Ontlezing? Het ligt niet aan de jeugd

Alom klinkt bezorgdheid over ontlezing. Vooral kinderen en jongeren lezen steeds minder. Maar wat is lezen? En als ze al minder lezen, hoe komt dat dan?

Hoeveel kinderen die nu geboren worden zullen over 25 jaar nog een stukgelezen boek in de kast hebben staan? En als je afgaat op de vele sombere berichten over de ongelijke strijd tussen scherm en boek en de almaar toenemende ontlezing, moet je je dan niet afvragen of deze kinderen over 25 jaar überhaupt nog wel een boek in huis hebben?

«Elke nieuwe generatie telt minder lezers van boeken, kranten en tijdschriften dan de vorige», stelde het Sociaal en Cultureel Planbureau eind 2004 in zijn publicatie Achter de schermen: Een kwart eeuw lezen, luisteren en internetten. En een eerste blik op de statistieken toont aan dat «minder lezers» schrikbarend weinig is. Van de 20- tot 34-jarigen las in 2000 nog maar 46 procent een tijdschrift, nogmaals 46 procent een krant en 27 procent een boek. Daardoor is de tijd die per week aan boeken wordt besteed sinds 1975 met een derde gedaald naar gemiddeld krap vier uur. Voor twaalfplussers ligt de leestijd per week nog veel lager: in 2002 lazen zij slechts 28 minuten fictie, meldt Stichting Lezen, die sinds 1988 strijdt voor meer leesplezier en een optimale leescultuur voor kinderen en jong volwassenen.

Reden tot zorg? Ligt onze toekomst inderdaad in handen van zwaarlijvige onwetende cultuurbarbaren zonder literaire competentie en historisch besef, die hun dagen hangend voor computer en televisie slijten? Doemdenkende cultuurpessimisten vrezen het ergste. Maar hoe verontrustend is het leesgedrag van kinderen en ado lescenten eigenlijk? Hebben we wel een juist beeld van de «ontleesde» jeugd als we ons realiseren dat internet een beeldscherm is dat voornamelijk met letters en woorden wordt gevuld?

Joris Hofmans, werkzaam bij communicatiebureau JuniorSenior, dat on langs een online-onderzoek deed onder 2500 kinderen en jongeren van zes tot achttien jaar naar hun cultuurvoorkeuren, vertelt dat de jeugd de afgelopen vijf jaar aanzienlijk meer is gaan lezen dankzij het internetten en «computeren»: «Je moet de vereiste leesvaardigheid voor het spelen van internetspelen en games niet onderschatten. Allerlei moeilijke vaak Engelse tekstuele taken moeten worden uitgevoerd wil je het spel volbrengen. Internet en ook televisie worden ten onrechte beschouwd als alleen entertainment. De nieuwe media dragen juist veel informatie en boodschappen uit.»

Hofmans heeft gelijk. De opmars van bijvoorbeeld goede historische websites en informatieve sites van cultuurhistorische instellingen is opvallend. En een derde van Hofmans’ jonge respondenten gaf aan dat ze veel informatie over musea, toneelvoorstellingen en films op televisie gehoord en gezien hadden. Een leuke wetenswaardigheid is dan ook dat uit recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat ongeveer de helft van de jongeren jaarlijks een museum bezoekt en dat jongeren oververtegenwoordigd zijn onder de bezoekers van musea, theaters, bioscopen én bij de actieve kunstbeoefening.

Kennelijk valt het nogal mee met de cultuurmijdende jeugd. En lezen, in ieder geval «functioneel lezen», kunnen veel Nederlandse kinderen buiten gewoon goed, bewijst de uitkomst van Progress in International Reading Literacy Study (2003), een groot verge lijkend onderzoek in 35 landen naar het tekstbegrip van negen- en tienjarigen. Alleen Zweedse kinderen blijken beter te lezen dan Nederlandse. Dat is een veel beter resultaat dan in 1991, toen Nederland op een lage 21ste plaats eindigde.

Nog meer hoopgevende berichten: slechts acht procent van Hofmans’ respondenten zegt nooit een boek te lezen. Uit het onlangs door Stichting Lezen uitgevoerde onderzoek Leesgedrag Kinderen uit Groep Zeven en Acht blijkt dat negentig procent van deze groep basisschoolleerlingen wel eens in een bibliotheek komt. Een overgrote meerderheid van de jeugd (85 procent) leest een boek het liefst in een stille omgeving, (dus hoeven we nog niet te vrezen voor het verdwijnen van het gedrukte boek) en Francine Oomen staat al weken met Hoe overleef ik van alles en nog wat in de CPNB-Bestseller 60.

Opvallend aan de vele (ook hierboven aangehaalde) onderzoeksgegevens zijn de elkaar tegensprekende resultaten over de mate van ontlezing onder kinderen en jongeren, die voortkomen uit het feit dat verschillende definities van lezen en ontlezing worden gehanteerd.

Worden internetteksten en producthandleidingen meegerekend als leesmateriaal, dan valt de ontlezing alleszins mee. Als ontlezing echter letterlijk «niet meer lezen» betekent, is onder laagopgeleide en allochtone jongeren een zorgelijke ontwikkeling gaande. In een door letters en kennis gestuurde samenleving is het onacceptabel dat ongeveer tien procent van de vijftien jarigen functioneel analfabeet is en niet zelfstandig een treinkaartje kan kopen.

«Steeds meer onderzoeken wijzen uit dat het slecht gesteld is met het tech nische leesonderwijs», vertelt Margreet de Vries, directeur van Stichting Lezen en Schrijven die het analfabetisme in Nederland bestrijdt: «Allochtone kin deren hebben in groep 8 van het basisonderwijs gemiddeld een leesachterstand van een jaar, en recent klein schalig onderzoek van het Centrum voor Innovatie van Opleidingen wijst uit dat twintig procent van de leerlingen aan de onderkant van het beroepsonderwijs laaggeletterd is.» Deze jongeren surfen niet op internet en doen dus niet mee aan een online-jongerenonderzoek zoals dat van communicatiebureau JuniorSenior. Gegevens dienen daarom voorzichtig te worden geïnterpreteerd.

Behalve de groep jongeren die aan laaggeletterdheid lijden, is er een grote groep wél lezende jongeren die aan «culturele ontlezing» lijden. Uit tijdsbestedingonderzoek blijft het sombere beeld opdoemen dat jongeren inderdaad steeds minder verhalend proza en poëzie lezen, en het mag duidelijk zijn dat het internetspel Dragonball Z en Oomens Hoe overleef ik-reeks niets bijdragen aan literaire competentie.

Maar noch laaggeletterdheid, noch «culturele ontlezing» is de schuld van de jeugd. «In het onderwijs ligt te veel nadruk op leuk», vindt De Vries, «en dat gaat ten koste van het taalonderwijs, waar het aanleren van basisvaardigheden er te vaak bij inschiet. De overheid moet beter aangeven welk minimum niveau het onderwijs moet hebben.»

Medewerker literatuureducatie bij Stichting Lezen Martijn Nicolaas pleit daarom voor een combinatie van leerling- en cultuurgericht onderwijs: «Met een leeslijst van vier vrij te kiezen titels per jaar zul je geen enkele leerling literaire competentie bijbrengen. Daar zijn meer boeken voor nodig en daar is meer tijd voor nodig. Maar tijd is helaas door de invoering van het Studiehuis verdwenen. Leerkrachten zouden leerlingen veel en gevarieerde literatuur moeten aanbieden, ze veel laten proeven. Niet dwingen, maar laten proeven. Door voor te lezen, door te vertellen, door in de klas enthousiast over taal en boeken te spreken. Internet kan daarbij een rol spelen en moet niet als een bedreiging maar als een kans worden beschouwd.»

Kortom, het zijn de ouderen die falen. De overheid, de beleidsmakers, de onderwijsvernieuwers en de opvoeders. Leerlinggericht onderwijs en natuurlijk leren moeten tegenwoordig het moderne kind klaarstomen voor de toekomst. En «leuk» is het toverwoord. Kennis overdracht hoeft niet meer. De jeugd moet zelf haar vaardigheden ontdekken en dan gaat ze vanzelf met plezier naar school. In het verlengde van die gedachte geloven de optimistische vernieuwers dat kinderen uit zichzelf een boek grijpen als een onderwerp ze interesseert, maar dat gebeurt niet als niemand ze op sleeptouw neemt in die talige wereld van verhalen en ideeën, als niemand ze laat ruiken aan en proeven van de boekenstapels die op ze liggen te wachten.

Waarlijk democratisch onderwijs moet uitgaan van de kracht en het meesterschap van de leerkracht. Docenten, onderwijzers en opvoeders moeten kinderen niet begeleiden, maar leiden. Ze moeten kinderen door een nieuwe wereld gidsen en ze de betekenis van taal en verhaal laten ontdekken. De jeugd maakt de toekomst, maar de ouderen maken de jeugd. Ze heeft zeker culturele belangstelling en potentie, zoals blijkt, maar wij laten haar aan haar lot over en noemen dat kindgericht. Als kinderen die nu geboren worden over 25 jaar het fenomeen stukgelezen boek niet meer kennen, ligt dat aan onszelf.

Voor informatie over cultuurvoorkeuren van jongeren: www.datvindikervan.com en www.dagvandecultuureducatie.nl.

Voor informatie over Stichting Lezen: www.lezen.nl.

Voor informatie over Stichting Lezen en Schrijven:
www.stichtinglezenenschrijven.nl