Ontmanning van portugal

Laat een potentiële lezer zich niet afschrikken door het kinderachtige plaatje van een matroos op de voorkant. De ontwerper van het omslag zal verkeerd zijn ingelicht. In het eerste verhaal komt een zeekapitein voor die papegaaien meebrengt naar huis en in het laatste verhaal is de achttienjarige die in Las Palmas gaat stappen een lichtmatroos, maar verder is het een bundel met beklemmende verhalen over kazernes, jongensprostituees en oorlogsvluchtelingen, waarop je niet als etiket een sullige zeeman met schuitje op z'n arm en papegaai op de schouder kunt plakken.

Voor wie maakt de uitgever zo'n boek? En wie houdt hij voor de gek? Dan heb ik het nog niet over een slordigheid als de sterfdatum van de auteur, 1998 in plaats van 1978. Maar als de flap mij vertelt dat de negen verhalen, door de auteur gesitueerd tussen 1928 en 1961, ‘op ware gebeurtenissen uit drie decennia Portugese dictatuur gebaseerd zijn’, zijn mij bij lezing allerlei dingen ontgaan, óf beschikt de uitgever over andere informatie, óf hij jongleert casuïstisch met het begrip 'gebaseerd op’, óf hij parafraseert vrijmoedig het nawoord van de vertaler. Sena zelf had het over 'fenomenologisch realisme’, wat dat ook moge wezen; maar in de verhalen worden geen ware en al zeker geen politieke gebeurtenissen beschreven. Net zomin trouwens als in de eerder vertaalde roman, Tekens van vuur, die tot het grotere plan behoorde waarvan ook deze verhalen deel zouden uitmaken. De roman speelde zich af in de tijd dat in Portugal de effecten van de Spaanse burgeroorlog volop voelbaar waren. Toch ging het niet zomaar om een op ware gebeurtenissen gebaseerd verhaal. Wat er werkelijk gebeurde was de persoonlijke 'burgeroorlog’ waarmee een adolescent in een bourgeoismilieu te kampen had, te midden van een algehele, ook politieke verwarring.
Gelijktijdigheid - van verschillende handelingen en personages, van het grote en kleine - is ook een kenmerk van de verhalen in De grootkapiteins. Ze zijn ongeveer in dezelfde tijd geschreven als ander belangrijk werk, toen Jorge de Sena (1919-1978), nadat hij in 1959 betrokken was bij een poging om in Portugal de democratie te herstellen, in Brazilië woonde.
Aan het eind van elk verhaal staat precies wanneer het geschreven is - alle negen verhalen tussen maart 1961 en juni 1962 - en aan het begin staan telkens plaats en jaar waar het zich zou hebben afgespeeld. Sena noemde het 'fictieve dateringen’; in een postscriptum van mei 1974, dus vlak na de Anjerrevolutie, typeerde hij de bundel als 'een bittere en heftige kroniek van dat tijdperk van ontbinding van de westerse wereld en van die periode van tirannie die Portugal castreerde.’ Zo'n kroniek is duidelijk iets anders dan een verslag van 'schokkende gebeurtenissen’.
'Castreren’ klinkt nogal pathetisch, maar verwees expliciet naar de verhalen waarin mannen, als ze naar 'de andere kant’ overgingen, bang waren dat ze geen man meer zouden zijn. Voor Portugese mannen was het even erg voor flikker te worden aangezien als voor communist. Voor bewezen diensten vrijgehouden en betaald te worden, geeft hoererende jongens - en misschien ook de schrijver - een zekere vrijheid, al is het maar omdat armoede dan de echte dader genoemd kan worden: ze zijn het slachtoffer van verstikkende omstandigheden.
Sena gebruikt twee keer eenzelfde citaat van Hesiodus, voorin de hele bundel en bij een apart verhaal. Daarin staat dat Uranus, de oudste heerser van het heelal, door zijn zoon Cronos van zijn mannelijkheid werd beroofd, waarna het bewuste ding lange tijd verloren ronddobberde. Aan de lezer om die oer castratie op de verhalen toe te passen; dat vergt wat vertaalwerk. Inderdaad gaat het behalve om castratieangst in de verhalen vaak om zelfrijzende machtsfiguren, zoals een 'mythische’ vader, een tirannieke legerkapitein of scheepscommandant, vertegenwoordigers van 'het commanderend deel der mensheid’; daarop slaat ook de titel De grootkapiteins en de vertaler laat in zijn nawoord, dat tevens een doordacht leesverslag is, overtuigend zien hoe dit leidmotief van 'de grote leiders’ met andere thema’s verbonden is. Hij wijst ook op de vele motto’s waarmee de verhalen zijn opgetuigd. Dat Sena de bundel daarmee in een breder interpretatiekader plaatst zegt even weinig als het begrip 'intertekstualiteit’ in dezen; het ligt meer voor de hand dat de geciteerde auteurs de literaire status van de verhalen moeten verhogen en daardoor de auteur tegen platte verwijten van realisme beschermen.
Tegen Byron kan geen Pide (Portugese geheime politie) op; Flaubert plaatst de marteling van een rekruut in een ander, minder herkenbaar daglicht.
Ik noemde al de tweevoudige dateringen van de verhalen, wanneer ze zich afspelen en wanneer ze zijn geschre ven; er zijn bij dit boek andere data in het spel die voor de huidige lezer van de vertaling al even moeilijk voorstelbaar zijn. Oorspronkelijk was de bundel gepland voor 1972; twee verhalen eruit waren in tijdschriften gepubliceerd, kennelijk de meer onschuldige: 'Hommage aan de groene papegaai’ ('Lissabon, 1928’), over een ontroerende vriendschap van een eenzame jongen met een robuuste papegaai die hem beschermt tegen het geruzie van een tirannieke vader, de scheepskapitein, en een hysterische moeder; en 'De “Goede herder”(’ ('Porto, 1943’), over een doodzieke, armoedige rekruut die door de keurders getreiterd maar door een van hen een beetje geholpen wordt.
Toen de bundel in 1976, dus al na de revolutie, uitkwam, vond Sena enkele verhalen toch nog te link. In 'De struikrovers’ ('Trás-os-Montes, 1953’) wordt verteld over Spaanse oorlogsvluchtelingen die door de Portugezen terug de grens over werden gezet. 'Capalanga antwoordt niet’ is niet voor niets geografisch wat vager aangeduid als 'Afrika, 1961’: een Portugese patrouille krijgt over de veldradio geen antwoord meer; drie met cijfers 401, 54 en 37 aangeduide soldaten vertegenwoordigen verschillende soorten betrokkenheid. Een van hen schiet de andere twee overhoop, omdat iemand toch ooit eens moest boeten voor wat 'ze’ hem hadden aangedaan.
Pas in 1982, na zijn dood, is de bundel van Sena volledig gepubliceerd. Hoewel hij elders woonde heeft hij tijdens zijn leven dus nooit zijn werk gepubliceerd gezien zoals hij het geschreven had: voor wie het nu leest stralen de bitterheid en angst die de verhalen beheersen ook van de bundel zelf af. Dat maakt het de nieuwe lezer niet gemakkelijk.