Ontpolderingsdrama

Die Zeeuws-Vlaamse Hedwigepolder moest maar gauw onder water worden gezet, vond ik een paar jaar geleden.

De milieubeweging vond dat ook: als compensatie voor de verloren landbouwgrond zou er in de directe omgeving immers heel wat nieuwe natuur ontwikkeld mogen worden, en dat was goed voor de kluut en de fuut. Twijfels staken de kop op toen ik een reportage zag van protesterende boeren vlak over de grens. Zo te zien werd er wel erg gemakkelijk voorbij gegaan aan hun belangen.

Die twijfels werden heviger door de lectuur van Dit is mijn hof van Chris de Stoop, niet de eerste de beste als het om hoogwaardige onderzoeksjournalistiek en geëngageerde literatuur gaat. Vooral Zij kwamen uit het Oosten (2003) was me bijgebleven. Dat boek, geschreven in een mengvorm van roman en verslag, geeft een genuanceerd beeld van de maffia, de mensenhandel en vooral de sekswerkers – hij concentreert zich op een Albanese vrouw – die in Europa aan de slag proberen te komen. Toen Wilders zijn haar nog moest laten blonderen wierp De Stoop al een verhelderend licht op het vluchtelingenprobleem en de militante bureaucraten van Fort Europa.

Medium hh 6128322.jpg

Dat het hem ernst was met zijn engagement was meteen duidelijk, dat hij kon schrijven gelukkig evenzeer. Zijn nieuwe boek geeft van beide een overtuigende bevestiging. De Stoop keert als auteur terug naar zijn geboortestreek waar hij zich vijftien jaar terug al daadwerkelijk had gevestigd. Hij schreef er ook toen al een boek, De bres, over de verloedering van het oude polderdorp Doel, tegen de Nederlandse grens, door de uitbreiding van de Antwerpse haven.

Dit is mijn hof is een soort vervolg op De bres. Het boek is weer van alles tegelijk: kritiek op de door de EU gemotiveerde agro- en bio-industrie; aanklacht tegen de ideologen van de nieuwe natuur, inclusief de milieubeweging die zich volgens hem voor de kar van de havenbaronnen laat spannen; verdediging van de kleine boeren en loflied op het oude boerenbestaan; herinneringen van een boerenzoon die koos voor het schrijverschap maar nu, terug in het ouderlijk huis, het verhaal vertelt van zijn broer die ‘eruit stapte’ en van zijn oude, tanige moeder die haar laatste opstandige dagen slijt in een verzorgingstehuis.

Hij voelt zich voortdurend bedreigd door nieuwe regels, controles, boetes en administratieve terreur

Die verscheidenheid van thema’s moet De Stoop voor niet geringe compositorische problemen hebben gesteld. Hoe dat alles zonder dominante verhaallijn tot een min of meer uitgebalanceerd geheel te maken? Helemaal geslaagd is hij daarin naar mijn gevoel niet. De fragmentarische opzet brengt hem ertoe vaker dan nodig van alles te herhalen. Soms zijn dat eenvoudige feitjes. Zo krijgen we tot drie keer toe te lezen dat de abdij van Zaligem, die verantwoordelijk was voor de ontginning van de kleine polder van zijn jeugd, in 1136 werd gebouwd. Wel zit er telkens een flink aantal pagina’s tussen die vermeldingen. De Stoop zal gedacht hebben dat de lezer dat precieze jaartal inmiddels wel vergeten is.

Storender vind ik de op den duur erg voorspelbare kritiek op de verdedigers van de nieuwe natuur. Dat die achter de tekentafel is bedacht en met bulldozers aangelegd weten we op een gegeven moment wel, en ook dat de heren erover denken in targets, grafieken en win-winsituaties. De Stoops verontwaardiging is terecht én overtuigend, maar het boek zou nog aan kracht gewonnen hebben als hij wat minder vaak op dat aambeeld had geslagen.

Maar dat zijn kleine bezwaren, er staat heel veel tegenover. Om te beginnen betoont De Stoop zich een begenadigd natuurbeschrijver. Als jongetje heeft hij goed leren kijken en zich gedetailleerde kennis van planten en dieren, het land en de boerderij eigen gemaakt, duidelijk niet op school, hoezeer hij ook al vroeg een lezer bleek die niet geschikt was als opvolger van zijn vader. Die diepgewortelde, met het alledaagse boerenbestaan verbonden schoonheidservaring is uiteindelijk zijn belangrijkste argument tegen de ontpolderaars. Hij betreurt het dat de natuur van de mythologie naar de wetenschap wordt overgeheveld, dat alle magie eruit moet. En dat de boer van zijn waardigheid wordt ontdaan.

De Stoop zegt het nergens met zoveel woorden, maar het is duidelijk dat de zelfmoord van zijn broer daaraan te wijten is. Hoewel zij herhaaldelijk met elkaar in de clinch lagen, zie ik Dit is mijn hof toch allereerst als een postuum eerbetoon aan die broer. Als ik me niet vergis komt de titel, met de nadruk op het bezittelijk voornaamwoord, alleen voor in een context die beslissend moet zijn geweest voor diens heilloze capitulatie. Het zinnetje is een woedende verdedigingsreflex als de broer wordt bedreigd door ‘een van die groene mannen’: ‘Dit is mijn hof, en als ge niet maakt dat ge wegkomt, bel ik de politie.’ Hij voelt zich voortdurend bedreigd door nieuwe regels, controles, boetes en administratieve terreur. Dramatisch, door de broer niet overleefd dieptepunt: huiszoeking van de ‘hormonenbrigade’ in de vorm van een intimiderende razzia.

Achter in het boek geeft De Stoop een literatuurlijst. Aan sommige titels heeft hij het nodige ontleend, niet zelden als kop van Jut. Dat geldt voor Frank Vera’s ‘evangelie voor natuurbeschermers’ Wildernis in Nederland, waarin een verdere intensivering van de landbouw wordt bepleit ‘zodat meer grond overblijft voor nieuwe natuur’, en geschriften van diens geloofsgenoot Patrick Meire, die meent dat ontpoldering van de Hedwigepolder ‘ons fortuinen zal opbrengen’. De Stoop raadt hun De druiven der gramschap van Steinbeck aan, en impliciet, in de literatuuropgave, John Bergers fenomenale trilogie De vrucht van hun arbeid en Willem van Toorns Het grote landschapsboek. Ik mis daar één naam: Paul de Wispelaere, in wiens Tussen tuin en wereld en Het verkoolde alfabet De Stoop makkelijk een strijdvaardige en welbespraakte medestander van het eerste uur zou herkennen.