Ontopvoeden gaat niet alleen

Ouders vinden de scholen van hun kinderen te soft en vrezen dat zij niet het beste uit de leerlingen halen, blijkt uit onderzoek in opdracht van maandblad J/M. Dat wantrouwen tegenover het onderwijs is niet nieuw. De zorgen om de prestaties van de kinderen evenmin. Daarbij wint de visie aan kracht dat het niet zozeer de kinderen of de scholen zijn die een probleem hebben, als wel de ouders zelf.

Begin deze maand wijdden tegelijkertijd Die Zeit en Der Spiegel hun voorpagina´s aan het overspannen ouderschap. Beide toonaangevende Duitse opiniebladen lieten een reeks hoogleraren en andere deskundigen aan het woord die stuk voor stuk pleitten voor ‘meer gelatenheid in de opvoeding’. Zulke geluiden zijn in de Angelsaksische wereld al langer bon ton. Ook in Nederland groeit de kritiek op de ‘helikopterouders’.

Daarbij is het al lang niet meer de analyse van ouders als eerzuchtig en paranoïde die opzien baart. Opvallender is hoe vaak die kritiek herhaald wordt. En hoe weinig effect het heeft. Het ‘ontopvoeden’ lijkt hetzelfde lot beschoren als, zeg, het onthaasten of diëten. Wie neemt zich in de zomervakantie en met Kerst niet voor minder te werken, gezonder te eten en meer te genieten van wat er werkelijk toe doet in het leven? Om vervolgens over te gaan tot de orde van de dag.

Dat duidt op dieper liggende oorzaken voor het falende ontopvoeden. Die zijn samen te vatten onder één noemer: onzekerheid. Van de ouders wel te verstaan, die de eigen onzekerheid op de kinderen projecteren. Ze vertrouwen niet langer op de kwaliteit van de school. Op de veiligheid in de openbare ruimte. Op de toekomst waarin hun kinderen volwassen zullen zijn, wanneer ze mogelijk geen baan kunnen vinden, om over het sociale vangnet of fatsoenlijke gezondheidszorg maar te zwijgen. En ze vertrouwen niet meer op andere volwassenen, de collega-opvoeders, de leerkrachten die samen met hen de last van het ouderschap kunnen verlichten.

We staan er alleen voor. En zo hebben de meesten van ons, individualistisch als Nederland is geworden, het vanaf de jaren tachtig ook gewild. Laten we het enigszins gechargeerd stellen: het gaat om eigen verantwoordelijkheid, zelf je boontjes doppen. De verzorgingsstaat kan worden uitgekleed, dat is voor losers. En migranten. Tegen beter weten in, ziekte, arbeidsinvaliditeit en ouderdom negerend, geloven we in onze onkwetsbaarheid. Dat geloof in eigen kunnen strekt zich samen met het wantrouwen tegenover publieke voorzieningen uit tot de volgende generatie. Een goede ouder investéért in zijn of haar kinderen, met bijlessen, dure therapeuten en heel veel buitenschoolse activiteiten. Kinderen als het verlengstuk van de eigen, individuele ontplooiing.

Maar de onzekerheid blijft. Ongeacht de capaciteiten van de ouders kan een kind moeilijk leren. Of ziek worden. Dan is het later één van die verachte losers die de verzorgingsstaat nodig hebben om te overleven. Alleen al de gedachte zal sommige ouders tot waanzin drijven. Via het nageslacht wordt de eigen, verdrongen kwetsbaarheid alsnog zichtbaar. Kinderen als een freudiaanse return of the repressed.

De oplossing voor het overspannen ouderschap ligt daarom niet enkel in zen-opvoeden: minder verwachtingen, meer gelatenheid. Het gaat om het wegnemen van de eigen onzekerheid. Daarvoor moeten ouders niet alleen de kwetsbaarheid van hun kinderen, maar ook die van zichzelf onder ogen zien. Hoe zalvend het ook klinkt: het is tijd toe te geven dat we elkaar en de publieke sector wel degelijk nodig hebben.