Kijken

Ontmoeting

Elke vertelling heeft gewicht. En de beweeglijkheid die Giotto in zijn fresco’s wist te brengen, zulk realisme, zien we ook in de verhalen die Dante vertelde.

Giotto, De ontmoeting bij de Gouden Poort, Jeruzalem, ca. 1305. Fresco © Scrovegni (Arena) kapel, Padua, Italië

Eerst zijn het in de opzet van een fresco de hoofdmomenten die het gewicht dragen van de vertelling. Zo begint ook bij Giotto de opbouw van een mise-en-scène. Van fresco naar fresco moet het verloop van het beeldverhaal vooral overzichtelijk blijven. Maar er is nog iets: behalve hoofdzaken gebeuren er in een schildering nog allerlei andere dingen, soms onvoorzien. Kleinigheden, verschuivingen, invallen: wat de schilder aan het werk gezien had en waar hij niet omheen kwam. Het zijn waarnemingen die zomaar opduiken. Zulke wonderlijke momenten ontstonden misschien in de puntige wendbaarheid van het tekenen. Dat is naar dingen en bewegingen kijken, dan weer anders kijken, zodat de kunstenaar verschillen ziet. Tekenen is realisme. Het absoluut nieuwe aan Giotto’s werken in de Arena-kapel was de beweeglijkheid van hun vormgeving. Dat soort realisme vinden we ook in vindingrijke vertellingen van Dante.

In de Ontmoeting voor de Gouden Poort gaat het om het begroeten door Anna van haar man Joachim: een innige omarming, ze hadden elkaar al een tijd niet meer gezien. Dat was de hoofdzaak. Als bijna een enkele gestalte staan ze bij het begin van de brug tegen elkaar geleund. Joachim lijkt mij eerst wat afstandelijk. Hij kwam van ver maar staat nu al vóór de brug stil. Zijn blote voeten, naast elkaar, zijn gestopt met lopen. Anna kwam, uit de poort en over de brug, naar hem toe. Zij kust hem. Met haar zachte hand om zijn nek brengt ze zijn gezicht dicht bij het hare. De vingers van haar andere hand strelen zijn baard en zijn wang. Dan pas legt hij zijn hand op haar schouder. Dat was de volgorde van de gebaren. In die opeenvolging denk ik heeft Giotto ze getekend. Toen werden ze al fresco geschilderd: kleuren in vochtige kalk, vormen die bij het drogen iets steviger werden. De kleuren harmoniëren met vorm: de subtiliteit van beweging tussen Joachim en Anna zien we daarom tegelijkertijd.

Intussen is ook de groep vrouwen in de poort stil blijven staan. Zij houden eerbiedig afstand en bekijken de ontroerende ontmoeting. Ze staan stil onder de poort in de zware muur. Voorbij die poort zien we, in grijs, een stuk gebouw op slanke pilaren: daar begint de stad Jeruzalem, daar begint hun nieuwe leven als, zoals Anna is aangezegd, haar dochter Maria zal zijn geboren.

Er is in het tafereel nog een beweging die van ver komt. Helemaal links staat in boerenkleren in het blauwe licht de knecht van Joachim die hem op weg uit de woestijn heeft vergezeld. Vóór hem zag de knecht zijn meester abrupt stilstaan. Hij stond toen zelf ook stil.

Joachims blote voeten, naast elkaar, zijn gestopt met lopen

In Dante’s Commedia zijn ze voortdurend onderweg. Stel je het ritme van terzinen voor als voetstappen. Er zijn interrupties. Ze stoppen vanwege omstandigheden en raken in gesprek. Ze gaan in canto 27 de Louteringsberg op over een pad van treden. Het wordt laat. De berg valt hen zwaar. Geen van hen heeft kracht noch wil om door te gaan. Ter plekke maakt eenieder een bed van een der treden// Als geiten die, onstuimig eerst en wild/ zich reppen op de toppen, maar na ’t grazen herkauwend weer bedaren, mak en stil// bijeen in koele schaduw, als de zon brandt/ gehoed door een herder daar, die op zijn staf/ geleund staat en, al leunend, wakend toeziet.

Giotto, Presentatie van Maria in de Tempel, ca. 1305. Fresco © Scrovegni (Arena) kapel, Padua, Italië

Dit is maar een summier voorbeeld van Dante’s lenige taal in zijn beeldverbeelding. Er is een toon van waarachtigheid in de vertelling. Eigenlijk is er niets aan verzonnen. Ik denk dat de vertelling zo ook als werkelijkheid functioneert in Giotto’s geschilderde verhalen. Daarom kan ik het nu (eerder niet) als waarheid zien en beschrijven: hoe Anna over de brug op Joachim toe snelde en dat Joachim eerst stilstond voordat hij eigenlijk thuiskwam. Hij was een oudere man. Maria werd geboren. Ze was drie jaar oud toen ze, een bijzonder kind, in de tempel werd gepresenteerd. Ze werd aan God gewijd. Het was dezelfde tempel waar Joachim jaren eerder nog uit verjaagd was.

Nu schilderde Giotto het gebouw van marmer van de andere kant. Het meisje was alleen de trap op geklommen. Haar moeder achter haar zodat ze niet zou vallen. Het waren tien treden die Maria naar boven moest voordat ze, bedeesd en in het wit als een engel, bovenaan stond voor de hogepriester die haar ontving. De traditie wilde dat het vijftien treden waren. Dat echter stond in Giotto’s kunst zijn realisme niet toe. Het meisje, de hoofdpersoon, had een maat. Bij haar voetstappen paste een maat van traptreden. Zo simpel was het. Een trap van vijftien treden werd te hoog. De tempel zou een te hoog bouwwerk worden. Giotto wilde het gebouw compact houden. Het moest eruitzien als een heilig altaar. Zo statig moest de toon zijn in dit lumineuze fresco, en de gewichtige werkelijkheid ervan.


PS. Ik heb van Dante de vertaling gebruikt van Rob Brouwer (Primavera Pers, 2016)