Jeruzalem, Damascus Gate, 15 juni. Een politieman confisqueert een Palestijnse vlag tijdens een Arabisch protest tegen de ‘vlaggenmars’ van Israëlische ultranationalisten © Ammar Awad / REUTERS

Ze worden de ernstigste botsingen in Israël sinds het uitbreken van de Tweede Intifada van 2000 genoemd. Gelijktijdig met het conflict tussen Israël en de Palestijnse Hamas-beweging die de Gazastrook regeert, gingen vanaf 9 mei jonge Arabische burgers van Israël in Arabische en gemengde joods-Arabische steden massaal de straat op. Met Palestijnse vlaggen en spandoeken met de tekst ‘Free Palestine’ demonstreerden ze tegen de Israëlische regering. De situatie escaleerde. Sommige Arabische en joodse burgers doken onder, anderen gingen met elkaar op de vuist. Er volgden tien dagen van lynchpartijen, doodslag, vernielingen, brandstichting en plunderingen over en weer.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Simone Korkus over het onzekere leven van de Arabische burgers in Israël. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Nadat Israël het gras in Gaza weer gemaaid had, zoals men hier de militaire operaties in Gaza noemt, besloot het met de politieoperatie ‘Law and Order’ op eigen grondgebied het onkruid te wieden. Op 23 mei trokken duizenden leden van politiecorpsen, grenspolitie en reservisten het land in om mensen op te pakken.

Er zijn vele visies op het waarom van de opstand van de Arabische burgers. Vooral Israëlisch-joodse professoren, die de huidige problematiek vanuit politiek, sociaal-economisch en juridisch oogpunt bezien, wijzen oorzaken aan als ongelijkheid, economische problemen, woningcrisis, identiteitscrisis, solidariteit met de broeders in Jeruzalem en Gaza en woede over de activiteiten van ultrarechtse joodse activisten en politici.

In de internationale media ziet men vaak door de bomen het bos niet meer en vermengt men de problematiek van de bevolking van de Westoever en Gaza met de problemen van de Arabische bevolking in Israël. Na 73 jaar scheiding, de werking van de Oslo-akkoorden en de afsluiting door de bouw van de muur, zijn de leefomstandigheden van beide groepen, die over en weer vaak familiebanden hebben, totaal verschillend. Voor alle duidelijkheid: ik noem de Palestijnen in Israël ‘Arabische burgers van Israël’ en de bewoners van de Palestijnse gebieden ‘Palestijnen’, benamingen die zij zelf ook vaak hanteren om dat verschil aan te geven.

De vraag is wat de Arabische gemeenschappen en individuele Arabische burgers zelf van de situatie vinden. Ik besloot om de Arabische wijken en steden te bezoeken, die joodse Israëliërs momenteel nauwelijks durven te betreden uit al dan niet reële angst om gelyncht te worden.

Als ik mijn auto een onverharde steeg in Tayibe indraai, komen Hasan Haj Yahia (27) en zijn ouders me enthousiast tegemoet. Ze waren er niet zeker van dat ik zou komen, want vreemdelingen bezoeken de Arabische stad in het centrum van Israël niet. Maar in dit grotendeels uit kalksteen opgetrokken stadje met toeterende bussen, de grote neon ‘M’ van McDonald’s en schoolkinderen in uniform die de straat oversteken is het business as usual. Er is niets te merken van de vijandigheid die door de media beschreven werd. Toch waren hier op de avond van 10 mei demonstraties en rellen met extremistische joodse groeperingen.

Hasan, een leraar Engels met Masters Engels, creatief schrijven en elektrotechniek op zak en een beginnend auteur, lijkt zijn zaakjes goed voor elkaar te hebben. Hij doceert aan een middelbare school in de buurt en heeft zojuist zijn eigen huis gebouwd waar hij woont met zijn ouders. Maar in dat succes schuilt een gevaar, hij heeft namelijk alles te verliezen. Als hij, zoals hij het zelf noemt, zijn hoofd boven het maaiveld zou uitsteken en openlijk zou ageren tegen de overheid, loopt hij het risico dat hij ontslagen wordt, geen toegang meer krijgt tot de academia, de overheid zijn huis plat walst en zijn ouders dakloos worden. Die angst is niet slechts Hasan met de paplepel ingegoten, maar is zo langzamerhand in de genen van de meeste Arabische burgers verankerd.

‘Ik ben opgegroeid in een tijd van vrede, als je het zo kunt noemen’, zegt hij. ‘Mijn generatie heeft niet de Nakba (de verdrijving van de Palestijnen uit Israël rond 1948 – red.) meegemaakt en ook niet de bloedbaden die daarna volgden. Er was maar een korte tijdspanne waarin we met de getuigen van die periode, onze grootouders, konden discussiëren en toch hebben we een gevoel van anders zijn, vreemd zijn, en vooral een gevoel van onzekerheid. Mijn woonland is mijn oorsprong, maar mijn oorsprong, wordt hier verteld, behoort aan een ander volk en dus is het niet mijn oorsprong of is mijn oorsprong een legende.’

Volgens Hasan zijn de Arabische burgers ontheemd op hun eigen plek en zoeken ze verward houvast in een vlucht- of verdrijvingsnarratief. Natuurlijk zouden ze tegen de joodse kant kunnen roepen: jullie hebben ons land ingepikt. De andere kant zou dan kunnen antwoorden: welk land? Het land waar je nog steeds woont? Waarop de Arabieren zouden knikken: ja, dat land, precies zoals het is, maar onder een andere naam.

Hier begint volgens Hasan het probleem. De Arabieren in Israël opereren als geesten. Je kunt ze zien en voelen, maar als de kijker hen probeert te vangen zijn ze verdwenen; een waanvoorstelling. ‘De wetgeving van Israël bepaalt dat mijn vaderland een joodse staat is, bedoeld om het joodse volk te beschermen, maar daarmee geeft het impliciet of expliciet aan dat de rest van ons, christenen, bedoeïenen, druzen, moslims, non-entiteiten zijn, een soort witte ruis op tv. We leven een verward bestaan tussen de papieren werkelijkheid en de praktijk. We hebben verzekeringen, onderwijs, medische voorzieningen en actief en passief stemrecht, maar ervaren zichtbare en onzichtbare geïnstitutionaliseerde discriminatie, die we ook voor een deel uit angst over onszelf uitroepen.’

Als jongvolwassene zocht Hasan zijn identiteit in fetisjen. De Palestijnse vlag die niet boven zijn huis mocht wapperen, de zwart-witte keffiyeh van opa die hij niet mocht dragen. ‘Radicaliseren was voor mij geen optie, maar mijn waarheid ontkennen leek nog erger. Dus bond ik de vlag aan een metalen pijp en zette hem op het dak van ons huis, dat het hoogste in ons dorp was en op een heuvel lag. De vlag kon van ver gespot worden, misschien zelfs vanuit de zee. ’s Avonds stonden mijn vader en tante me op te wachten. Ik moest onmiddellijk de vlag naar beneden halen, zeiden ze. “Maar is het een misdrijf dat ik de vlag van mijn voorouders, waarover jullie met zoveel liefde gesproken hebben, tentoonstel?” antwoordde ik. Ze kunnen hem vanuit de helikopters zien, was de simpele verklaring van mijn tante en mijn vader zei dat ik hem binnen mocht ophangen. Toen begreep ik de essentie van mijn identiteit hier, die net als de vlag van binnen beleefd moest worden. Onze traditie is kostbaar, onze geschiedenis gevoelig, onze identiteit zo kwetsbaar als de schedel van een pasgeborene, en die moet diep in ons lichaam, waar zelfs geen kogel kan penetreren, beschermd en verborgen gehouden worden. En zo hebben wij twee gezichten en gedachten ontwikkeld, een voor de onderdrukker en een voor ons eigen volk.’

Huist in deze dissociatie niet het gevaar dat dit het eeuwige conflict en onbegrip tussen de twee volken voedt? vraag ik hem. Conflict is niet het juiste woord, vindt Hasan. Er is geen strijd tussen twee volken. ‘Er is hier sprake van bezetting en een enorme mist bedekt de grenzen van de vrijheid om mijn identiteit uit te schreeuwen. Arabische burgers zijn bang om gearresteerd te worden, want iedereen weet dat je misschien slecht behandeld en geslagen wordt. Juist die onzekerheid maakt dat ik openlijk mijn mond hou. Israël probeert ons te ontdoen van onze Palestiniteit. Er zijn al zoveel zaken vergeten omdat we hier betrekkelijk comfortabel leven. Een deel van mijn Arabisch is doordrenkt met Hebreeuwse woorden en sommige jongeren verkiezen zelfs het Hebreeuws, want daarmee laat je status en moderniteit zien en heel subtiel het verschil met de nederige broeders in de Palestijnse gebieden.’

Als je de gemiddelde Arabische burger van Israël vraagt of hij de terugkeer wenst van degenen die in 1948 gevlucht zijn, kortom of hij zich met de Palestijnse broeders wil herenigen, zegt hij volgens Hasan waarschijnlijk ja, maar mogelijk doet hij dat uit angst voor kritiek van zijn gemeenschap. ‘We hebben een comfortabel leven en het merendeel wil het comfort van schone straten, correcte elektriciteitsrekeningen, betrouwbare nutsvoorzieningen in Israël niet opgeven voor een vrijere identiteit. Zou mijn lijden kunnen leiden tot gerechtigheid voor mijn uiteengedreven volk? Niemand kan die vraag beantwoorden en dus blijven we half verborgen en half beschaamd voortleven. Mijn opa was getuige van de Nakba en mijn kleinkind trouwt misschien met een jood.’

Jeruzalem, 15 juni. Veiligheidsagenten sommeren Arabische burgers weg te gaan bij de Oude Stad, nadat de ‘vlaggenmars’ van Israëlische ultranationalisten is afgelopen © Marcus Yam / Los Angeles Times / Getty Images

Palestina is door de geschiedenis heen geregeerd door talloze volken, waaronder de kruisvaarders, Egyptenaren en mamelukken, drie eeuwen door het Ottomaanse Rijk, het Britse mandaat en ten slotte Israël. Behoort bezetting niet tot de essentie van de Arabische identiteit? vraag ik. ‘Het verschil zit hem in de onderdrukking’, zegt Hasan. ‘De Turken en de Britten hebben dit land niet bezet om er hun eigen land te stichten. Zij hadden al een land en lieten ons begaan. Israël wil coûte que coûte de joodse staat handhaven en beschermen tegen andere volken. Wij leven hier ook, maar als minderheid in onderdrukking.’

‘Als leraar mag ik op school niet praten over de Arabische kwestie en identiteit en de sociale media worden gecensureerd’

Nu is die minderheid begin mei in opstand gekomen en heeft massaal van zich laten horen. ‘Ik was verrast dat zoveel jonge mensen de straat op gingen’, zegt Hasan. ‘Dat betekent dat men ons erfgoed nog niet is vergeten. We hebben voor onszelf de vrijheid van meningsuiting verworven en zeggen nu wie we zijn. Het protest heeft ons als volk verenigd. Het is verdrietig dat de zaak geëscaleerd is. Het gewelddadige optreden van sommige Arabische burgers en van joodse extremistische bendes heeft niets te maken met het protest. Ik zag ze met automatische M16-geweren door Tayibe rijden. Ze zijn niet met ons verbonden en zijn een gevaar voor onze samenleving.’

Als ik Hasan vraag naar zijn toekomst, antwoordt hij beslist: ‘Arabieren en joden zullen moeten samenleven. We hebben geen keus. In een gezamenlijke actie moeten we niet elkaar maar het geweld en de criminaliteit aan beide kanten bestrijden.’ Maar als ik over zijn persoonlijke toekomst begin, volgt een stilte waarin hij glimlachend zijn schouders ophaalt. Zijn moeder is constant bang dat hij de gevangenis indraait en zijn vader wil hem het liefst vandaag nog naar het buitenland verschepen.

Dan verwoordt hij een dilemma waarmee vele Arabische jongeren worstelen. ‘Ik wil leven, maar ik kan niet dromen van een toekomst die ik niet heb. Ik heb drie diploma’s waar ik niets mee kan doen. Als leraar mag ik op school niet praten over de Arabische kwestie en identiteit en op de sociale media kan ik me moeilijk uitdrukken omdat die gecensureerd worden. Op Instagram gebruik ik in plaats van het woord “palestine” “p a - 1 - s t i n e”. Toch ben ik het aan mijn volk verschuldigd om mijn stem te verheffen om zo op te komen voor vele anderen die niet gehoord worden.’

Aan de muur van het kantoor van Jafar Farah uit Wadi Nisnas, een Arabische wijk in downtown Haifa die twee weken geleden het epicentrum werd van de protesten en rellen in die stad, hangt ingekaderd de tekst ‘I have a dream’ van Martin Luther King. Farah droomt van vreedzame coëxistentie tussen de Arabische en joodse burgers van Israël. Hij is oprichter en directeur van Mossawa, dat in het Arabisch gelijkheid betekent, een organisatie die zich inzet voor de belangen van Arabische burgers op economisch, sociaal, cultureel, politiek en juridisch gebied en de gelijkheid van alle burgers in een democratische samenleving voorstaat.

In de zestien jaar dat we elkaar kennen heeft Farah mij vaak verteld over juridische zaken die hij behartigde voor Arabische burgers die met de politie in aanraking waren gekomen. Vorige week werden Farah (54) en zijn zoon Basel (23) zelf zo’n zaak, toen ze tijdens de politieacties die volgden op de demonstraties werden opgepakt. Volstrekt ten onrechte, zegt Farah boos. Zijn zoon werd verdacht van het in brand steken van politieauto’s. Basel, die een diploma politieke wetenschappen en media op zak heeft en sociaal werker in een gemeenschapscentrum is, was niet op de bewuste plek en hij steekt geen auto’s in brand, aldus Farah.

Volgens de politie zou Farah jongeren hebben opgehitst om herrie te schoppen. Dat zit hem dwars, hij heeft nota bene op 10 mei, toen hij ’s ochtends hoorde dat er tijdens de demonstraties mogelijk rotzooi zou worden getrapt, onmiddellijk de burgemeester van Haifa om hulp gebeld. ‘Dit soort protesten zijn zeer explosief omdat enerzijds leden van bewapende, extreem racistische joodse bendes als La Familia, de Torah Nucleus en de Lehava-organisatie infiltreren om demonstranten te verwonden, terwijl er anderzijds in de Arabische gemeenschap bewapende criminelen rondlopen die niet schromen om te schieten’, zegt hij.

Zo’n confrontatie kon men voorkomen, maar de burgemeester gaf niet thuis. Ook tijdens de rellen die ’s avonds volgden deed de overheid niets. Farah heeft videobeelden waarop te zien is dat de politie toekeek. ‘Mijn arrestatie, als bekend Arabisch burger, is een tactiek van de politie en de veiligheidsdienst Shabak om burgers angst aan te jagen.’ Daarin zijn zij dan niet geslaagd, want er volgden gevechten tussen joodse en Arabische burgers in het hele land. De Israëlische media noemden het zelfs een burgeroorlog.

Hoe is dit mogelijk? vraag ik Farah, want het leven was de laatste jaren relatief rustig. Weliswaar wonen joodse en Arabische burgers gescheiden en op veilige afstand van elkaar en zouden ze nooit met elkaar trouwen, maar uit een recente opiniepeiling van Abraham Initiatives, een organisatie die gelijk burgerschap van Israëls joodse en Arabische burgers nastreeft, blijkt dat 89 procent van de Arabische en 81 procent van de joodse burgers hun relatie met de ander als ‘goed’ beschrijft en met de ander wil samenwerken.

Farah knikt. ‘We hebben geen identiteitsprobleem, we weten dat we Palestijn zijn en Israëlisch staatsburger. Natuurlijk is er spanning tussen die twee, maar wij hebben al meer dan zeventig jaar geleerd om hiermee te leven. De 2,1 miljoen mensen tellende Arabische bevolking is er de laatste tien jaar sociaal-economisch op vooruitgegaan. We hebben steeds meer jongeren op hbo-niveau en 28 procent van de studenten op universiteiten is Arabisch. Tijdens Covid-19 vochten joodse en Arabische dokters en medisch onderzoekers schouder aan schouder tegen de verspreiding van het virus. Er waren meer Arabische experts op tv en Israëlische politici bezochten Arabische steden in een poging om nog meer mensen te mobiliseren in de strijd tegen de gezamenlijke vijand.’

Natuurlijk heeft die roze wolk een zwarte rand, gezien de problemen op het gebied van mensenrechten, ongelijkheid en de bezetting. De helft van de Arabische bevolking leeft formeel in armoede. Een discriminerend planningsbeleid maakt dat veel Arabische burgers in dichtbevolkte steden en dorpen wonen die weinig ruimte bieden om uit te breiden. Ondertussen stimuleert de Israëlische regering de groei van naburige overwegend joodse gemeenschappen, waarvan vele zijn gebouwd op de ruïnes van Palestijnse dorpen die in 1948 zijn verwoest. De ‘Nakba-wet’, aangenomen in 2011, verbiedt overheidsfinanciering van instellingen en groeperingen die bijdragen aan activiteiten ter herdenking van de verdrijving van 750.000 Palestijnen tijdens de oprichting van de staat Israël in 1948.

Van de twaalf miljard sjekel die de overheid voor een vijfjarig ontwikkelingsplan aan de Arabische gemeenten had toegezegd, is in 2021 nog minder dan vijf miljard betaald. Dat is 475 sjekel oftewel 120 dollar per burger over vijf jaar. Ten slotte heeft de Natiestaatwet van 2018 het Arabisch gedegradeerd tot een taal met een speciale status en het Hebreeuws uitgeroepen tot enige officiële taal van Israël. De wet promoot joodse nederzettingen in het hele land, wat volgens sommigen tot verdere discriminatie van Arabieren bij de toewijzing van grond en middelen kan leiden.

‘De mensen namen deel aan de vreedzame demonstraties vanuit oprechte verontwaardiging’, zegt Farah. ‘Demonstreren is hun democratisch recht. Als je de escalatie van het protest vanuit geweldsmanagement bekijkt, dan zie je dat de meeste Arabische burgers die betrokken waren bij de rellen aan de rand van de samenleving leven, vaak op het criminele pad zijn en nauwelijks een politieke overtuiging hebben, terwijl de meeste joodse burgers leden van extreem-rechtse racistische bewegingen zijn. Het geweld in Israël is sinds 2016 ernstig toegenomen.’

De politie treedt de laatste jaren veel harder op tegen gewone Arabische burgers. Het feit dat tijdens de Law and Order-operatie meer dan tweeduizend Arabische burgers werden opgepakt, tegenover 187 joodse burgers, is volgens Farah tekenend voor die rechtsongelijkheid. Het gevolg is dat joodse racistische bendes ongemoeid hun gang kunnen gaan en in aantal toenemen.

Het alarmerendst noemt Farah de enorme toename van geweld in de Arabische gemeenschap zelf. ‘Voor de drop-outs van school, die werkloos zijn – het gaat om zo’n vijftig procent van de Arabische jongeren – bestaat de keus om of in de bouw te werken, waar ze onderbetaald worden, of voor de georganiseerde misdaad in wapens of drugs te handelen. De wapens worden voor zeventig procent uit Israëlische legerdepots gestolen. Een toename van illegale wapens heeft de afgelopen vier jaar tot een stijging van het aantal moordzaken in onze gemeenschappen geleid. In 2019 waren er bijna honderd moordzaken, vijftig procent meer dan de vorige jaren. Criminele bendes terroriseren de gewone mensen en de politie durft niet op te treden. Samen met de joodse racistische bendes zijn zij degenen die plunderen, brandstichten en aanvallen en elke vreedzame demonstratie laten escaleren.’

‘Wij, de Arabische burgers, kunnen in de impasse van de vredesonderhandelingen als echte game changers optreden’

Het afgelopen jaar zijn er ruim vierduizend illegale wapens in beslag genomen, een fractie van de vierhonderdduizend die er volgens de Knesset in Israël in omloop zijn. Volgens Farah is er niet genoeg gedaan om dit endemische geweld te bestrijden. Er is in de joodse steden een overbezetting van politie, waardoor criminaliteit en georganiseerde misdaad daar minder kans krijgen, en in de Arabische gemeenschappen een onderbezetting, waardoor die nu een soort vrijzone voor de misdaad vormen. ‘De Arabische minderheid heeft niet de middelen om zelf op te treden en de overheid doet niets.’

Ook aan Farah vraag ik hoe hij de toekomst ziet. ‘Zowel Israël zelf als de Palestijnse gebieden bevinden zich in een diepe politieke crisis’, zegt hij. ‘In die crisis zouden wij, de Arabische burgers, een enorme toegevoegde waarde kunnen hebben om de betrekkingen te normaliseren. Wij begrijpen de cultuur en spreken de taal van beide volken en reizen in beide gebieden. Bij de Oslo-akkoorden en de twee-statenoplossing, twee staten voor twee volkeren, zijn wij totaal over het hoofd gezien en dat is spijtig, want wij kunnen in de impasse van de vredesonderhandelingen als echte game changers optreden. We moeten zelf de leiding nemen en ons niet langer als slachtoffers opstellen.’

Jeruzalem, 18 juni. Een Arabische man probeert de Al-Aqsamoskee te verlaten terwijl Israëlische veiligheidstroepen hun wapens naar binnen richten © Ammar Awad / REUTERS

Als ik even later het kantoor van Mossawa uitloop, zie ik in de weelderige aangrenzende tuin twee jonge vrouwen en een man aan een wankele tuintafel zitten. Gespreksonderwerp: de demonstraties van 10 mei. Alin Nassra (19) en Salma Khamaisi (18) waren erbij, vertellen ze. Nee, niet samen.

In eerste instantie lijken de vrouwen totaal verschillend. Alin komt uit het Arabische dorpje Abu Snan in het noorden van Israël en Salma woont in een gemengde wijk van Haifa. Salma’s vader is arts en directeur interne geneeskunde in het Rambam-ziekenhuis. In september begint Salma, die gedeeltelijk in de VS is opgegroeid, aan haar medicijnenstudie. Alins vader is loodgieter. Ze bezocht de regionale school, was lid van de jeugdafdeling van de communistische partij en werkt als officemanager bij Mossawa.

Beiden hebben van jongs af deelgenomen aan coëxistentieprojecten met joodse jongeren waar ze het vaak pijnlijke narratief van elkaar hoorden. Beiden zijn activist. Alin nam deel aan de demonstraties als protest tegen de discriminatie door de overheid. Arabische scholen hebben lagere budgetten en vooral voor buitenschoolse activiteiten is er geen geld. Als je al een einddiploma haalt, dan moet je nog het Jael-examen voor niet-joden afleggen. Het is op een hoog Hebreeuws niveau, wat voor veel studenten een obstakel is. Verder las ze op de sociale media dat joden bommen gooiden op de Al-Aqsamoskee en dat de joodse overheid Palestijnse families in Sheikh Jarrah wilde ontruimen. Toen iedereen de straat op ging, reageerde ze spontaan op een appje van een vriendin om mee te doen.

Ook Salma demonstreerde tegen de misstanden. ‘Ik besef dat ik bevoorrecht ben. Ik ben nog nooit opgepakt, ik leid een rustig leven. De politie heeft nog nooit een huiszoeking bij ons gedaan. Maar de Palestijnen hier en in de bezette gebieden zijn mijn volk en ik voel dat ik voor hen moet opkomen.’

Dus trokken ze in de avond van 10 mei de straat op. Alin beschrijft de nachtmerrie die volgde: ‘We liepen de Ben Gurionstraat op waar langzaam maar zeker steeds meer mensen verschenen. We verzamelden ons in groepen en riepen leuzen als “Free Palestine”. Na vijftien minuten kwam de politie te paard ons tegemoet. Plotseling begonnen undercover-agenten ons uit elkaar te duwen. De demonstranten hadden met opzet hun T-shirt in hun broek gestopt, zodat iedereen kon zien dat we geen wapens hadden. Het werd één grote chaos. Ik hoorde geluidsbommen en er was traangas. De politie sloot de ene kant van de straat af en ineens zag ik van de andere kant groepen joodse bendes met geweren verschijnen. We zaten als ratten in de val. In het geduw en getrek verloor ik mijn vriendin uit het oog. Ik was doodsbang en vluchtte een steeg in. Ineens ging er een voordeur open en werd ik door een vrouw naar binnen getrokken. Daarna heeft een vriend me met de auto opgehaald en in veiligheid gebracht.’

Dat het ook anders kan vertelt Wasim Nasser (30) uit Nazareth. Wasim is psycholoog en werkt als coördinator internationale belangenbehartiging en ontwikkeling voor Mossawa. ‘In het hoger gelegen deel van Nazareth, het joods-Arabische Nof HaGalil, was het afgezien van enkele gevallen van vandalisme rustig. Gemeenteambtenaren zagen de bui hangen. De joodse burgemeester en Arabische locoburgemeester sloegen de handen ineen en vroegen de joodse en Arabische influencers in de stad om de rust te bewaren. De plaatselijke politie had zich in alle wijken opgesteld en de toegang tot de stad afgezet zodat oproerkraaiers van buiten, vooral de joodse groepen die ik vergelijk met de Proud Boys in de VS, de stad niet in konden. Hier zie je hoe belangrijk lokale vertegenwoordigers zijn. We hebben te maken met zeer gewelddadige groeperingen die de veiligheid van ons allen bedreigen.’

150 kilometer verderop woont Basem Eid (63) met zijn vrouw en kinderen in Beit Hanina, een Palestijnse buitenwijk van Jeruzalem. Basem is pleitbezorger van de Palestijnse mensenrechten, politiek analist, publicist en veelgevraagd spreker over de Israëlisch-Palestijnse kwestie. Zijn taal is uitgesproken en direct.

Volgens Basem zijn Arabische ingezetenen van Israël trots op hun Israëlische nationaliteit. Ze hebben een veel beter en veiliger leven in een democratie dan in welke andere Arabische staat dan ook en dat willen ze niet opgeven. ‘Meer dan 35 procent van de Palestijnen in Jeruzalem heeft al een Israëlisch paspoort en er lopen nog steeds aanvragen. Als de trend doorzet is over enkele jaren zestig procent van de 140.000 Palestijnen in Jeruzalem Israëlisch en hoeft er over Oost-Jeruzalem niet meer onderhandeld te worden, want dan is het door zijn burgers al Israëlisch geworden.’

Over de rellen en demonstraties van de afgelopen weken is Basem kort. Via de sociale media wist iedereen dat er ’s avonds na het iftar-maal rellen in Jeruzalem zouden uitbreken. ‘Uit de teksten op de sociale media bleek dat de demonstraties gewelddadig zouden zijn, maar niemand van de Arabische leiders stond op en sprak zich uit tegen het geweld.’

De redenen voor die opstand waren volgens Basem gebaseerd op puur fake news. De Al-Aqsamoskee stond niet in brand en bij de huizen in Sheikh Jarrah ging het om een al jaren durende juridische eigendomskwestie en niet om politiek. De betreffende huizen waren eigendom van joden. Nadat zij in 1948 vluchtten uit Oost-Jeruzalem, stonden hun huizen leeg. Sheikh Jarrah werd een vluchtelingenkamp. De Verenigde Naties gaven de huizen in 1956 in gebruik aan Arabische vluchtelingen uit Lifta, maar verzuimden om het eigendom op hun naam te zetten. Dat kon ook niet, want de joodse eigenaren hadden het eigendomsrecht. De Hoge Raad moet zich hierover nog uitspreken.

‘In Jeruzalem doen de onjuiste en opruiende slogans op Instagram het vooral goed bij de jeugd’, zegt Basem, ‘en in het bijzonder bij jonge mannen die werkloos zijn en betaald worden om relletjes te schoppen. Ook vrouwen worden gebruikt om professioneel te protesteren op de Tempelberg. Enkele weken geleden kreeg mijn vrouw nog het aanbod om voor tweeduizend sjekel per maand bij de Damascuspoort te gaan demonstreren. Het geld voor die demonstranten komt uit Iran en wordt via Turkije betaald.’

Basem vindt het absurd om te denken dat Hamas raketten op Jeruzalem afvuurde om de huizen van zeven Palestijnse families te redden. ‘Zou een serieuze staat het leven van zijn eigen burgers en zeventienhonderd woningen in gevaar brengen en meer dan tweehonderd burgers opofferen om zeven huizen te redden? Hamas gaat over lijken en is uitsluitend uit op eigen gewin, namelijk om zijn eigen controle over de Palestijnen in Jeruzalem te vergroten en koffers vol dollars uit Iran en Qatar te incasseren. In Gaza laat Hamas jonge jongens in tienurige ploegendienst voor drie dollar per dag de tunnels graven. De mensen daar leven in permanente doodsangst en met honger terwijl Hamas miljoenen uitgeeft aan raketten. De Arabische burgers van Israël zijn nu ook slachtoffers van Hamas geworden. Het wordt tijd dat wij, de Arabische gemeenschap, dat onder ogen zien.’

De laatste gebeurtenissen in Jeruzalem, Lod, Acre, Haifa en andere Arabische en gemengde steden hebben volgens Basem de vreedzame coëxistentie tussen Arabische en joodse burgers die in 73 jaar tijd via onderwijs- en gemeenschapsprojecten voorzichtig is opgebouwd weer jaren teruggezet. Joodse en Arabische burgers wantrouwen elkaar nu. ‘Als ik in een omgeving van uitsluitend joden ben spreek ik tegen mijn vrouw en kinderen geen Arabisch. We durven de orthodox-joodse wijken niet in uit angst om vermoord te worden en we begeven ons niet in joodse menigten. Ik neem aan dat joodse burgers ook niet in Arabische wijken komen. De meerderheid van de Arabische bevolking vindt het vreselijk wat er is gebeurd. Dit is heel verdrietig.’

Basem wijst op het gebrek aan sterk leiderschap in de Arabische gemeenschap waardoor een relatief kleine minderheid onder invloed van onder meer Hamas in staat is om de meerderheid te dicteren.

Als ik aan Basem vraag of de internationale gemeenschap hierbij kan helpen, veert hij op. ‘We hebben elf zware dagen achter de rug en niets bereikt. Het wordt tijd dat iemand de leiding neemt. Wie helpt ons daarbij? Waar is de internationale gemeenschap? Waar is Europa? Verbergen zij zich in de tunnels met Hamas? Na elk conflict komt er een factfinding committee en een sponsorcommissie en wordt er weer geld in Gaza gepompt dat naar wapens gaat. De huizen die in 2014 door Israël zijn platgebombardeerd zijn nog steeds niet opgebouwd. Actievoerende buitenlanders gebruiken ons vaak als excuus om hun persoonlijke agenda’s te promoten. Ik zou willen roepen dat ze ons daarmee niet helpen, maar schade aanrichten.’

Als ik niet veel later door de oude binnenstad langs moskeeën, synagogen en kerken naar mijn auto loop, zie ik niet slechts de geschiedenis van de mensen hier, van de joodse en Arabische burgers en Palestijnen, maar ook van een zich steeds herhalende beweging van aantrekking en afwijzing, oorlog, conflict en de belofte van verzoening.

Joden, moslims en christenen – wie en wat wij mensen zijn, komt allemaal hier vandaan. De miljoenen stemmen uit het verleden, het heden en de toekomst, al die ogen die hetzelfde zonlicht zien, al die handen die dezelfde koele stenen van deze stad aanraken, alle verhalen die uit de muren zingen en gehoord willen worden. Een teruggang in de tijd is zeker mogelijk, maar een gezamenlijke toekomst is zoveel interessanter.

Zoals Hasan uit Tayibe zegt: ‘Mijn opa was getuige van de Nakba en mijn kleinkind trouwt misschien met een jood.’