Toon Verhoef, Geen titel, 2020. Acryl en olieverf op linnen, 150 x 90 cm © Peter Cox, Eindhoven / Galerie Onrust, Amsterdam

Toon Verhoef begon pas aan een schilderij als hij de vormconstructie eerst had voorbereid in een aparte tekening. Zo is zijn eigen manier van werken. Ik wil het hier hebben over de status van die tekening. Eigenlijk werd die gemaakt nog voor er van een schilderij sprake was. De tekening ontstond op zijn eigen manier als een autonome verbeelding: klein van formaat, van dichtbij gemaakt, de vormgeving klein en geconcentreerd, compact als het klokwerk van een horloge.

In de kleine tekening zitten alle figuren en kleuren opgevouwen

In Verhoefs werkwijze komt verbeelding op gang in een plompverloren tekening die doorploegt – op steeds hetzelfde stuk papier, als een palimpsest, totdat zijn figuratie voltooid is. Het schilderij is vervolgens de grote versie van de tekening waarvan de vormgeving zo nauwkeurig wordt gevolgd. Op deze bladzijde staat een voorbeeld: de kleine tekening en een groter schilderij met hetzelfde motief. De tekening was een samenvatting van een alreeds compacte vormgeving. Die verschuift dan in het grotere formaat van een schilderij. De samenvatting kwam terecht in de bredere ruimte van het schilderij. De compactheid van de tekening wordt wonderbaarlijk losser. Zoals klanken die in een kleine ruimte benauwd klinken maar dan in meer ruimte volumineuzer gaan galmen en weerklinken als een echo. Eigenlijk is een groot schilderij de echo van een beperkte tekening.

Dus, Verhoef begon op een stuk papier met een schets. Dat waren eerste vormkrabbels en gekrabbelde kleuren die uiteindelijk een schilderij werden. Er zat eerst nog maar weinig richting van vorm in dat eerste geknutsel op papier. Het was vooral kijken wat ontstond. Een schilderij was nog ver weg. De schets, nog steeds op hetzelfde stuk papier, evolueerde. De verbeelding werd voller. De schets was impulsief begonnen. Geleidelijk ontstond er verdichting in de verknoping van vorm en kleur. Langzaam begon er meer richting in het beeld te ontstaan dat steviger werd. De schets werd studie en toen ook ontwerp. Op zeker moment kwam, heel voorzichtig, een schilderij in zicht.

Toon Verhoef, Schets 8 september 2020. Gemengde techniek, collage, olieverf, acryl en lexaan op papier, 22,5 x 15 cm © Courtesy Galerie Onrust

De balustrade bijvoorbeeld, van geel, onderin, begon een beeld van ruimte aan te duiden. De schets werd een model. Toen begon het tekenen langzamer te worden. Het model ontpopte zich tot voorbeeld voor een schilderij. Er bewogen flarden van rode figuren die eruitzagen of ze gescheurd waren. Wat gebeurde daar? Het tekenen ging bedachtzamer. Eerst was de tekening een schets waarin vooral ontdekt werd. Nu het een voorbeeld voor een schilderij leek te worden, kreeg het tekenen met passen en meten te maken. Op dat punt gekomen, is de tekening in wezen voltooid. Het blad heeft dan een beeldende dichtheid bereikt waar de kunstenaar mee tevreden kan zijn. De verbeelding is vol en levendig genoeg om er, stel ik me voor, zich een schilderij van voor te stellen.

De tekening was gemaakt op een blad papier van 22,5 x 15 centimeter. De maat van het schilderij, dat zonder titel is, is 150 x 90 centimeter. De voorstelling gaat dan van klein naar groot. Zij wordt verplaatst in meer ruimte. Ik kijk dus naar hoe picturale levendigheid zich tussen zulke oneven maten heen en weer beweegt. Eerst echter dit: dat het schilderij groot is en de tekening klein, is een methodisch principe in de manier waarop Verhoef zijn kunst maakt. Het is een ernstig principe van beperking, zo ernstig als Mondriaans beperking met rechthoeken en drie kleuren. Misschien is beheersing van vorm en figuratie een beter woord dan beperking. In de nauwkeurige maat van de kleine tekening zag ik vooral een hechte vormgeving ontstaan.

De figuren dwarrelen in grote vrijheid. Ze zijn scherp gesneden. Kleuren wapperen desondanks in de wind. In die strakke beheersing is tegelijk ook veel beweging. Dat komt doordat, in het kleine formaat van de tekening, de figuren ook wat vormloos zijn. Ze fladderen. Anders gezegd: het lijken ook vormen die merkwaardig op het punt van ontluiking staan. Is dat dan de ernstige vertelling in Verhoef zijn kunst? Ineens, op zoek naar woorden zoals de kunstenaar vormen zoekt, zie ik zo’n kleine tekening, in vorm onnavolgbaar als een miniatuur, als de knop van een bloem. Als die knop begint te zwellen zit de bloem met al zijn geplooide bladeren erin nog verborgen – zoals de verknoopte figuren in een kleine tekening. Het schilderij intussen is groot, het reikt met zijn brede formaat in de ruimte. In de kleine tekening zitten als in de bolle knop alle wonderlijke figuren en alle kleuren samen opgevouwen. Het schilderij maakt de bloem van kleuren open. Ze waren als in de kleine tekening. In het schilderij zien we dat er ruimte en licht bij gekomen zijn. In het hangende groen binnen langs de rand is, in het schilderij, net wat meer beweging in de kleur. Bloemen die opengaan zijn sprookjes.