Ontroerende filmfestivalmascotte

Je kunt niet zeggen dat het de meeste aandacht heeft getrokken, maar de wereldpremiere van Trying to Kiss the Moon van Stephen Dwoskin tijdens het afgelopen festival van Rotterdam beschouw ik zelf als een belangwekkende en ontroerende gebeurtenis. Dwoskin is een experimenteel filmmaker met een lange staat van dienst. In het programma van het eerste Rotterdamse festival in 1972 was hij al met zijn film Dyn Amo vertegenwoordigd en in de periode erna ging in Rotterdam bijna geen jaar voorbij zonder een nieuwe Dwoskin.

Zo'n vaste gast wordt tegenwoordig wel neerbuigend een festivalmascotte genoemd. Neerbuigend omdat het impliceert dat de nieuwe Dwoskin wel eens van een mindere kwaliteit zou kunnen zijn. Neerbuigend en pijnlijk ook in het geval van Dwoskin omdat hij gehandicapt is. In zijn rolstoel is hij een opvallende en daardoor zeer vertrouwde festivalverschijning geworden. Neerbuigend omdat in achterhoofden al snel de boze stemmetjes lispelen: ‘Ze vonden het zeker zielig om zijn nieuwe film niet te nemen.’
Goed, redenen genoeg om nog even stil te staan bij Dwoskins nieuwe film. Trying to Kiss the Moon is een uitgesproken autobiografische film, een levensverhaal en zelfportret in filmbeelden. Het is een zoekende, aftastende en fragmentarische film als een soort bloemlezing uit een audiovisueel dagboek. Dwoskin heeft er veel materiaal voor verzameld, zoals de home movies van zijn vader waar hijzelf in voorkomt, en er jaren aan gewerkt. Ondanks de lange produktietijd heeft de film de ongepolijstheid en de frisheid van een work- in-progress. Hij filmde soms eenvoudige dingen als zijn schrijftafel of het uitzicht op de straat vanuit zijn appartement.
Letterlijke inzichten in de bladen van zijn dagboek. Een besneeuwde straat op een februaridag in 1991. Rotterdam net afgelopen, Berlijn op het punt van beginnen en de Golf- oorlog is aan zijn 31ste dag toe. De wereld draait dol en Dwoskin keert terug naar zijn kinderjaren. Een jongetje schommelt in een hangmat in de zon. Hij kiepert uit de hangmat, maar krabbelt weer overeind. In zwart-wit maakt de peuter Stephen zijn eerste parmantige pasjes.
Terugkeren naar zijn jeugd is voor Dwoskin niet alleen terugkijken op zijn eerste ervaringen en zijn familieleven, maar het is het weemoedige terugkijken over de grote cesuur in zijn leven die polio heet. Zo zijn er twee tijden: die van het lopen en die van het niet-lopen. Tussen die twee tijden springt Dwoskin in zijn film steeds heen en weer. De film is volledig niet-chronologisch van opbouw. De film heeft een structuur, maar die is associatief; de beelden zijn gegroepeerd rond intuitieve thema’s die zich niet nadrukkelijk opdringen. Zo kan de jonge Frans Zwartjes die de bilpartij van zijn Trix fotografeert worden gevolgd door een recent schilderij van een naakte vrouw van Dwoskin zelf. Niet de datering is van belang, maar wat het zegt over het plezier en de drijfveren van het maken.
Zwartjes is als seksueel geobsedeerd cameradier illustratief voor Dwoskins eigen verhouding tot vrouwen. Dwoskin heeft een eigenzinnig, spannend en onbeschaamd soort voyeurisme met de camera in de loop der jaren tot het alleruiterste gevoerd, uitmondend in films die bijna uitsluitend uit close-ups van een vrouw bestaan. Een ander voorbeeld van de werkwijze van Dwoskin in zijn laatste film is dat hij een opname van zichzelf in omhelzing met een eveneens invalide vrouw tijdens een therapeutische sessie laat volgen door de home-movie-beelden waarin hij als kleuter door zijn oudere zusje wordt omarmd, wat weer wordt gevolgd door een fraai vertraagde, enthousiaste omhelzing door zijn grootvader. Grote genegenheid waarbij chronologie en verbaal commentaar absoluut overbodig zijn. De beelden en de snerpende viool van Alexander Ralanescu richten zich rechtstreeks tot de ziel.
Trying to Kiss the Moon is een uiterst persoonlijke, zeer gevoelige en rijke film. Door zijn grillige associatieve opbouw is het geen gemakkelijke film, maar wie zit er in deze tijd van gladde overvloed nog te wachten op iets wat makkelijk is?