Muziek: Minimal Music Festival

Ontregeling van de gespeelde orde

‘Trip naar hogere sferen’, kopt het Amsterdamse Muziekgebouw het aanstaande Minimal Music Festival. Het zal daar gaan over ‘het transcendentale van minimal music als geestverruimende ervaring’. Is dat de kern van het genre? Ja en nee.

Christof Schlägers Scheepshoornconcert, een installatie met 144 hoorns op het terras van het Muziekgebouw, is de opening van het Minimal Music Festival 2019. Er klinkt naast speciaal voor deze opening gecomponeerde stukken ook muziek van onder anderen Arvo Pärt, Steve Reich en Philip Glass © Marjon Smit

De evolutie van het minimalisme naar new age en nieuwe spiritualiteit was geen onlogische. Spirituele ascese was bij de pioniers La Monte Young en Terry Riley verankerd in denken en voelen. Maar zowel bij hen als bij hun rationeler ingestelde generatiegenoten Steve Reich en Philip Glass ging het om wel iets meer dan de staat van verlichting. Hun invloed op de materiële hygiëne van de muzikale taal is zoveel vruchtbaarder geweest.

In de techniek van de faseverschuiving herontdekten ze de kracht van de gevarieerde herhaling als constructieprincipe, en ook daarom is repetitieve muziek nog steeds een beter woord. Minimal was het luistervriendelijke en dus controversiële alternatief voor de mentaal onverteerbare complexiteit van het naoorlogse Europese structuralisme. Het gaat de minimalisten om het herstel van transparantie, toegankelijkheid en in dier voege van de ‘tonaliteit’ in enige vorm.

Dat traject voert ofwel via het ritme en/of via de klank naar sneaky ontregeling van de gespeelde orde. De samenklanken vormen bij Reich periodiek stabiele velden waarin de functionele chemie tussen akkoorden ondergeschikt wordt gemaakt aan subtiele transformatieprocessen en desynchronisatie van gestapelde ritmisch-melodische patronen. Young laat langdurig aangehouden, boventoonverwante tonen traag over elkaar glijden. Reich, de slagwerker, zoekt het na zijn eerste tape-composities in de gelaagde puls van de Afrikaanse muziek en de Balinese gamelan. Zijn vroege slagwerkstukken en zijn metallieke, door metallofonen gekleurde ensemblewerken van de jaren zeventig zijn ondenkbaar zonder. Riley vindt zijn handelsmerk in de psychedelische herhaling van steeds nieuwe melodische kiemcellen, ‘patterns’. Zijn invloedrijke In C (1964) voor elke combinatie van instrumenten (‘the more, the merrier’) wordt met zijn 53 denderende patterns rond een octaaf op C in de piano zoiets als de State-of-the-Union van de minimal music.

Altijd berust minimalisme op extreme materiaalreductie en gevarieerde herhaling; steeds hetzelfde steeds iets anders. Het proces verdringt de gesloten vorm. De faseverschuiving van stemmen lijkt niet eens het belangrijkste aspect. Het gaat om de bevrijding van de klank die La Monte Young in de geest van John Cage op de kaart zet met zijn devies ‘let sounds be what they are’. Het effect van de berekende ontregeling suggereert de biologische autonomie van het totaalgeluid en het bewegingsritme, en die transformatieve onafwendbaarheid levert bij Young en Riley de vertaalslag naar het transcendente.

Het draait om het creëren van zintuiglijke ruimte, de terugkeer naar de libidineuze staat van wat Riley ‘emotional vibrations’ noemt, good vibes. Daarin zijn de minimalisten typisch Amerikaans, ook de mystici Young en Riley; Reich zoekt licht, zij zoeken licht en Het Licht. Ze zijn dat niet minder in hun ontvankelijkheid voor andere, primair niet-westerse culturen. Young en Riley zijn westcoast-hippies en geboren improvisatoren die via de jazz, de Indiase muziek en experimenten met elektronica en bandrecorders tot een holistische, transcendentale verbinding van mens, geluid en universum komen. In de Indiase invloeden op Young en Riley, die beiden intensief bij de Indiase zangpedagoog Pandith Pran Nath zullen studeren, convergeren de noden van lichaam en geest. Riley vindt in India de schoonheid, eenvoud en directheid die hij zoekt. Glass zal met Ravi Shankar en diens tabla-speler Alla Rakha samenwerken en er belangrijke ritmische impulsen voor zijn oeuvre aan ontlenen.

Daarna daalt men uit die astrale hoogten gaarne af. In hun publieksvriendelijke houding staan de minimalisten dichter bij de pop dan bij de Europese avant-garde. Ze richten hun eigen ensembles op, die bij Glass en Reich als rockbands over de wereld toeren, en creëren hun eigen vrijhavens. Youngs Dream House is een installatie waarin licht, kleur, klank en geur de afstand tussen kunst en leven opheffen, een ‘continuous environment in sound and light with a singing from time to time’. Participatie is toegestaan en van hem mogen de sessies eeuwig duren. Riley’s conceptalbums klinken als psychedelische rockexperimenten. Op Rainbow in Curved Air, met die gedrogeerd borrelende elektronische orgels, is het alsof de toetsenist van The Doors zich opsplitst in steeds nieuwe simultaan-ego’s.

Je zou de minimal music de kunst van het geënsceneerde toeval kunnen noemen

Pop is het ook in zijn ambitie: de fuif is pas geslaagd als hij aanslaat. La Monte Young: ‘If people don’t get carried away by my music, it is a failure.’ Maar niet langer wordt de nagestreefde staat van zijn via het ego van de schepper afgedwongen. De maker is de regisseur die het continuüm in gang zet. Het ik is medium, niet langer dader.

Het is, althans voor de opkomst van de popmuziek, een zeer on-Europees gevoels- en gedachtekader. De Europese muziekcultuur is een individualistische ondergangscultuur, de cultus van bezwijken onder overmoedige ambities en een defaitistische verhouding tot een taal die bloeit en verwelkt in een cyclische curve van opkomst en ondergang. De romantische symfonie vecht zich per aspera ad astra steeds moeizamer van de hel naar de hemel, bij Mahler zelfs dat niet meer. Zijn Negende en Tiende sterven in de historische perceptie mee met de vormentaal en het harmonische systeem dat ze heeft voortgebracht; ze lopen lijdend leeg. Terwijl hij ze schrijft, zal zijn beschermeling Schönberg de tonaliteit failliet verklaren. In de eeuw van twee wereldoorlogen zal Europa geobsedeerd blijven door vergankelijkheid. Het naoorlogse serialisme breekt opnieuw met het verleden van een aan overconsumptie bezweken grammatica. Het begint op de nullijn met de herschikking van alle muzikale elementen in een overkoepelend, totalitair berekenbaar systeem dat de evolutie weer wat adem geeft. Het is niet uit hoop maar uit nood geboren, een negatieve utopie. En het oor buigt niet mee.

Die elitaire, fatalistische monomanie is de Amerikanen vreemd. De Amerikaanse muziektraditie, die pas echt wordt geboren als de Europese zich bij Schönberg doodverklaart, is een lichtcultuur. Om te beginnen is er geen geschiedenis die in de weg kon zitten. De VS hebben geen eigen Bach of Mozart, Brahms of Schumann. Hun Stunde Null is de twintigste eeuw met zijn melting pot van jazz, Broadway, populaire klassieken. De immigrantenkinderen Gershwin, Copland en Bernstein negeren de afstand tussen hoge en lage cultuur en het schönbergiaanse taboe op de tonaliteit. Frank en vrij schrijven ze liedjes, vrolijke balletten for the common man en als het uitkomt musicals voor Broadway. De baanbrekende Amerikaanse componisten zijn anarchistische lone wolves die vrij van Europees getob hun eigen spoor trekken. Maverick composers als Charles Ives, John Cage, Harry Partch, Conlon Nancarrow en Morton Feldman creëren met collagetechnieken, toevalsprocedures, alternatieve stemmingen, razende pianolarollen en microscopische klankbewegingen hun eigen minikoninkrijken.

Later zal het Europese systeemdenken in de VS toch voet aan de grond krijgen. Young studeert bij Schönberg-assistent Leonard Stein, Riley raakt in Darmstadt in de ban van Stockhausen, Reich en Glass doorlopen een Webern-fase. Webern komt met zijn zachte, spaarzame texturen trouwens wel aan, maar alleen als vertrekpunt voor een nieuwe kijk op variatie en materiaalreductie. Ze zoeken iets anders dat ze allemaal zullen vinden buiten het domein van de modernistische Hochkultur. De grote bevrijder is in Amerika John Cage, de zen-meester die het muziekbord schoonveegt met de vraag: wat zitten we te klooien met die tonen, waarom zouden we ze niet gewoon eens in hun waarde laten? Maar wat bij hem via aleatorische toevalsprocedures tot klinken komt, ontdekken zijn aanhangers, heeft uiteindelijk dezelfde willekeurigheid als de tonen of de ritmische constructie van een reeks. De klassieke westerse muziek is tenminste doelgericht. De luisteraar is getuige van een narratief proces dat zijn aandacht in een spel met anticipatie en herinnering bewust in een bepaalde richting dwingt. De klassieke vorm van een symfonie of een sonate is een verhaal met een begin, een ontwikkeling en een einde. Thema’s gaan in dialoog en doorlopen een geschiedenis als personages van een drama. Harmonische tegenstellingen creëren binnen de tonaliteit een conflict dat wordt beslecht met terugkeer naar de grondtoonsoort. Het serialisme stelt er geen nieuwe coherentie tegenover. De procedurele manipulaties met reeksen zijn voor het best getrainde oor niet meer waarneembaar. Ze laten je net als Cage met losse flodders in verwarring achter. Dat is wat de Belgische musicoloog en componist Wim Mertens bedoelt met zijn vaststelling dat de aleatoriek van Cage en het serialisme tegenstrijdige maar parallelle tendenzen zijn; het klinkende effect van totale orde lijkt op dat van de totale wanorde. In beide gevallen is het werk als een waarneembaar consistent geheel van de baan.

Het minimalisme doet niets anders dan de weggevallen continuïteit met minimale middelen herstellen. En in de radicale wijze waarop ze hun conclusies trekken uit dit cul-de-sac van het vooruitgangsdenken zijn de minimalisten wel degelijk schatplichtig aan zowel de afgewezen avant-garde als aan Cage. Je zou de minimal music de kunst van het geënsceneerde toeval kunnen noemen. Ritmische patronen raken quasi per ongeluk uit fase en vormen per ongeluk een nieuw ritme. Uit combinaties van melodische patronen ontstaan per ongeluk nieuwe, compositorisch onvoorzienbare resulting patterns. In de plaats van de gesloten vorm treedt een open vorm die oneindig kan doorgaan.

Minimalisme is een spel, schrijft de musicologe Ivanka Stojanova. Het is een ritueel waarin alle spelers gelijkwaardig zijn en dat naar niets anders verwijst dan zichzelf. Het is, via de omweg van een Cage-vreemd ordeningsproces, eigenlijk precies wat Cage wilde: ‘Free sound of all psychic intentionality. Let sound be itself rather than a vehicle of human theory and feeling.’ Dit minimalisme kent geen uitdrukking van allerindividueelste gevoelens: het is een biologerend of opzwepend, maar pseudo-objectief continuüm. De bal ligt bij de luisteraar. Het spirituele rendement is in the eye of the beholder als de verborgen voorstelling in een 3D-prent. De grote ensemblewerken van Reich zijn obsederende machines. Een dirigent ontbreekt, omdat er niks aan te interpreteren valt; spelers geven elkaar met toonsignalen tekens. Veel meer dan zijn latere werken voor haast gewoon orkest en een gewone dirigent, veel meer ook dan Glass’ monstrueuze confectie-opera’s na Einstein on the Beach, zijn het mijlpalen in de geschiedenis van een muziek die zichzelf hervond in de kracht van de herhaling en de technologische dynamiek van het samenspel. Minimal music bracht de renaissance van het horen.


Voor de volledige programmering van het Minimal Music Festival, van 3 t/m 7 april bij het Muziekgebouw