Onterechte bankvergunning

Het oordeel van de commissie-Scheltema liegt er niet om. De bank van Dick Scheringa, DSB, had nooit een officiële bank mogen worden. De Nederlandsche Bank, DNB, had in 2005 geen bankvergunning moeten verlenen. Minister Jan Kees de Jager van Financiën nam deze conclusie van de commissie-Scheltema afgelopen dinsdag direct over en voegde daar voor de duidelijkheid aan toe dat dit geen oordeel is met de kennis van nu, ontstaan door nieuwe inzichten: ook met de kennis van toen had de bankvergunning vijf jaar geleden geweigerd moeten worden.

Het harde oordeel over DNB was daarmee nog niet op. De commissie-Scheltema vindt ook dat de toezichthouder toen DSB eenmaal als officiële bank opereerde onvoldoende zijn tanden liet zien toen er maatregelen genomen hadden moeten worden. Te lang is door DNB geprobeerd met kracht van argumenten DSB tot verandering te bewegen. Toen de toezichthouder uiteindelijk in de zomer van 2009 wilde ingrijpen, was Pieter Lakeman hem voor met zijn oproep aan DSB-klanten om hun geld weg te halen, en ging DSB failliet.

Eerdere uitlatingen van de directeur van De Nederlandsche Bank, Nout Wellink, dat hij onvoldoende instrumenten zou hebben gehad, verwees commissievoorzitter Michiel Scheltema naar het land der fabelen. Volgens hem had de toezichthouder bijvoorbeeld een stille curator kunnen aanstellen, zoals in 2007 ook is overwogen, of aanwijzingen kunnen geven voor de samenstelling van het bestuur.

Het probleem dat dit onrust had kunnen veroorzaken onder klanten en had kunnen leiden tot een zogenoemde bankrun doet denken aan het debacle met de IJslandse bank Icesave in 2008. Ook toen greep De Nederlandsche Bank om die reden niet tijdig in. In de broodnodige cultuuromslag bij de toezichthouder die minister De Jager dinsdag direct aankondigde, zal dit dilemma daarom indringend aan de orde moeten komen. Een spaarder moet erop kunnen vertrouwen dat DNB zijn werk doet en niet alleen blijft praten als er ingegrepen moet worden. Dat De Jager toch onmiddellijk zijn vertrouwen in de toezichthouder uitsprak, was echter weer kenmerkend voor de oude cultuur.

Een ander samengesteld bestuur bij DSB had volgens de commissie-Scheltema al een voorwaarde moeten zijn voordat de bank een bankvergunning kreeg. Doordat dit niet gebeurde kon Scheringa het bestuur en de raad van commissarissen van DSB zelf benoemen en ontslaan, waardoor er - zoals de commissie dat uitdrukt - een machtsevenwicht ontbrak. Anders gezegd: Scheringa kon iedereen in de directie en de raad van commissarissen die hem onwelgevallige kritiek had de laan uit sturen.

Dat die kritiek er had moeten zijn vanuit de directie en de commissarissen blijkt uit het eveneens harde oordeel van de commissie-Scheltema over DSB zelf. Het geld werd verdiend zonder dat voldoende rekening werd gehouden met de belangen van de klant, de gevolgen van de kredietcrisis werden op onverantwoorde wijze opgevangen door te leunen op spaargelden en de risico’s van de oplopende tekorten bij Scheringa’s speeltjes zoals voetbalclub AZ en zijn museum werden eveneens op onverantwoorde wijze gelegd bij de bank, dus wederom bij de spaartegoeden van de gewone klanten.

Dat is indirect ook een oordeel over het werk van bestuurders en commissarissen van DSB, zoals de oud-VVD-politici Ed Nijpels, Robin Linschoten en Gerrit Zalm. Maar conclusies over personen wilde de commissie-Scheltema niet trekken. Omdat dit niet binnen de onderzoeksopdracht viel!