Geëngageerde hoogleraren laveren tussen wetenschap en kritiek

Ontmaskeraars van de goede smaak

Wetenschap is ook politiek bedrijven, vinden de drie recent aangestelde professoren moderne Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens, Geert Buelens en Jos Joosten. Ze bemoeien zich actief met het literaire debat. Vaak tot veler ergernis.

OM TE BEGINNEN, een geruststellende mededeling voor literaire schrijvers en critici die de laatste weken hun zorgen hebben uitgesproken over de toekomst van de letterkundige faculteiten: het gaat daar goed. Oké, nog iets te vaak wordt literatuur behandeld als een geïsoleerd bolwerk van verheven ideeën. Weinig studenten zitten nog te wachten op de versinterne poëtica van Martinus Nijhoff, of een tekstimmanente structuralistische visie op De donkere kamer van Damokles, die desondanks nog steeds verplichte kost zijn. Maar gelukkig, er is meer dan dat. In andere colleges, bijvoorbeeld die van Thomas Vaessens en enkele andere jonge docenten, wordt benadrukt hoezeer literatuur niet los is te zien van de geschiedenis, de filosofie en andere kunststromingen. Er is in deze colleges ook aandacht voor de oneindige verwevenheid van teksten door intertekstualiteit en meerstemmigheid. En het zal de literaire schrijvers en critici goed doen dat de nadruk daarbij nog altijd ligt op gecanoniseerde schrijvers en dichters, op ‘moeilijke literatuur’.
Het zal hen wellicht minder plezieren dat er aandacht is voor Kluun. En behalve Nijhoff, Van Ostaijen, Bordewijk, Vestdijk, Haasse, Reve, Hermans en Kellendonk lezen studenten ook De gelukkige huisvrouw van Heleen van Royen. Voor een generatie die is opgegroeid zonder een vanzelfsprekende transcendente waarde van literatuur is dat overigens niet meer dan logisch. Hoge en lage cultuur lopen voor ons immers wat meer door elkaar. Daarom waren we ook niet verrast toen we te horen kregen hoe marginaal de gecanoniseerde schrijvers vaak waren geweest. Willem Elsschot werd in zijn tijd nauwelijks gelezen, het waterscheidende literaire tijdschrift Forum van E. du Perron en Menno ter Braak had op zijn hoogtepunt driehonderd abonnees, dé bestsellerauteur van de jaren vijftig was niet Gerard Reve, maar de nu volstrekt onbekende Willy Corsari. Natuurlijk vinden wij het ene boek beter of mooier dan het andere en uiteraard leeft het idee dat Kluun de Willy Corsari van deze tijd is. Maar het willen definiëren van dé literatuur, in de ogen van sommigen van ons zelfs een betekenisloos etiket, daar maken maar weinig studenten zich druk om.
Interessant dat de oudere generatie schrijvers en critici dat nu wel doet. De aanleiding is Vaessens’ studie De revanche van de roman, die drie achtereenvolgende weken in De Groene Amsterdammer werd besproken en ook in andere kranten en tijdschriften veel aandacht kreeg. Vaessens wist al voor de presentatie van zijn boek de aandacht op zich te vestigen door in interviews te pleiten voor een geëngageerde literatuur, waarin stijl van ondergeschikt belang zou zijn, waarin het vooral ging om de boodschap. Hij ontvouwde een prescriptief literatuurprogram dat zo kolderiek was dat boze reacties niet uit konden blijven. Zijn pleidooi was een omkering van het literaire adagium dat de boodschap ondergeschikt is aan de stijl. Heisa, boze reacties én aandacht voor zijn boek verzekerd.
De cruciale vraag is: was hier een wetenschapper aan het woord? Alleen op basis van De revanche van de roman zou je zeggen van wel. Hoewel de argumentatie van het boek – wellicht kunstmatig – zodanig is omgebogen dat er inderdaad een zeer positief oordeel aan geëngageerde literatuur wordt verbonden, is De revanche van de roman vooral een weergave van de teloorgang van een verheven literatuurideaal en een weerslag van de pogingen die schrijvers ondernemen om ook in een niet-literair klimaat relevant te blijven. Toch valt niet uit te sluiten dat het boek dient als wetenschappelijke onderbouwing van een politiek pleidooi. Vaessens’ pleidooi voor geëngageerde literatuur is vooral een oproep aan zichzelf en zijn beroepsgroep: laat de buitenwereld zien dat wij bestaan! Niet de schrijver, maar vooral de literatuurwetenschapper moet van Vaessens zijn ‘verliteratuurde universum’ verlaten. En zijn optreden rond zijn boek is daarvan een perfecte demonstratie.

HOE ZIET HET program van de geëngageerde literatuurwetenschapper eruit? De omschrijving komt op veel punten overeen met Vaessens’ definitie van de geëngageerde schrijver: deze wetenschapper is een publieke intellectueel, hij ontplooit zijn activiteiten niet enkel aan de universiteit en in zelden gelezen vakbladen, maar ook in kranten, op internet, door middel van lezingen en literaire debatavonden. De geëngageerde literatuurwetenschapper schrikt er niet voor terug om af en toe een stevige mening te verkondigen. Ook is hij niet bang om beschuldigd te worden van belangenverstrengeling. Het uiteindelijke doel van de geëngageerde literatuurwetenschapper is een prominente rol in het literaire debat. Dat betekent dat hij ook in literatuurjury’s plaats kan nemen, of literair criticus kan zijn. Een rol als afstandelijke observator is niet langer genoeg, de literatuurwetenschapper mag een smaakmaker zijn en de opinie bewust beïnvloeden.
Naast Vaessens kunnen ook Jos Joosten en Geert Buelens gezien worden als verpersoonlijking van dit nieuwe type literatuurwetenschapper. Niet toevallig zijn zij vrienden met een vergelijkbaar carrièreverloop. Vaessens, Buelens en Joosten (in Elsevier al eens de Kwik, Kwek en Kwak van de literatuurwetenschap genoemd) werden vrijwel gelijktijdig benoemd tot hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde: Buelens – op 34-jarige leeftijd – aan de Universiteit Utrecht in mei 2005, Vaessens aan de Universiteit van Amsterdam in juli 2005 en Joosten aan de Radboud Universiteit Nijmegen in februari 2006. De generatiegenoten, ze zijn alledrie rond de veertig jaar oud, onderhouden al zo’n vijftien jaar intensief contact. Ze bezoeken elkaars lezingen, schrijven soms samen een boek (Vaessens en Joosten, Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen) of artikel en spreken regelmatig onder het genot van een biertje over literatuur, de wetenschap en privé-zaken. Gevraagd naar hun geestelijke verwantschap antwoordt Vaessens: ‘We houden alledrie nogal van het leven.’
In hun werk is Pierre Bourdieu een graag geziene gast. In zijn boek Les règles de l’art ontwikkelde de Franse socioloog het idee dat de waarde van kunst niet intrinsiek aanwezig is, maar wordt toegekend door de machthebbers binnen het culturele veld. Zij hebben het monopolie op smaak, bepalen het verschil tussen hoge en lage kunst. In het werk van de drie hoogleraren Nederlandse letterkunde komt dit gedachtegoed terug in de ontmaskering van het elitaire smaakoordeel en de nadruk op de relatie tussen literatuur en de werkelijkheid. Zo noemt Vaessens de smaakmakers in De revanche van de roman doorlopend ‘poortwachters’ en vertegenwoordigers van ‘de republiek der letteren’, wat een beeld oproept van een onneembaar bastion van Goede Smaak.
Geert Buelens schrijft in zijn boek Oneigenlijk gebruik: Over de betekenis van poëzie over het zelfverklaarde isolement van ‘de dichter’: ‘Op den duur moest het ook hem opvallen dat zijn wereld steeds meer op een reservaat begon te lijken.’ En verderop: ‘De nadruk op het (…) ultiem zelfreferentiële karakter van kunst en literatuur is historisch perfect te verklaren en begrijpen, maar werkt vandaag eerder verlammend dan inspirerend.’ Vervolgens plaatst Buelens zelfs de meest ondoorgrondelijke autonomistische poëzie terug in de werkelijkheid en naast de gecanoniseerde dichters analyseert hij ook de populaire cultuur. Dus naast Hans Faverey en Gerrit Kouwenaar komen ook The Beatles, Bob Dylan en De Jeugd van Tegenwoordig voorbij om te laten zien wat poëzie nu eigenlijk is. Het oneigenlijke gebruik uit de boektitel slaat voor Buelens zowel op een bijzondere omgang met taal als op de manier waarop poëzie dikwijls is gebruikt als propagandamiddel.
In het werk van Jos Joosten is de literatuursociologie van Bourdieu alomtegenwoordig. De ondertitel van zijn vorig jaar verschenen essaybundel Misbaar zegt wat dat betreft genoeg: Hoe literatuur literatuur wordt. In Joostens visie is literatuur een subjectief kwaliteitsstempel dat wordt toegekend. Met zichtbaar genoegen probeert hij smaakoordelen van literaire critici van hun zweem van objectiviteit te ontdoen, om aan te tonen dat hun oordeel in grote mate is gebaseerd op vooronderstellingen over wat nu wel of niet literair is. Typerend voor Joostens aanpak is een essay over Kluuns Komt een vrouw bij de dokter. Het negatieve waardeoordeel van de critici in de literaire katernen van de traditionele media is volgens Joosten sterk bepaald door twee aannames. Eén: dat de hoofdpersoon gelijkgesteld kan worden aan de schrijver. Twee: dat boeken die dicht op het leven van de schrijver staan, minder literair zijn. Maar volgens Joosten kun je ook zeggen dat Kluun de oppervlakkigheid van het Amsterdamse grachtengordelwereldje zowel in vorm als inhoud briljant heeft benaderd. Om zijn stuk te eindigen met: ‘Kluun heeft, voor wie het goed bekijkt, een ongeëvenaard huiveringwekkende zedenschets neergezet.’

HET BLIJFT BIJ de geëngageerde literatuurwetenschapper niet bij het deconstrueren van smaakoordelen. Hij is ook smaakmaker. Buelens is columnist voor De Morgen, heeft al twee dichtbundels op zijn naam staan en maakte recent een bloemlezing van poëzie uit de Eerste Wereldoorlog. Vaessens, oud-poëziecriticus van Het Financieele Dagblad, heeft op dit moment zitting in de jury van de Libris Literatuurprijs. Vijf van de zes boeken op de shortlist zijn te omschrijven als ‘geëngageerd’. In het juryrapport staat: ‘Romanschrijvers hebben zich de straat op laten jagen. En ze floreren daar. (…) Het literaire engagement is terug van weggeweest.’ Niet ten onrechte zegt schrijfster Joke Hermsen in een reactie: ‘Zoals door iedereen is vast te stellen, is de tekst van het Libris-juryrapport een samenvatting van Vaessens’ eigen boekje.’ Jos Joosten, die een tijdlang poëziecriticus en -columnist was voor De Standaard, kan in Misbaar pagina’s lang waardeoordelen analyseren om dan opeens te schrijven: ‘De lof voor Tirza moet een kritische lezer verbazen: het boek kan niet in de schaduw staan van een beklemmend topwerk van Grunberg als De asielzoeker.’ En welke pet heeft Buelens op als hij in een interview over Ilja Leonard Pfeijffer zegt: ‘Een ontzettend groot technisch vermogen, maar wat doet hij ermee? Rebussen maken voor gevorderden. Ermee uitpakken. Een beetje zoals een machine die ronkend in een museum zou staan.’ Is dit de dichter, de criticus of de wetenschapper Buelens?
‘We vinden politiek geen scheldwoord, ook niet in de context van literatuurstudie’, zegt Buelens over de verwantschap tussen hem en de andere twee. Hoewel Buelens hier politiek in zijn eerste betekenis bedoelt – hij doceerde de afgelopen jaren colleges over asielzoekers en normen en waarden in de hedendaagse literatuur – is het woord in deze context ook op een andere manier op te vatten. De geëngageerde literatuurwetenschapper bestudeert niet alleen de weerslag van politiek in de literatuur, maar deinst er ook niet voor terug om politiek te bedrijven. En daar horen coalities en compromissen bij. Vaessens, Joosten en Buelens zitten bij dezelfde partij. In hun boeken wordt nooit negatief naar de anderen verwezen. Onenigheden, die er bij navraag wel degelijk blijken te zijn, worden privé (of beter: intern) uitgesproken. Deze één voor allen, allen voor één-mentaliteit kwam ook naar voren toen Kees Fens – de promotor van Jos Joosten in Nijmegen – vlak na hun benoeming de vrees uitsprak dat deze hoogleraren het literaire erfgoed zouden verkwanselen en te toegeeflijk zouden zijn tegenover studenten die steeds minder lazen. ‘Watskeburt met Kees Fens?’ was hun reactie. ‘Wij pleiten er juist voor zowel het literaire erfgoed als de belevingswereld van de studenten serieus te nemen.’ Ze lieten weten dat zij, opgegroeid in een cultuur ‘waarin popmuziek prominenter was dan Vestdijk’, minder rigide ideeën hadden over het onderscheid tussen hoge en lage cultuur. Zij zouden niet ‘verschanst achter een stapel Moeilijke Boeken’ de studenten toeschreeuwen: ‘Dit is de heilige canon, vreten die handel.’
Deze collectieve boodschap aan de laatste kunstpaus van Nederland is tekenend voor de werkwijze van Vaessens, Buelens en Joosten. Hun aanpak staat tegenover de tekstimmanente benadering die jarenlang dogmatisch werd gepredikt op de letterkundige faculteiten. Het literaire tijdschrift Merlyn, dat van 1962 tot 1966 verscheen, had een belangrijke invloed op de letterkundigen en critici van die tijd. In dit blad van Fens, H.U. Jessurun d’Oliveira en J.J. Oversteegen lag de nadruk op close reading en het idee van een autonome romanwerkelijkheid die los staat van de buitenliteraire werkelijkheid.
De geëngageerde literatuurwetenschapper breekt met deze traditie. Volgens Vaessens is dit een welbewuste breuk: ‘De quasi-objectieve houding van de neutrale en afstandelijke literatuurwetenschap heeft mijn vak bijna onherstelbare schade toegebracht.’ Joosten heeft naar eigen zeggen, door zijn promotor Fens en zijn Nijmeegse opleiding, ‘de grootste tik van Merlyn meegekregen’: ‘Het heeft me gevormd, maar inmiddels ga ik een heel andere kant op.’ De Vlaming Buelens komt uit een traditie waar de tekstimmanente benadering minder prominent is: ‘Ik hoorde Jos en Thomas wel eens razen over die tekstimmanenten, maar ik werkte toen zelf in Antwerpen, waar we onderzoek deden naar de manier waarop de Vlaamse literatuur en de Vlaamse Beweging met elkaar verbonden zijn en waren. Die contextuele, sterk op politieke en historische ontwikkelingen gerichte benadering heeft voor mij altijd heel natuurlijk aangevoeld.’

HUN WETENSCHAPPELIJK werk leidt tot uiteenlopende reacties. Waar Vaessens’ studies De revanche van de roman en eerder Ongerijmd succes een flinke discussie teweegbrachten is Joostens werk wellicht nog iets te academisch om een groot publiek te bereiken. Buelens krijgt vooralsnog vooral applaus. Joke Hermsen noemt Buelens’ boek Europa! Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog ‘een schitterende poging de neerslag van de historische werkelijkheid in literatuur voor ons in kaart te brengen’. Ook Ton Anbeek, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, is te spreken over Buelens: ‘Hij doet in mijn ogen echt iets bijzonders door de hele West-Europese poëzie over de Eerste Wereldoorlog te bespreken, dat is erg knap.’ Vorige maand ontving Buelens voor Europa! Europa! de ABN Amroprijs voor het beste Nederlandstalige non-fictieboek van 2008.
Over de terugkeer naar de werkelijkheid, zo kenmerkend voor het werk van Buelens, zegt Ton Anbeek: ‘Denk nou niet dat hier iets heel nieuws gebeurt. Die breuk met de tekstimmanente traditie heeft al in de jaren tachtig plaatsgevonden toen ik met enkele andere letterkundigen het tijdschrift Literatuur oprichtte. In het eerste nummer pleitten we nadrukkelijk voor een minder geïsoleerde, meer contextuele benadering van literatuur.’ Emeritus hoogleraar historische letterkunde Herman Pleij was medeoprichter van Literatuur. Al in de jaren zeventig begon hij met de cultuurhistorische benadering van literatuur. Dat lag sowieso meer voor de hand bij zijn interessegebied, de middeleeuwse en Renaissance-literatuur, maar leverde desondanks negatieve reacties op. Pleij: ‘De kritiek op deze heren verbaast mij niet. Kees Fens heeft mij toentertijd meermalen ingewreven dat ik niet van literatuur hield. Aperte onzin natuurlijk, maar het geeft wel aan waar discussies tussen wetenschappers en critici vaak over gaan. De criticus, en ook de schrijver, wil zich vooral bezighouden met de esthetiek van teksten, maar de wetenschapper moet meer doen dan dat. Die moet kijken hoe literatuur in de samenleving functioneert en die mag ook kijken waar die esthetische waardeoordelen van critici nu precies vandaan komen.’
Pleij en Anbeek zijn het erover eens dat een wetenschapper best zijn mening mag geven, maar Anbeek is wisselend tevreden over de manier waarop deze hoogleraren dat doen: ‘Wat Joosten doet met Bourdieu is in mijn ogen al lang achterhaald en ik moet lachen om Vaessens’ pleidooi voor geëngageerde literatuur. Wie een beetje oplet ziet dat hij hiermee gewoon oude wijn in nieuwe zakken verkoopt. Hij heeft mijn roep om meer straatrumoer in de literatuur van begin jaren tachtig opgepimpt en gepresenteerd als iets nieuws. Dat vind ik toch tamelijk schlemielig.’ Vaessens reageert: ‘Ik heb moeite dit serieus te nemen. Anbeek pleitte ooit, in een journalistiek stuk van een bladzijde of twaalf, voor straatrumoer. Nu leest hij in de krant dat schrijvers en critici mijn boek eveneens voor zo’n pleidooi aanzien. Het zou de wetenschapper Anbeek passen als hij eens rustig ging zitten om De revanche van de roman te lezen. Het is een omvangrijke studie waarin ik een verschijnsel in de romanliteratuur van de afgelopen dertig jaar analyseer en verklaar. Maar dat interesseert Anbeek niet zo veel. Hij houdt meer van rumoer. Wat dat betreft kan hij aan de discussie over mijn boek zijn hart ophalen.’

DEZE STRIJDVAARDIGE toon komt niet uit de lucht vallen. De geëngageerde literatuurwetenschappers handelen niet alleen uit overtuiging, maar ook uit nood. De alfastudies staan onder druk, er komt minder geld uit Den Haag, de onderzoeksvrijheid is beperkt en er zijn minder promotieplaatsen. Daarnaast kampt ‘de literatuur’ misschien met een imagoprobleem. De literatuurwetenschap heeft al helemaal een stoffige reputatie.
Volgens Vaessens noopt deze hardnekkige beeldvorming tot een andere werkwijze: ‘Wij delen het besef dat we moeten vechten voor de letterendisciplines in een academisch klimaat waarin de bètanormen heilig zijn verklaard. Wij zijn opgehouden het gebrek aan weerklank van ons vak te interpreteren als een bewijs voor onze wetenschappelijke integriteit. Toen er naar aanleiding van mijn vorige boek discussie ontstond in kranten kwam een gepensioneerde collega naar me toe met de vraag of ik niet bang was dat mijn werk daardoor besmet raakte. Die smetvrees, daar hebben ook Buelens en Joosten niet zo’n last van. Wij verschansen ons niet in een ivoren toren en treden naar buiten.’
Daarmee zijn we terug bij Vaessens’ pleidooi voor geëngageerde literatuur. Hoewel hij hier en daar werd geprezen, was het overgrote deel van de reacties in de media negatief. In Vrij Nederland noemde Carel Peeters Vaessens een conjunctuurridder, ‘iemand die op het paard van een zelfbedachte tijdgeest springt en triomfantelijk met een vlag gaat zwaaien’. Bas Heijne schreef in NRC Handelsblad dat Vaessens met zijn boek liet zien ‘van kunst niet veel begrepen te hebben’. In dit blad waren Kees ’t Hart en Arie Storm niet te spreken over Vaessens’ werk. Door Arie Storm werd De revanche van de roman zelfs ‘tendentieus en leugenachtig’ genoemd. Connie Palmen veegt in een reactie ook de vloer aan met Vaessens: ‘De literatuur hoeft niet bevrijd te worden uit welk universum dan ook, want de literatuur is vrij. Daar heeft Vaessens blijkbaar de grootste moeite mee. Hij wil de literatuur onvrij maken, haar op de knieën dwingen en de slaaf maken van de straat, van de journalistiek, van de geschiedschrijving, van de politiek, van de ideologie, van de actualiteit. Het is een prescriptieve riedel die de schrijver al talloze malen in de geschiedenis ter ore kwam.’
Geert Buelens neemt het voor Vaessens op: ‘Thomas stelt de dingen soms erg scherp en veralgemenend, daarmee lok je zulke reacties uit, denk ik. Typerend is ook wel dat mensen als Carel Peeters, die zich laten voorstaan op hun Ernst en Degelijkheid, hun mening al klaar hadden voor het boek verschenen was. Dat schrijvers zelf zich niet graag laten voorschrijven wat en hoe ze moeten schrijven – daar heb ik alle begrip voor. Maar deed Thomas dat? Hij sprak in een interview zijn voorkeur uit, doelbewust provocerend, denk ik.’
Vaessens zelf zegt er geen enkel bezwaar tegen te hebben dat het ‘wellicht mede aan prikkelende uitspraken te danken is dat mijn boek momenteel bijzonder prominent wordt besproken in de kranten’. Hij noemt de kritiek ‘veel retorisch geweld dat zichzelf opblaast om afdoende te lijken als reactie op een boek van 250 bladzijden’. Maar er zijn volgens hem ook serieuze reacties: ‘Het stuk van Kees ’t Hart vond ik goed, al geeft hij weinig onderbouwing en citaten bij zijn beweringen. Ook Marjolijn Februari heeft uiterst integer haar bedenkingen geplaatst bij mijn visie op de taak van de literatuurwetenschapper. Daarmee biedt ze een opening voor discussie. Ik schrijf geen boeken uit verlangen naar bijval. Een wetenschapper dient serieuze tegenspraak op te zoeken.’
Het opzoeken van tegenspraak kan moeilijk een traditionele wetenschapsopvatting worden genoemd. Dat is toch eerder het streven naar waarheidsvinding, wat alleen noodzakelijkerwijs kan leiden tot tegenspraak. Maar deze wetenschappers lijken zich zeer bewust van het feit dat de studie naar literatuur een geheel eigen wetenschapsdivisie is. Literatuurwetenschap, in de naam ligt het waardeoordeel en daarmee de onmogelijkheid tot objectiviteit al besloten. De geëngageerde literatuurwetenschapper omarmt deze vanzelfsprekende subjectiviteit om een hybride vorm van wetenschap te bedrijven: met het ene been in de wetenschap en het andere in het publieke debat. En dan is politiek, ook in de context van literatuurstudie, inderdaad geen scheldwoord.

Tom de Boer studeerde Nederlandse taal en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Op www.groene.nl is de volledige reactie van Joke Hermsen te lezen

JOS JOOSTEN
(Rotterdam, 15 november 1964)
1983-1989 Studie Nederlandse taal- en letterkunde in Nijmegen
1989-1999 Universitair docent, Radboud
Universiteit Nijmegen
1996 Promotie, Feit en tussenkomst:
Geschiedenis en opvattingen van Tijd en Mens (1949-1955)
1999-2006 Universitair docent, Universiteit Utrecht
2006-heden Hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, Radboud Universiteit Nijmegen
Joosten was tussen 1997 en 2007 poëzierecensent van De Standaard, was redacteur bij het literaire tijdschrift Parmentier. Op dit moment is hij lid van de kernredactie van Dietsche Warande en Belfort en van de jury’s van de Jan Campertstichting.

GEERT BUELENS
(Duffel, 5 februari 1971)
1989-1993 Nederlandse en Engelse taal- en letterkunde in Brussel en Antwerpen
1993-2005 AIO/Universitair docent, Universiteit Antwerpen
2000 Promotie, Van Ostaijen tot heden: Zijn invloed in de Vlaamse poëzie (bekroond met de Vlaamse cultuurprijs voor essay en kritiek)
2005-heden Hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, Universiteit Utrecht
Tussen 1996 en 2003 was Buelens redacteur van het literaire tijdschrift Yang, sinds 2006 is hij vaste columnist bij de Vlaamse krant De Morgen. Hij publiceerde twee dichtbundels, Het is (2002, bekroond met de Van der Hoogtprijs) en Verzeker u (2005). THOMAS VAESSENS
(Maastricht, 17 november 1967)
1987-1992 Studie Nederlandse taal-
en letterkunde, Universiteit Utrecht
1992-2003 Universitair docent, Universiteit Utrecht
1998 Promotie, Nijhoff, Van Ostaijen en de mentaliteit van het modernisme
2005-heden Hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam
2006-heden Directeur Huizinga Instituut
Vaessens was tussen 2000 en 2005 poëzierecensent bij Het Financieele Dagblad, is
verder redacteur van het internettijdschrift Neerlandistiek.nl en lid van het bestuur van
de Stichting VSB Poëzieprijs.