H.J.A. Hofland

Ontluikende gedachten over de aftocht

Het verboden begrip heeft in de hoogste kringen van de Amerikaanse regering sluipend zijn intrede gedaan: «exit-strategie». Hoe komen we er met goed fatsoen weer uit? «Als de voorlopige regering van Irak ons vraagt te vertrekken, vertrekken we», zei hoge commissaris Paul Bremer. «Het is onwaarschijnlijk dat het zal gebeuren, maar we blijven niet in landen waar we niet welkom zijn.» Er is geen Iraakse regering, ook geen voorlopige, er is geen officiële soevereiniteit, er zijn geen verkiezingen geweest, er is nog geen spoor van internationaal erkende legitimiteit. Maar in de logica van deze Amerikaanse regering is dat nooit een bezwaar geweest. Het hoge woord is eruit.

Exit-strategie is sinds Vietnam een beladen begrip. Het houdt in dat degenen die aan een grote onderneming beginnen rekening houden met de mislukking. De tegenstanders van deze oorlog hebben lang voor hij begon gevraagd of er ook aan een nooduitgang was gedacht. Door de krijgshaftigen overal in het Westen werden ze beschuldigd van défaitisme en in Amerika, nog erger, van onvaderlandslievendheid. Na 1 mei 2003, officieel het einde van de major operations, leek er geen vuiltje aan de lucht. De nieuwe werkelijkheid begon te dagen met de aanslag op het hoofdkwartier van de VN in Bagdad en de dood van de hoge vertegenwoordiger Sergio Viella de Mello. De VN vertrokken. De aanslagen werden talrijker.

Toen al begon The Economist, verklaard voorstander van de oorlog, zich zorgen te maken. De cover van 20 augustus 2003 is een tekening waarop een angstig kijkende Amerikaanse soldaat een karrenvracht aan hypermoderne wapens torst en daarbij ook nog Afghanistan en Israël-Palestina op zijn nek heeft. «Show me the way to go home», staat erbij. In Washington was het woord «exit» nog altijd taboe, als er al aan werd gedacht.

Voor het eerst zag ik de exit-optie door de oorlogspartij in Amerika serieus aangesneden in The National Interest, een kwartaalblad van conservatieve signatuur (Henry Kissinger zit in het bestuur). «Doet Irak terzake?» vraagt Morton Abramowitz zich af. «Amerika is een wereldmacht van dusdanige omvang dat het zich een vroeg terugtrekken uit Irak kan veroorloven. De wereld zal in alle belangrijke kwesties van ons afhankelijk blijven.» Bekijk het dus eens van een andere kant. «Vasthouden aan de koers zou wel eens kunnen betekenen dat we ons verder moeten ingraven. Het enige wat we met een benadering van zekerheid kunnen zeggen is dat, of we nu blijven dan wel vertrekken, het in Irak voorlopig een rotzooi zal blijven. Een kostbare rotzooi die ons nog veel energie zal kosten en waarover nog lang het publieke debat zal worden gevoerd.»

Impliciet introduceert Abramowitz hier in één zin een rechtvaardiging voor de aftocht. Wat we ook doen, een rotzooi blijft het. «Is Irak ons dit alles waard?» vraagt hij. Een duidelijk antwoord geeft hij niet. Maar in dit geval is dat ook niet nodig. Naar de maatstaven van de hoogste moraal gemeten is het een cynisch essay. Het is ook een mooi voorbeeld van realpolitische theorie. En het is de logische consequentie van het unilateralisme. Goed, zegt Abramowitz, we zijn naar Irak gekomen om jullie de democratie bij te brengen, we hebben er een puinhoop van gemaakt. Als jullie dat liever willen, dan moet dat maar. Zonder jullie blijven we ook de baas van de wereld.

Veel subtieler en met andere argumenten en motieven beredeneert de Amerikaanse diplomaat Peter W. Galbraith in zijn essay How to Get out of Iraq (New York Review of Books, 13 mei 2004) de onvermijdelijkheid van de exit. Hij denkt aan een constructie van drie deelstaten, op den duur. Voor het zo ver kan komen, zullen er nog veel miljarden moeten worden ingepompt, en enig vechten zal ook onvermijdelijk zijn. Bovendien heeft Washington nog steeds de eenheidsstaat met een gemeenschappelijk leger voor ogen. Volgens Galbraith een onhaalbare oplossing.

Nu het Nederlandse aandeel in de chaos. Onze soldaten zijn erheen gestuurd toen alles betrekkelijk rustig was, in de verwachting dat het zo zou blijven en dat ze daar, tot de onvermijdelijke goede afloop, als gewapende sociale werkers zouden optreden. Dat was de materiële inhoud van het contract. Nu nadert de oorlog ons vredesgebied. Dat betekent de eerste principiële verandering van het contract. «Niet wijken voor terreur!» wordt in de Tweede Kamer geroepen. Een groepje kamerleden gaat ter plaatse poolshoogte nemen. Dat is wel het minste wat ze kunnen doen.

Maar wordt straks, bij de beslissing over verlenging van de militaire aanwezigheid, ook de veranderende politieke context in aanmerking genomen? Wat denken de Nederlandse arabisten ervan? Onze diplomaten en ex-diplomaten? Britse en Amerikaanse collega’s hebben zeer kritische brieven naar hun regering geschreven. Je zou ook de mening van de Nederlandse deskundigheid willen horen.

Want wat binnenkort wel eens het belangrijkste zou kunnen zijn: door deelgenoot te worden in de Coalition of the Willing heeft Den Haag zijn Irak-politiek bij Washington ingeleverd. Blijft dit Amerikaanse beheer van kracht als de exit-strategie zich verder zou ontwikkelen? Als de aftocht voor de Amerikaanse kiezer verteerbaar wordt gemaakt, of zelfs tot een triomf voor Bush wordt omgebouwd? Want onderschat de grootstrateeg van de propaganda, Karl Rove, niet. Zijn massavernietigingswapen Saddam Hoessein blijft nog even in reserve. Is er een toekomst denkbaar waarin het Amerikaanse leger is verdwenen en onze omstreeks duizend man, niet wijkend voor het terrorisme, hun welzijnswerk in Al Muttanah voortzetten? Moge de Tweede Kamer zijn licht over dit alles laten schijnen.