Ontembaar

De stank van onwetendheid en wraaklust van Salman Rushdie’s vervolgers slaat je in Joseph Anton: Een memoir tegemoet. Een wonder dat de schrijver door die fatwa-jaren geen volslagen cynicus is geworden. Door Aart BrouwerDe stank van de gemakzucht, onwetendheid en wraaklust van Salman Rushdie’s vervolgers slaat je in Joseph Anton: A Memoir tegemoet. Het is een wonder dat de schrijver door die fatwa-jaren geen volslagen cynicus is geworden.

‘Hoe voelt het om door ayatollah Khomeini ter dood veroordeeld te zijn?’ vroeg de bbc-verslaggeefster door de telefoon. Het was Valentijnsdag 1989, een zonnige dinsdag in februari, en Salman Rushdie zat als gewoonlijk in zijn Londense werk­kamer. Zijn grootste zorg tot dat moment was de vraag of – en zo ja, hoe – hij zijn vastgelopen huwelijk met de Amerikaanse schrijfster Marianne Wiggins weer vlot moest trekken.

De term ‘fatwa’ zei hem niets. De gedachte dat hij zou moeten onderduiken vanwege zijn laatste boek zou al helemaal niet bij hem zijn opgekomen; zulke absurde bijwerkingen van de internationale publiciteit kende hij alleen uit de tweede of derde hand. Hij had met Midnight’s Children en Shame prestigieuze prijzen gewonnen, maar bij een groter publiek was hij hooguit anoniem bekend dankzij de slogan ‘irresistibubble!’ die hij ooit als reclameman had bedacht voor een reepje chocola met luchtbelletjes erin. En nu dit.

‘Het voelt niet goed’, wist hij uit te brengen. Maar bij zichzelf dacht hij: ik ben zo goed als dood. Hij sloot de luiken van zijn benedenverdieping, deed de voordeur op slot, ging verdwaasd in de woonkamer zitten. Pas toen Wiggins vroeg: ‘Wat gaan we nu doen?’ ademde hij vrijer. Dat ’we’ was het eerste gebaar van solidariteit. Maar het deed hem beseffen hoe weerloos hij opeens was, hoe afhankelijk van de morele steun, de praktische hulp en ja, de moed van anderen als hij in leven wilde blijven, al helemaal als hij een leven wilde dat nog enigszins de moeite waard was om geleefd te worden.

Het leek wel of zijn eigen rijke fantasiewereld tegen hem in opstand was gekomen. Uit alle hoeken en gaten doken ze op, de schuimbekkende sjeiks en moellahs, rechtstreeks weggelopen uit de wereld van olielampen en vliegende tapijten om hun gram te spuien over zijn boek, over de moderniteit, over de voortgang van de geschiedenis zelf, zo leek het wel. Opeens werd zijn beeltenis door de straten van Teheran, Karachi en Londen gedragen, opgehangen aan een strop, met zijn tong uit zijn mond en een bord om zijn nek met een onleesbare maar ongetwijfeld toepasselijke slogan erop. En gekleed in een smoking met vlinderdasje. Hij had het zelf kunnen verzinnen, het moet gezegd.

Het schrijven van De duivelsverzen was een krachttoer geweest. Rushdie was aanvankelijk uitgeput maar buitengewoon tevreden. En terecht: het boek was een briljant amalgaam van fantasie en geleefde werkelijkheid, van mythologie en actualiteit, van culturen, tijdperken en politieke episodes waarin Oost en West – ‘the twain’ – elkaar eindelijk geloofwaardig ontmoetten. ‘Het is nog beter dan Midnight’s Children’, had Angela Carter in The Guardian geoordeeld, ‘omdat het ingehoudener is, maar dan in de zin zoals de Niagara-waterval ingehouden is.’ Het boek stond al op de shortlist voor de Booker Prize, maar het kostte hem uiteindelijk tien jaar van zijn leven waarin hij heen en weer geslingerd werd tussen twijfel, trots, deemoed en woede. Hij doet er nauwkeurig verslag van in Een memoir, quasi geschreven door Joseph Anton, de naar zijn favoriete schrijvers Conrad en Tsjechov verwijzende schuilnaam die hij tijdens zijn onderduikperiode aannam.

Eenmaal eerder was zijn leven grondig verstoord. Dat was begin jaren zestig toen zijn vader, een welgestelde zakenman, hem van zijn geboortestad Bombay meenam naar Groot-­Brittannië en hem onderbracht op Rugby School in Warwickshire, een van de oudste Britse kostscholen. In De duivelsverzen beschrijft hij die schok door de ogen van zijn personages Djibriel Farishta en Saladin Chamcha. De twee Indiase acteurs maken een vrije val door de wolken nadat hun vliegtuig op weg naar Londen in volle vlucht door Sikh-terroristen is opgeblazen. Ze belanden miraculeus op het zachte Engelse strand en overleven, maar in nieuwe gedaanten die hen beiden noodlottig zullen worden. Het boek gaat over migratie, over de bewuste of ongewilde metamorfosen van mensen die de ene cultuur voor de andere verruilen en over de duivelse krachten die zo’n verandering soms teweegbrengt.

De ‘affaire’ was Rushdie’s tweede vrije val, ditmaal echt door terroristen veroorzaakt. Wederom landde hij uiteindelijk zacht op Engels grondgebied, vooral dankzij wijlen Robin Cook, de minister van Buitenlandse Zaken die in hart en nieren intellectueel, Schot en sociaal-­democraat (in die volgorde) was en die er in 1999 met veel moeite in slaagde Teheran de fatwa te laten intrekken. En ook Rushdie overleefde lichamelijk en geestelijk. Maar de deur achter zich dichtslaan en opnieuw beginnen zoals hij in 1999 had gewild, kon hij toch niet. Hij was getransformeerd door tien jaar innerlijke ballingschap. De gevolgen waren ingrijpend en intiem geweest, ook al draaide de hele zaak uiteindelijk niet om hem.

Rushdie doorzag vanaf het begin dat de commotie niet door zijn boek was veroorzaakt. De demonstranten die een exemplaar ervan verbrandden in Bradford, het stadje in Yorkshire waar veel moslims wonen, waren niet boos. Ze ‘acteerden boosheid voor de camera’, noteerde hij. Ze reageerden god-weet-welke particuliere frustraties af, maar ze genoten bovenal van hun moment voor het oog van de wereld. ‘Mensen die beledigd wilden worden, zouden het toch wel zijn. Wie in vuur en vlam wil raken, had toch wel ergens een vonk gevonden.’ Kortom, hij leerde al snel zijn woede te doseren. Aan zulke demonstraties was die niet besteed.

Wel aan schrijvers en columnisten die hem vanaf het begin van de rel aanvielen op zijn boek, zijn persoon en zijn bedoelingen. Of misschien is ‘afvallen’ een beter woord, hoewel het effect hetzelfde was. Het is natuurlijk een illusie te denken dat het schrijversgilde een steviger ruggengraat en meer besef van solidariteit, maatschappelijke verantwoordelijkheid of het belang van vrije meningsuiting zou hebben dan andere beroepsgroepen. Het zou niemand moeten verbazen dat schrijvers als ieder ander kunnen toegeven aan broodnijd, leedvermaak of angst voor hun hachje. Joseph Antons relaas wemelt van de voorbeelden. En toch staat je verstand iedere keer weer even stil.

De duivelsverzen was nog niet uit of de deken van de Indiase schrijversbond, Khushwant Singh, schreef in een weekblad dat het maar beter kon worden verboden om godsdienstrellen te voorkomen. De Britse schrijver Mark Lawson schreef in dagblad The Independent dat Rushdie volgens een oud-jaargenoot op Cambridge een ‘opgeblazen’ mannetje was dat zich op zijn kostschoolverleden liet voorstaan. Hij was ondraaglijk arrogant; het beste bewijs was dat hij een keer een taxi van Lawson had ingepikt. ‘Rushdie is niet bepaald beminnelijk’, tekende columnist Bryan Appleyard in The Sunday Times op, zogenaamd uit de mond van een ‘goede vriend’ van de schrijver: ‘Hij is een kolossale egoïst.’

Germaine Greer, John le Carré, Roald Dahl – de halve klasse van Britse literati volgde in hun voetspoor. Rushdie neemt soms subtiel, soms minder verfijnd wraak, bijvoorbeeld door Dahl in heel ander verband te beschrijven als een ‘lange, onaangename man met enorme wurgers­handen’. De eerste maanden na verschijning was De duivelsverzen nog zuiver op zijn literaire merites beoordeeld, maar door hun toedoen werd het beschaafde literaire gesprek overstemd door een kakofonie van politieke, religieuze, sociologische en postkoloniale standpunten en vooroordelen. Het vreemdst van alles was dat ze het vaak over een heel ander boek hadden dan het zijne. Als vrienden of hulpvaardige buitenstaanders vroegen wat ze voor hem konden doen, antwoordde hij dan ook steevast: ‘Verdedig de tekst.’

Het ging in zijn ‘affaire’ niet enkel om de vrijheid van meningsuiting, ook de literatuur zelf was in het geding. Niet alleen zijn vrijheid, ook zijn boek was hem afgenomen. Hij had niet geschreven dat de vrouwen van de profeet hoeren waren, zoals hem werd verweten – enkel dat hoeren in het tijdperk van jahilia (de tijd van ‘verwarring’, voorafgaand aan de opmars van de islam) zich met hun namen tooiden om hun klanten te prikkelen. Hij had niet geschreven dat de volgelingen van de profeet ‘tuig en uitvreters’ waren, enkel dat zij zo werden aangeduid door hun vervolgers. Maar Rushdie’s eigen vervolgers, zo ontdekte hij gaandeweg, konden niet lezen, wilden niet lezen, wilden niet weten hoe je bepaalde passages moet duiden in de complexe context van de wordingsgeschiedenis van de islam. De stank van hun gemakzucht, onwetendheid en wraaklust slaat je op menige pagina tegemoet.

Het is een wonder dat Rushdie tijdens die duizelingwekkende val door de wolken van publieke onwetendheid geen volslagen cynicus is geworden. Dat is vooral te danken aan zijn familie en vrienden. Omdat hij een _level two-_risico was (alleen de koningin was beter beveiligd) en in een gepantserde auto tussen steeds wisselende verblijfplaatsen heen en weer werd gereden, moest hij zijn bekenden noodgedwongen verdelen in een publiek en een privé-kamp. Het publieke kamp bestond uit zijn verdedigers in de openbaarheid. Het particuliere kamp bestond uit mensen die hij emotioneel nodig had en wier bestaan hij niet aan de openbaarheid kon prijsgeven omdat hij hen anders nooit zou kunnen bezoeken zonder hen in levens­gevaar te brengen.

Het moeilijkst viel hem die scheiding bij zijn zuster Sameen, een militante advocate in ­Londen die een fantastische woordvoerder zou zijn geweest. Zij zag onmiddellijk waar de achilleshiel van zijn Britse tegenstanders zat: het waren religieuze leiders die wanhopig om volgelingen verlegen zaten. Ze gebruikten de ophef rond zijn boek om de moslimmigranten los te weken van hun (doorgaans linkse) politieke organisaties en terug te dringen in hun islamitische ‘identiteit’.

Maar Sameen was juist door haar zuivere ­oordeel te belangrijk voor hem. Dat gold ook voor zijn ex-vrouw Clarissa, hun jonge zoon Zafar en enkele vrienden. Degenen die zijn beste ­voorsprekers hadden kunnen zijn, ­moesten over hem zwijgen. Ook zijn gekoesterde relatie met India werd erdoor verstoord, ­gesymboliseerd door de weigering om hem in 1997 toe te laten bij de vijftigste viering van Independence Day op het Indiase consulaat in Manhattan.

Rushdie ‘verdween naar de voorpagina’s’ zoals zijn vriend Martin Amis het uitdrukte. Jarenlang was hij ‘die man van dat boek’ – en ook nog eens van een boek dat hij niet had geschreven. Hij was bijna rijp om te capituleren toen zijn goedbedoelende bewakers – mannen die vrijwillig hun leven voor hem riskeerden – hem een voorgekookte excuusbrief aan alle moslims wilden laten tekenen die ‘van hogerhand’ was goedgekeurd. Kon hij niet even zijn krabbel zetten om de situatie rond de toenmalige Britse gijzelaars in Libanon te helpen ‘afkoelen’? Rushdie werd lijfelijk ziek van het dilemma. Hij herschreef de brief in die zin dat hij zich niet verontschuldigde voor zijn boek, enkel voor de ophef die het had veroorzaakt. Dat ging zijn aanklagers natuurlijk niet ver genoeg, maar voor hem ging het eigenlijk al te ver. Dat hij ondanks alles zijn fatwa-jaren glansrijk heeft doorstaan, blijkt uit dit boek. De dolle derwisjen hebben hem niet gek gemaakt, zijn ‘affaire’ heeft hem niet opgeslokt. Hij schrijft onbevangen over zijn jeugd, over zijn gedreven maar doodongelukkige vader, zijn jaren in Cambridge, zijn liefdes, zijn triomfen en verliezen, zijn verdriet. Een memoir heeft een prachtig ritme door de natuurlijke afwisseling van terug- en vooruitblik en bevat wondermooie passages over het wankele evenwicht in zijn mislukte huwelijk of over de verzoening met zijn vader, vlak voor diens dood, in Karachi. Het boek is grotendeels in de derde persoon geschreven. Zo kan Rushdie afstand van zijn onmiddellijke ervaring nemen en zichzelf als personage in een Rushdie-roman opvoeren. Hij was gedurende die tien jaar zichzelf niet, hij was Joseph Anton – al schrijvende wordt hij pas weer zichzelf. Het resultaat is een monument voor de ontembare kracht van de literatuur.


Salman Rushdie, Joseph Anton: Een memoir. Vertaald uit het Engels door Martine Vosmaer, Els van der Pluijm en Karina van Santen, Atlas Contact, 672 blz., € 24,95