Na de coronacrash

Ontgroeien doet bloeien

De Covid-19-pandemie legt de kwetsbaarheden van het geglobaliseerde kapitalisme genadeloos bloot. Nu de volksgezondheid in het geding is, blijkt economische groei toch niet heilig. Kan er een duurzamere economie tevoorschijn komen uit deze recessie?

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

Hoe zal de wereldeconomie eruitzien na de coronacrash? Misschien is het te vroeg om de vraag te stellen, nu regeringsleiders vrijwel dagelijks nieuwe noodmaatregelen treffen om de volksgezondheid te beschermen en de economische schade te beperken – al lijkt er voorlopig voor geen van beide een krachtig medicijn voorhanden. Terwijl ziekenhuizen overspoeld raken, duiken de beurzen in het rood. In de hectiek van het crisismanagement worden alle financiële spelregels opgeschort. Wat tot voor kort onvoorstelbaar leek, is nu opeens de realiteit. Zelfs de tegeltjeswijsheid dat het makkelijker is om het einde van de wereld in te beelden dan het einde van het kapitalisme, lijkt aan herziening toe.

Een tijdje terug maakte ik een rondgang langs een aantal economen die hun vakgebied proberen te verbinden met de ecologie. Allemaal waren ze kritisch op onze groei-obsessie: we staren ons blind op het bruto binnenlands product (bbp) zonder oog te hebben voor de kosten voor milieu en klimaat. Ik had de indruk dat hun geluid steeds bredere weerklank vond. De oeso publiceerde vorig jaar een rapport met de titel Beyond Growth; Nieuw-Zeeland, Schotland en IJsland hanteren sinds kort een breder welvaartsbegrip; op het laatste World Economic Forum in Davos vroeg Deutsche Bank zich in een lezingenreeks hardop af of groei een ‘illusie’ is. Tekende zich hier een paradigmaverschuiving af?

In de interviews fantaseerden mijn gesprekspartners over een economie waarin groei niet langer het summum bonum is. Een economie waarin ecosystemen niet worden beschouwd als externaliteiten, maar als het fundament van ons bestaan. Een samenleving waarin mensen niet alleen materiële welvaart najagen, maar hun welzijn op andere manieren vergroten. Een toekomst waarin we minder vliegen, lokaler produceren, bewuster consumeren, waarin de 40-urige werkweek verleden tijd is, niemand in armoede hoeft te leven en verplegers, onderwijzers en schoonmakers de waardering krijgen die ze verdienen. Of zoals Herman Daly, de 81-jarige geestesvader van de steady state economy het verwoordde: ‘We hebben behoefte aan een economie die simpeler, socialer, trager en kleinschaliger is.’

Het klonk aantrekkelijk, zij het behoorlijk onrealistisch.

Wie had kunnen bevroeden dat luttele weken later luchtvaartmaatschappijen om staatssteun zouden vragen, hele productieketens tot stilstand zouden komen en mensen vanaf hun balkons zouden applaudisseren voor al die helden in de zorg? Nu de volksgezondheid in het geding is blijkt economische groei toch niet heilig. Er zijn belangrijkere zaken in het leven dan het bbp. Waar sommige naar huis gestuurde managers of pr-functionarissen zich deze dagen wellicht stilletjes afvragen of hun baan bullshit is, kregen vuilnisophalers, leraren en hulpverleners de officiële bevestiging van wat zijzelf allang wisten: hun werk is cruciaal om de samenleving draaiende te houden.

Natuurlijk lijkt het leven in lockdown in weinig op de idyllische maatschappij die de postgroei-economen schetsten. Als de recente schok iets laat zien, dan is het wel hoeveel angst het woord ‘recessie’ ons inboezemt. En met goede reden: niemand zit te wachten op een noodtoestand waarbij we onze sociale contacten moeten minimaliseren, onverzekerde zzp’ers hun inkomsten zien verdwijnen en bedrijven om dreigen te vallen waardoor talloze mensen hun baan kunnen verliezen.

Tegelijkertijd dwingt deze tijd tot reflectie: is het herstel van de oude orde wat we nu moeten nastreven? Of biedt deze crisis ook een opening om de mondiale economie op een duurzamere manier in te richten? >

Als Hans Stegeman zijn landgenoten vanuit het torentje had mogen toespreken had hij het volgende gezegd: ‘Ja, we gaan het moeilijk krijgen de komende tijd, maar ik zie ook kansen om dit land beter en mooier te maken. Dat betekent niet dat we elke baan kunnen redden, maar we kunnen wel bestaanszekerheid garanderen. Daarom geven we iedere burger nu een basisinkomen en het advies om na te denken over hoe u het liefst een bijdrage zou leveren aan onze samenleving.’

Alleen is de kans dat hij ooit op de premierszetel belandt nihil, want Stegeman is geen politicus maar econoom bij Triodos Investment Management.

Begin deze maand sprak ik Stegeman op het gloednieuwe kantoor van de duurzame bank: een gebouw met veel hout binnen en glas buiten, gelegen in de bosrijke omgeving vlak naast station Driebergen-Zeist. ‘De parkeergarage is verder lopen dan het perron’, zei Stegeman trots. Hij droeg een blauwe bril en een groene coltrui, want bij Triodos gaat het er wat informeler aan toe dan bij menig andere bank. De reden dat ik hem graag wilde spreken is dat hij in nog een ander opzicht een ongebruikelijke belegger is: Stegeman vindt dat we moeten afkicken van onze groeiverslaving. ‘Niemand heeft mij nog kunnen uitleggen hoe dat kan, een economie die groeit en tegelijkertijd verduurzaamt. Er is geen enkel bewijs voor.’

Toch blijft ‘groene groei’ de dominante mantra van beleidsmakers. Verstandig klimaatbeleid zou niet ten koste hoeven gaan van het bbp; als we de fossiele energiebronnen vervangen door duurzame alternatieven, blijven innoveren, efficiënter produceren en slim recyclen, kunnen we onze materiële weelde onverminderd vergroten, zonder schade toe te brengen aan het milieu. Dat is althans de heersende gedachte. De Verenigde Naties geloven dat green growth dé manier is om de duurzame ontwikkelingsdoelen te behalen, de Europese Commissie presenteerde haar Green Deal uitdrukkelijk als ‘een nieuwe groeistrategie’ en zelfs in de meest ambitieuze klimaatplannen van progressieve politici wordt met geen woord gerept over mogelijke grenzen aan de groei.

De theoretische discussie over onze onverzadigbare groeihonger mag dan zijn opgeleefd, op bestuurlijk niveau is daar amper iets van te merken, constateert Stegeman. ‘Als het cpb met nieuwe cijfers komt is het eerste waar mensen naar kijken: wat zijn de prognoses voor het bbp? Er wordt wel gezocht naar bredere welvaartsindicatoren, maar er zit weinig schot in de zaak. Het uiteindelijke antwoord blijft altijd: we hebben economische groei nodig, want dat levert banen en belastinginkomsten op.’

Wie erop wijst dat onze obsessie met economische groei ervoor zorgt dat we planetaire grenzen overschrijden, wordt al gauw weggezet als de nieuwste toevoeging aan de lange lijst van onheilsprofeten. Eind achttiende eeuw waarschuwde predikant Thomas Malthus al voor massale hongersnood, omdat de landbouwopbrengsten de bevolkingsgroei niet konden bijbenen. Bioloog Paul Ehrlich deed het in 1968 nog eens dunnetjes over met zijn alarmistische pamflet The Population Bomb. Kort daarna kwam de Club van Rome met een rapport vol computerberekeningen die erop wezen dat de aarde in rap tempo uitgeput zou raken. Geen van die doemscenario’s kwam uit. Tot nu toe is de vindingrijke mens er altijd in geslaagd om een uitweg te vinden, constateren de voorvechters van groene groei. Waarom zou dat ditmaal anders zijn?

‘Het probleem met het rapport van de Club van Rome’, zegt economisch antropoloog Jason Hickel, ‘is dat het voorspelde dat de groei ten einde zou komen omdat er een tekort aan grondstoffen dreigde. Terwijl we een heel ander probleem hebben: we blijven onbegrensd groeien en grondstoffen verbruiken, waardoor we een ecologische catastrofe over onszelf afroepen.’ Ik ontmoet Hickel, een uitgesproken groeicriticus en auteur van het boek The Divide, in een pub in Noordwest-Londen. Het is eind februari en hoewel de tabloids in vette koppen berichten over de opmars van het dodelijke virus is er van paniek nog geen sprake. Ook in ons gesprek komt corona nauwelijks aan bod. Wel gaat het over de onrechtvaardigheid van het huidige economische model, dat er maar niet in slaagt om armoede uit te roeien en het milieu te beschermen.

‘Het grote gevaar is dat mensen nu gaan roepen: “Kijk, dit is wat degrowthers willen, dit is wat er gebeurt als de economie stopt met groeien, het is rampzalig!”’

Samen met collega Giorgos Kallis publiceerde Hickel onlangs een wetenschappelijk artikel waarin ze onderzoeken of groene groei überhaupt mogelijk is. Het antwoord? Daar is geen enkele aanwijzing voor. Telkens als het bbp in omvang toeneemt, stijgt ook het verbruik van grondstoffen en energie. En dat is een probleem, aangezien we eind 2015 in Parijs hebben afgesproken dat we alles op alles zetten om de opwarming van de aarde tot 1,5 graad te beperken. Die opgave wordt praktisch onmogelijk als we tegelijkertijd economische groei najagen, gelooft Hickel. Alleen in een scenario waarin we minder energie verbruiken hebben we een redelijke kans om een klimaatcatastrofe te voorkomen.

Toen het International Energy Agency begin dit jaar de broeikascijfers over 2019 naar buiten bracht, veerden de adepten van groene groei op. Wat bleek? De mondiale economie was gegroeid, terwijl de wereldwijde CO2-uitstoot gelijk bleef. Was dit niet hét bewijs dat het kon, doorgroeien zonder de atmosfeer verder te vervuilen? ‘Niemand zal ontkennen dat zo’n ontkoppeling mogelijk is’, zegt Hickel. ‘De vraag is alleen of we de emissies snel genoeg kunnen reduceren om de klimaatdoelen van Parijs te halen zolang de wereldeconomie in dit tempo groeit. Al het beschikbare bewijs suggereert dat dit onhaalbaar is. Hoe meer energie we verbruiken, des te moeilijker het wordt om dat allemaal op te wekken uit groene bronnen. Kijk naar de afgelopen decennia: de opmars van hernieuwbare energie is indrukwekkend, maar omdat de totale energievraag bleef stijgen, zijn we over de hele linie alleen maar meer fossiele brandstoffen gaan verbruiken. Alle vooruitgang op het vlak van schone technologie wordt tenietgedaan door groei.’

Daarom pleit Hickel voor ‘degrowth’: rijke landen zullen moeten ‘ontgroeien’ om binnen de planetaire grenzen te blijven. Hij is zich ervan bewust dat die stelling en zeker het begrip dat hij eraan verbindt behoorlijk controversieel zijn. ‘Als ik een politicus was zou ik het woord “degrowth” ook nooit gebruiken. Ik snap best dat het mensen kan afschrikken, maar voor de academische discussie is het goed om zo’n provocatief concept te gebruiken. Het begrip heeft ook een heel specifieke invulling: degrowth is niet gericht op het krimpen van het bbp, maar op het verminderen van grondstof- en energieverbruik.’

Dat kun je best vertalen naar een politiek programma waarvoor voldoende steun te vinden is, gelooft Hickel. ‘De universiteit van Yale heeft bijvoorbeeld een grote enquête gedaan, waarin ze deelnemers de vraag stelden: “Wat vindt u belangrijker, de bescherming van het milieu of economische groei?” Maar liefst zeventig procent koos voor milieubescherming. Kun je nagaan, dit gaat over de Verenigde Staten: het land van suv’s en enorme winkelcentra.’

Aan ecologische economen kleeft het cliché van geitenwollensokkenpriesters die prediken dat we allemaal moeten consuminderen en groenten moeten verbouwen in ons eigen moestuintje. Maar van zo’n ‘back to the land’-ideologie willen de meeste groeicritici die ik sprak niets weten. Ja, ze zijn kritisch op het doorgeschoten consumentisme, maar ze verlangen niet naar een hutje op de hei. Ze hebben best vertrouwen in technologie, maar ze geloven niet dat innovatie de ecologische crisis kan verhelpen.

Hickel groeide op in Swaziland, waar zijn ouders als arts werkten en hij met eigen ogen zag hoe mensonterend armoede is. Je hoeft hem niet uit te leggen hoe belangrijk een bepaalde basis van materiële welvaart is. Als hij pleit voor degrowth bedoelt hij niet dat we moeten terugkeren naar een premoderne samenleving of dat arme landen zich niet verder mogen ontwikkelen. Integendeel: juist om het mondiale zuiden de ruimte te geven om te groeien, zullen we in rijke delen van de wereld ons verbruik van energie en grondstoffen moeten terugdringen. Dat hoeft helemaal geen ramp te zijn, onderstreept Hickel: ‘Mijn punt is dat we, in welvarende landen, menselijke voorspoed kunnen vergroten zonder dat de economie hoeft te groeien.’

Kijk naar Costa Rica, een land waar het bbp per hoofd van de bevolking slechts één vijfde is van dat in de Verenigde Staten, maar waar mensen desondanks langer leven en gelukkiger zijn. Of neem Finland, nummer 1 op de World Happiness-ranglijst, dat een beter onderwijssysteem heeft dan een ‘rijker’ land als Amerika. Het laat zien dat er geen eenduidige relatie bestaat tussen bbp-groei en bredere welvaart. De reden dat Costa Rica en Finland goed scoren is simpel: ze investeren in publieke voorzieningen, zoals gezondheidszorg en onderwijs. Natuurlijk is er geld nodig om die voorzieningen te financieren, erkent Hickel, maar hoe het geld wordt besteed en verdeeld is belangrijker dan de totale omvang van de economie.

Drie weken na ons gesprek in Londen spreek ik Hickel opnieuw, aan de telefoon ditmaal, om te horen hoe hij het nieuws heeft gevolgd. De complete wereldeconomie is op tilt geslagen omdat een virus zand in de raderen van het geglobaliseerde kapitalisme heeft gestrooid. Wat betekent dit voor zijn eigen denken? ‘Ik heb er gemengde gevoelens over’, zegt Hickel. ‘Het grote gevaar is dat mensen nu gaan roepen: “Kijk, dit is wat degrowthers willen, dit is wat er gebeurt als de economie stopt met groeien, het is rampzalig!” Inderdaad, als een kapitalistische groeieconomie plots tot stilstand komt, heeft dat desastreuze gevolgen. Daarom willen degrowthers juist een compleet ander soort economie, een die niet hoeft te groeien om te bloeien. Wij hebben alomvattende beleidsideeën om ervoor te zorgen dat de bestaanszekerheid niet in gevaar komt als het bbp daalt. Zonder zulke maatregelen is een recessie terecht een schrikbeeld voor veel mensen.’

Het zou goed kunnen dat de coronacrisis de geschiedenisboeken ingaat als een kantelpunt, het moment waarop de loop van de wereldgeschiedenis een andere afslag neemt. Met de juiste sturing gaat het misschien wel in een duurzamere richting, speculeert Hickel. ‘Sommige van de degrowth-voorstellen die eerst werden afgeschreven als radicaal en onrealistisch, worden nu ineens in de praktijk gebracht. Overheden investeren stevig in sociale voorzieningen en schalen niet-essentiële productie terug om te focussen op de onmiddellijke behoeftes van mensen. Sommige regeringen geven zelfs een tijdelijk basisinkomen. Dat is beleid waarvoor degrowthers al veel langer pleiten. Als we de ecologische crisis net zo serieus nemen, kunnen we soortgelijke strategieën omarmen. Als we de verkoop van mondkapjes en zeep aan banden kunnen leggen, waarom dan vliegreizen ook niet? Als we fabrieken kunnen vorderen om beademingsapparaten te produceren, waarom kan dat dan niet ook met zonnepanelen en windturbines?’

‘Coronavirus calls for wartime economic thinking’, concludeerde een Wall Street-adviseur vorige week in The New Yorker. Vervang ‘coronavirus’ door ‘climate change’ en het is een oproep die al langer klinkt uit het kamp van klimaatactivisten. Om de opwarming van de aarde te bestrijden hebben we krachtig optreden nodig van een overheid die er niet voor terugdeinst om moeilijke maatregelen door te voeren. Hele industrieën moeten worden ontmanteld of hervormd. Alleen met een ongekende collectieve inspanning kunnen we deze dreiging het hoofd bieden. Maar waar regeringen voor de bestrijding van de Covid-19-pandemie alles uit de kast trekken, blijft een doortastende respons in de strijd tegen klimaatverandering tot dusverre uit. Tot ergernis van milieueconoom Jeroen van den Bergh. ‘Klimaatverandering wordt nog steeds niet als een urgent gezondheidsprobleem gezien, ook al weten we dat de opwarming van de aarde nu al doden veroorzaakt. Maar ja, de slachtoffers vallen vooral in armere delen van de wereld en daar maakt men zich kennelijk niet zo druk om.’

Er waren commentatoren die de pandemie onthaalden als een zegen voor het klimaat. Wetenschappers signaleerden een scherpe daling in luchtvervuiling en broeikasgasemissies, omdat fabrieken gedwongen werden hun deuren te sluiten, vliegtuigen massaal aan de grond bleven en consumenten in quarantaine gingen. Het is een welkome herinnering dat CO2-uitstoot en economische activiteit nauw met elkaar verbonden zijn – precies het punt waar degrowth-denkers op hameren. Dat strookt met het historische patroon: de enige momenten waarop de wereldwijde broeikasgasemissies de afgelopen decennia afnamen, waren kort na een economische crisis. Het slechte nieuws is alleen dat die dipjes van korte duur waren. Zodra de economische groei weer aantrok, steeg de uitstoot onverminderd door.

Van den Bergh ziet geen reden om te denken dat het ditmaal anders zal zijn. ‘Uit het verleden weten we dat een crisis vaak gevolgd wordt door een extra snelle compensatiegroei’, zegt hij via Skype vanuit zijn geïmproviseerde thuiskantoor in Barcelona, waar hij als hoogleraar verbonden is aan de plaatselijke universiteit. ‘Ik ben heel bang dat het klimaat er na deze crisis slechter voorstaat. Al het beleid is nu gericht op de bestrijding van dit virus, dat kan ten koste gaan van klimaatonderzoek en internationale coördinatie over milieubeleid.’

De eerste signalen zijn inderdaad weinig bemoedigend. Eind dit jaar staat de klimaattop in Glasgow op de agenda, maar de voorbereidende vergaderingen die nodig zijn om daar straks resultaat te boeken komen door de pandemie op losse schroeven te staan. Het debat over de Europese klimaatwet is al uitgesteld en de geplande actieweek van Extinction Rebellion is van de baan. Zelfs de meest bevlogen klimaatactivisten snappen dat de wereld nu even iets anders aan zijn hoofd heeft.

‘Ecologie en economie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, dat bewijst deze pandemie opnieuw. Een mutatie van een virus is in staat om de beurzen onderuit te halen’

Het coronavirus dreigt bovendien de energietransitie in gevaar brengen, waarschuwde Fatih Birol, de baas van het International Energy Agency. Zeker in combinatie met een lage olieprijs kan een recessie ervoor zorgen dat de investeringen in groene energieprojecten opdrogen. ‘Er is geen enkele reden om de waarschijnlijke daling van emissies te vieren’, zei hij tegen The Guardian, ‘want zonder het juiste beleid en structurele maatregelen zal die daling niet bestendig zijn.’ Maar mét het juiste beleid kan deze crisis ook een positieve kentering teweegbrengen, benadrukte Birol. ‘We hebben een belangrijke window of opportunity. Grote economieën over de hele wereld bereiden stimuleringspakketten voor. Een goed ontworpen stimuleringspakket kan economische voordelen opleveren en de transitie naar schone energie faciliteren.’

‘Ik zie op dit moment een heleboel kansen voor een degrowth-economie’, zegt Triodos-econoom Hans Stegeman. ‘We worden geconfronteerd met de kwetsbaarheid van dit geglobaliseerde model. Een weerbaar systeem wordt gekenmerkt door diversiteit, maar dat is nu net wat de huidige economie niet beloont. Alles is gericht op efficiëntie en specialisatie. De productie van iPhones of auto-onderdelen is geconcentreerd in een paar regio’s – als die plat komen te liggen stokt de hele keten. Bij de eerste flinke tegenslag ligt de hele luchtvaartsector binnen een week op z’n gat. Dit is bij uitstek het moment om bepaalde industrieën te verduurzamen.’

Of dit werkelijk zal gebeuren valt nog te bezien. Vooralsnog lijken politici weinig tijd te hebben voor een grondige reflectie, druk als ze zijn met het ontwerpen van noodoplossingen. Minister van Financiën Wopke Hoekstra liet geen kans onbenut om te onderstrepen dat hij alles op alles zet om klm in de lucht te houden. Nu snappen de ecologische economen ook wel dat je luchtvaartmaatschappijen die tienduizenden mensen van een inkomen voorzien niet klakkeloos failliet kunt laten gaan, maar je zou wel een plan kunnen bedenken waarbij er voorwaarden worden verbonden aan een reddingsoperatie. Bijvoorbeeld dat de luchtvaart straks niet onbelemmerd kan doorgroeien en dat de overheidssteun ten goede komt aan het personeel onder aan de ladder. ‘Een bail-out voor de arbeiders’, zo vat Hickel het samen.

‘Ik vind het onbegrijpelijk dat sommige degrowth-aanhangers deze crisis lijken te verwelkomen’, zegt Jeroen van den Bergh vanuit Barcelona. Hij is sowieso geen fan van hun ‘radicale’ ideeën. ‘Veel te ideologisch’, oordeelt hij. ‘Abstracte kapitalismekritiek brengt een oplossing niet dichterbij. Denk je echt dat je mensen gaat verleiden met een verhaal over degrowth? We hebben behoefte aan pragmatische maatregelen.’ We moeten als de wiedeweerga broeikasgasemissies terugdringen en de beste manier om dat te doen, betoogt hij, is slim prijsbeleid voeren: een stevige, grensoverstijgende koolstofheffing die vervuilende activiteiten onrendabel maakt.

Denk niet dat Van den Bergh een hartstochtelijk verdediger is van groene groei. Het kan best zijn dat pragmatisch klimaatbeleid betekent dat het bbp in bepaalde landen krimpt. ‘Ik sluit niet uit dat Hickel gelijk heeft en groene groei onmogelijk is. Maar het zou ook kunnen dat het wél lukt. Het eerlijke antwoord is: we weten het niet. Je kunt wel naar het verleden kijken, maar we hebben nog nooit serieus klimaatbeleid gevoerd. Ik kan niet voorspellen wat voor effect dat zal hebben op het bbp. Ik vind dat ook niet zo interessant.’

Van den Bergh bepleit een agnostische houding ten opzichte van economische groei. De prioriteit zou moeten liggen bij het terugdringen van CO2-uitstoot, niet bij het vergroten van het bbp. Maar dat blijkt voor veel politici, zelfs degenen die zeggen te geloven in groene groei, voorlopig een brug te ver. Als puntje bij paaltje komt krijgt de economie telkens voorrang op het milieu, merkt Van den Bergh. ‘Ik ben de meest neutrale persoon op deze planeet: ik ben niet voor of tegen groei. Ik vind alleen dat de angst voor mogelijk lagere groei klimaatbeleid niet in de weg moet zitten. Dat is wel wat er nu vaak gebeurt.’

Zelfs voordat duidelijk werd dat Covid-19 de wereldeconomie in een recessie zou storten begonnen veel ecologische economen spontaan over de crisis van 2008. Dat was een gemiste kans, vond bijna iedereen. Als de gevestigde orde aan het wankelen wordt gebracht, grijpen de ideologische uitdagers dat momentum doorgaans aan om hun ideeën in de praktijk te brengen. Maar in de nasleep van de Grote Recessie ontbrak het aan overtuigende alternatieven. Dus werd de wankele status quo met pijn en moeite overeind gehouden. Banken kregen bail-outs, bezuinigingen ontmantelden sociale voorzieningen, structurele hervormingen bleven uit, de schuldenlast explodeerde en beleidsmakers haalden alle trucs uit de kast om de groei gaande te houden. Ondertussen escaleerde de ecologische crisis.

‘Ik hoop echt dat deze crisis een wake-upcall is’, zegt Herman Daly. De bejaarde econoom zit achter zijn webcam in een verzorgingstehuis in Maryland, waar bezoekers voorlopig niet meer welkom zijn. ‘In een nabijgelegen bejaardenhuis is net een eerste coronageval geconstateerd’, zegt hij. Hoewel hij tot de risicogroep behoort, maakt Daly zich over zichzelf weinig zorgen. ‘Ik heb een lang en mooi leven gehad. Als dit virus me niet velt, doet iets anders dat wel.’ Meer zorgen maakt hij zich over het lot van de toekomstige generaties, want onze economische groeidwang bedreigt onze ecologische bestaansvoorwaarden.

Het is een boodschap die Daly al sinds het begin van de jaren zeventig verkondigt. Tijdens zijn studie economie viel het hem op hoe reductionistisch de standaardmodellen waren. Neem het klassieke kringloopschema, dat terug te vinden is in elk economisch lesboek. Het bestaat uit verschillende actoren – huishoudens, banken, bedrijven, de overheid – waartussen stromen van geld en goederen vloeien. ‘Een compleet misleidend beeld’, zegt Daly. ‘Waar komen de grondstoffen voor die goederen vandaan? En waar blijft het afval? Het is totaal losgezongen van het milieu.’ In werkelijkheid is de economie een onderdeel van het bredere ecosysteem, waarvan we allemaal afhankelijk zijn, weet Daly. ‘Ecologie en economie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, dat bewijst deze pandemie opnieuw. Een willekeurige mutatie van een virus is in staat om de beurzen onderuit te halen.’

Daly vergaarde vooral faam als pleitbezorger van de steady state economy, een stationaire economie die krimpt noch groeit, zodra de ecologische limiet is bereikt. De kiemen van dit idee voeren terug tot klassieke economen zoals Adam Smith en John Stuart Mill, voor wie oneindige groei een absurd idee was. ‘Vanaf een bepaald punt wegen de baten van verdere bbp-stijging niet op tegen de ecologische kosten’, zegt Daly. ‘Dan krijg je oneconomische groei.’

In het begin waren zijn collega’s, op z’n zachtst gezegd, niet erg ontvankelijk voor Daly’s theorieën. Het inzicht dat oneindige groei op een eindige planeet onmogelijk is wuifden ze weg als een tautologische spreuk die geen implicaties had voor hun vakgebied. Of ze verweten Daly dat hij niets om arme mensen gaf. Want groei, zo luidde de communis opinio onder neoklassieke economen, was het enige medicijn dat armoede kon verlichten. ‘Dat argument hoor je vandaag nog steeds’, zegt Daly. ‘Het vergroten van het bbp wordt gebruikt als een excuus om niet naar de herverdeling van welvaart te hoeven kijken.’

Destijds voelde hij zich soms een roepende in de woestijn. Alleen de wetenschappers van de Club van Rome namen zijn ideeën serieus. ‘We vertrokken vanuit verschillende uitgangspunten, maar kwamen tot dezelfde conclusies.’ Daly vindt het onterecht dat het grenzen aan de groei-rapport nu wordt afgeserveerd als achterhaalde paniekzaaierij. Het klopt weliswaar dat hun voorspelling over grondstoftekorten niet uitkwamen omdat ze te weinig rekening hielden met technologische innovatie, maar hun blik was breder dan dat. Lang voordat het klimaat op de politieke agenda stond waarschuwde de Club van Rome voor de rap stijgende concentratie CO2 in de dampkring. ‘Ik denk dat hun centrale boodschap nog steeds overeind staat’, zegt Daly. De ecologische crisis is niet afgewend, maar uitgesteld.

Dat besef begint bij steeds meer mensen in te dalen. Het zou te ver gaan om te beweren dat zijn ideeën mainstream zijn geworden, maar ook onder economen krijgt Daly meer medestanders. Voor degrowther Jason Hickel is hij een ‘held’ en ook groei-agnost Jeroen van den Bergh heeft ‘diep respect’ voor zijn werk. Zelf hoopt de nestor van de ecologische economie dat we de komende tijd niet dezelfde fouten maken als na de crash van 2008. ‘Het grote verschil is dat deze crisis een biofysische oorzaak heeft. Je zou denken dat dit aanleiding is voor een serieuze herbezinning op onze verhouding tot het bredere ecosysteem. Hoe kunnen we onze economie weerbaarder maken voor dit soort schokken? Daar zouden we over na moeten denken.’

Veel ecologische economen kwamen met een vergelijkbaar advies, toen ik hun vroeg om deze historische tijd in realtime te duiden. Allemaal beseften ze dat deze schok een breuklijn kan veroorzaken en dat de keuzes die we de komende tijd maken het aangezicht van het postcoronatijdperk bepalen. De kwetsbaarheden waar zij al jaren voor waarschuwen komen nu genadeloos aan het licht, al deed het niemand deugd om hun gelijk bevestigd te zien in een collectieve tragedie. Geen van hen was ook optimistisch over een goede afloop. Er is geen enkele garantie dat we ‘beter’ uit deze crisis zullen komen, dat saamhorigheid en solidariteit zullen overwinnen en dat dit moment van gedwongen reflectie ons tot inkeer zal brengen. Het tegenovergestelde is minstens zo waarschijnlijk.

Hoe de wereld eruit zal zien na deze coronacrash valt dan ook onmogelijk te zeggen. Voor die vraag is het inderdaad nog te vroeg. Maar het is niet te vroeg om de vraag te stellen hoe we willen dat de wereld er straks uitziet. De ecologische economen hebben hun antwoorden in ieder geval paraat.