat nog voor inwoners in afgelegen gebieden, nu zijn het vooral minderheidsgroepen in grote steden die niet worden ‘gevonden.’ In 1990, bij de laatste telling, is een recordbedrag van 2,6 miljard dollar uitgegeven en nóg zijn ruim vier miljoen burgers niet in de statistieken opgenomen.

Amerikanen houden niet van vragenformulieren van de overheid. Autoriteiten verzekeren dat de informatie van de Census niet zal worden doorgegeven aan de belastinginspectie of de immigratiedienst, maar uit opiniepeilingen blijkt dat de helft van de Amerikanen daar niet in gelooft. Het vragenformulier is over het algemeen kort. Een zesde van de Amerikaanse bevolking heeft een uitgebreidere vragenlijst toegestuurd gekregen met 53 vragen over loon, de waarde van het huis of de afstand tot het werk. Er is grote weerstand tegen deze formulieren en tot nu toe worden ze slechts mondjesmaat teruggestuurd. In Detroit vult gemiddeld de helft van de inwoners geen formulier in.

In een samenleving die gesteld is op privacy en waarbij de overheid met wantrouwen wordt bekeken, lijkt het Census-systeem achterhaald. Volgens demografen zouden schattingen op basis van steekproeven de werkelijkheid dichter benaderen. Bovendien zouden daardoor de kosten — dit jaar ruim zeven miljard dollar — aanzienlijk dalen.

Op basis van de Census-gegevens verloor de staat Michigan in 1990 twee zetels in het Huis van Afgevaardigden. Detroit heeft in 1990 samen met andere grote steden een proces aangespannen tegen het Census Bureau, omdat de gegevens het werkelijke inwoneraantal niet goed weergeven. Men wilde dat de uitkomsten van de volkstelling zouden worden aangepast aan later gehouden steekproeven. Het Hooggerechtshof oordeelde vorig jaar dat de grondwet geen aanpassingen vereiste. Tot vreugde van de republikeinen, die zich hadden verzet tegen de plannen om steekproefsgewijs te werk te gaan.

De illegale immigranten en leden uit de arme onderklasse die hun formulieren meestal niet invullen, zijn geneigd op democraten te stemmen. Met name de democraten zouden dan ook belang hebben bij een steekproefsgewijze telling.

We rijden door de achterbuurten van Detroit. Twee uur lang bevinden we ons in troosteloze straten waar het beeld bepaald wordt door crackdealers, prostituees en daklozen. Johnson wijst een gebied aan waar we niet kunnen komen omdat het ‘eigendom’ is van een bende. ‘Niemand stelt hier vragen. Een Census-medewerker is hier niet veilig. Stel dat een bendelid twee dagen na het invullen van een vragenformulier van de overheid door de politie wordt aangehouden. Naar wie denk je dan dat ze op zoek gaan?’


‘HOE MEER INWONERS, des te meer macht’, zegt Kim Hunter, woordvoerder van het Census Bureau in Detroit. ‘Een niet-geteld persoon betekent voor de stad een verlies van drieduizend dollar, gemeten over tien jaar.’ Maar het draait niet alleen om geld. Detroit kan de status van tiende stad in de Verenigde Staten verliezen als het onder de miljoen inwoners duikt. ‘Inwoners halen een hoop waardigheid uit het feit dat ze bij de grootste steden horen. Bovendien wordt de toptien vaak als ijkpunt genomen. Salarissen in een toptien-stad zijn hoger en buitenlandse bands bezoeken vaak alleen de tien grootste steden’, aldus Hunter.

In de jaren vijftig telde Detroit bijna 2,5 miljoen inwoners. De stad is groot geworden door de auto-industrie (Ford, Chrysler en General Motors). Eind jaren zestig leidden de werkloosheid in de auto-industrie en de grote onvrede bij de zwarte Amerikaanse bevolking tot een uitbarsting van geweld. Tijdens de rellen kwamen 43 mensen om het leven en werden duizenden huizen en winkels geplunderd en platgebrand. In de jaren erna trok blank Detroit massaal naar de buitenwijken. Wolkenkrabbers, fabrieksterreinen, warenhuizen en zelfs het station zijn gesloten en verlaten. Johnson: ‘Daarna waren buurtgemeenschappen in de ban van drugs. Veel verslaafden belandden uiteindelijk op straat.’

Dertig jaar later lijkt een groot deel van het centrum van Detroit nog steeds op een spookstad. Vic Doucette is redacteur van de Metro Times, de alternatieve krant van Detroit. Volgens hem is Detroit een van de armste steden van de Verenigde Staten. ‘De stad heeft nog dezelfde oppervlakte, maar meer dan 1,5 miljoen mensen zijn weggetrokken’, zegt Doucette. ‘Detroit lijkt net een gebombardeerde derdewereldstad. Er wordt niets opgeknapt, want met de uittocht is ook het geld uit de stad verdwenen. Er zijn domweg niet genoeg mensen meer die belasting betalen.’ In 1990 was 87,6 procent van de bevolking zwart, een van de hoogste percentages in de Verenigde Staten. Zeker een derde leeft onder de armoedegrens. Ironisch is dat Oakland County, een verzameling deelgemeenten die aan Detroit grenst, op de vierde plaats staat van rijkste gemeenschappen in de Verenigde Staten.


NIEMAND WEET precies hoeveel mensen er in Detroit op straat leven. Er worden getallen genoemd van vijf- tot dertienduizend, maar het kunnen er gemakkelijk meer zijn.

Toen in 1990 slechts dertienhonderd daklozen werden geteld, barstte onder hulpverleners een storm van kritiek los. De Census-medewerkers waren niet in de leegstaande gebouwen geweest of in de parken waar daklozen zich ophouden. Alleen in de daklozencentra was geteld. Dominee Johnson kent het belang van een accurate telling. In 1990 ging ze zelf een nacht de straat op om ‘haar’ mensen te tellen. ‘Het was koud en donker die nacht. Veel verlaten gebouwen stonden nog overeind. In een appartement op Chalmer Street vonden we 54 daklozen op één verdieping.’

Dit jaar verliep de telling onder daklozen beter. Drie dagen lang waren Census-medewerkers te vinden in daklozencentra, gaarkeukens, parken en verlaten gebouwen. Het Census Bureau lijkt kosten noch moeite gespaard te hebben. Veel geld is gestoken in advertentiecampagnes (167 miljoen dollar). Op ballonnen, T-shirts en petjes staat Fill me out, mail me in.

De meeste advertentiecampagnes bereiken de daklozen echter nauwelijks. Nate Shapiro lukt dat wel. Shapiro is een tachtigjarige oorlogsveteraan die in de Tweede Wereldoorlog in Maastricht heeft gevochten. Hij toont nog kwiek. De afgelopen maand heeft hij elke ochtend ontbijtpakketten uitgedeeld op Hart Plaza. Dit plein ligt downtown en grenst aan het meest imposante gebouw van Detroit, het Renaissance Center, waar General Motors zijn hoofdkantoor heeft. Shapiro geeft de mensen in de straat te eten en probeert ondertussen een deel van het wantrouwen weg te nemen. Een dakloze die zich voorstelt als John Doe: ‘In 1990 zei ik “Fuck the Census”. Ik dacht dat ze te veel wilden weten. Vanwege meneer Shapiro heb ik dit jaar wel een formulier ingevuld.’

Woon je hier? Wat is je naam? Je leeftijd? En je ras? De daklozen hoeven de Census-medewerkers op Hart Plaza weinig meer dan deze vier vragen te beantwoorden. De meesten die rond het plein leven, kennen de betekenis van de volkstelling. ‘Als we niets invullen, verliezen we het geld voor mijn eten’, zegt Paul Costner. Hij noemt Hart Plaza Paul’s Plaza en vertelt dat hij er al negen zomers rondhangt. Zijn lichaam is verminkt door een brand, waarbij hij volgens eigen zeggen zijn huis en een deel van zijn gezin verloor. Costner: ‘Ik ben niet bang voor de overheid, ik heb niets te verbergen of te verliezen.’ Een netgeklede man wil zijn naam niet zeggen. Het is volgens hem niet gemakkelijk om als dakloze een huis of een baan te bemachtigen. Verhuurders willen het vorige woonadres weten en horen niet graag dat dat een daklozencentrum is. ‘Ik ken vele daklozen die bang zijn om hier naartoe te komen, omdat ze nog arrestatiebevelen hebben lopen. Ze vullen echt geen formulier in.’


DE GAARKEUKEN van dominee Johnson vult zich langzaam met voornamelijk vrouwen en kinderen. Bijna iedereen heeft eerst aan een tafeltje bij de ingang een aantal vragen van een Census-medewerker beantwoord. De 21-jarige Sarah eet samen met haar zoontje van nog geen jaar. Ze hoopt dat ze terug naar huis kan als haar aan crack verslaafde vriend, de vader van haar kind, is afgekickt. ‘Ik weet alleen dat ik een formulier moest invullen. Waarom weet ik eigenlijk niet.’ Johnson lacht: ‘Ik heb gedreigd: als je niets zegt, krijg je ook geen eten.’ Haar gaarkeuken ligt aan Harper Street, een brede straat met vervallen winkels en huizen. Een enkeling loopt op straat. Naast de gaarkeuken bevindt zich een klein evangelisch kerkje met een enorm getralied hekwerk ervoor. Het is de kerk waar Johnson haar mensen toespreekt. ‘Het voelt alsof niemand om deze mensen geeft, maar ze tellen wel degelijk’, zegt Johnson. ‘Als we niet iedereen geteld krijgen, lopen we aanzienlijke subsidies mis voor de daklozencentra. Ik voel het als een verplichting jegens de daklozen om iedereen op papier te krijgen.’

Hoogtepunt van Johnsons gevecht om getallen was een optreden van ongeveer zeventig daklozen in de Revival Tabernacle, een kerk in de Mount Elliotstraat. Het optreden was bedoeld om donaties te verkrijgen en het belang van de Census voor deze groep nog eens te benadrukken. Ook hulpverleners van andere daklozencentra waren er. ‘We laten onze gewonden nooit achter’, roept de militair Tyrone Chatman, directeur van het Veterans Center. ‘He has done Marvelous Things’, zingen de daklozen. Christine McCord, 37 jaar en moeder van vier kinderen, is een van de zangeressen. Ze woont in het Eastside Emergency Center, het daklozencentrum van Johnson. Ze hoopt dat het een tijdelijk adres zal zijn. McCord: ‘Ik ben blij dat ik meetel, maar ik heb liever een dak boven mijn hoofd. Kun jij me daaraan helpen?’


HET ZAL NIET lukken om iedereen zover te krijgen een formulier in te vullen. Om het beeld compleet te krijgen wil het Census Bureau de komende weken een half miljoen volkstellers langs sturen bij adressen die niet hebben gereageerd. Johnson houdt haar hart vast. ‘Veel van “mijn” jongens zijn geestelijk ziek en wantrouwen iedereen. Om Zuidwest Detroit in te gaan, moet je weten welke gangs de buurt beheersen.’ Samen met het Census Bureau probeert Johnson nu een aantal zogenoemde ‘gatekeepers’ bij elkaar te krijgen, personen die bekend zijn in de buurt en toegang hebben tot de door gangs gecontroleerde gebieden.

Johnson laat Chandler’s Park zien. In tientallen auto’s worden drugs verhandeld. Vervolgens rijden we over de Grand Boulevard, waar in de vervallen landhuizen psychiatrische patiënten hun intrek hebben genomen. ‘Dit was vroeger de sjiekste straat van Detroit.’ Downtown staat het nieuwe stadion van honkbalploeg de Tigers, dat deze week wordt geopend. Een schril contrast met de bouwput ernaast. Daar pronkte eens warenhuis Hudson’s dat na vijftien jaar leegstand vorig jaar werd afgebroken.

Toch is Johnson trots op haar stad. Aan de linkerkant van het stadion staat een afgebrand pand, maar belangrijker zijn volgens haar de vijf nieuw gebouwde huizen aan de rechterkant. Nadat eerst bijna elke nacht de bouwmaterialen werden gestolen, kunnen de woningen deze week worden betrokken. Johnson: ‘Soms is het moeilijk om te geloven wat er allemaal is gebeurd. Ik ben een klein beetje doodgegaan, maar ik zie de stad langzaam terugkomen.’