Essay: liefde en jaloezie

Ontrouw, overspel en jaloezie

Onze geliefde moet mooi zijn en zich mooi maken. Niet alleen voor ons, maar ook voor de anderen; niet alleen om de geliefde in triomf aan andermans begeerte te onttrekken, maar ook om onze eigen honger aan te wakkeren. Die aanzet van jaloezie is de vuurslag van de begeerte.

P lotseling is alles bronst en geilheid. De meest banale beelden, simpelste gewaarwordingen en meest achteloze woorden verwijzen stuk voor stuk naar een begeerte die schuilgaat achter elk gebaar en iedere blik. Niets is meer zonder schuld of bijbetekenis. Overal klopt een animale drift, die op zijn beurt herinnert aan het zojuist ontdekte slaapgeheim: het verraad van de geliefde die met een ander vrijt.

Voor wie de ontrouw moet verdragen van degene met wie hij de innigste intimiteit meende te delen, stort de wereld niet in. Ze blijft gewoon overeind, maar verschiet wel tot in het onherkenbare van kleur en smaak. Ze pornografiseert, alsof in haar de sluizen zijn opengezet van een ongebreidelde seksualiteit die afstotelijk en goor is. De bedrogene is geobsedeerd door de begeerte van de geliefde naar een ander en hij ziet die overal in terug.

Wat tot het intiemste behoorde, ligt plotseling elders: zo niet op straat dan toch in andermans bed. En van daaruit vult het opnieuw de werkelijkheid en verft die in de schrilste en meest ordinaire kleuren. Van het ene moment op het andere is alles dierlijke loopsheid, waarin het mannetje en het wijfje elkaar grommend te lijf gaan. Goats and monkeys, schuimbekt Othello wanneer hij het bewijs van Desdemona’s overspel gevonden meent te hebben. De wereld lijkt nog wel dezelfde, maar heeft haar mombakkes afgelegd. Plotseling blijkt ze een wellustige heksensabbat.

Dat maakt haar monsterlijk. Het vertrouwde dat door een kleine omslag onherkenbaar is geworden, is het unheimliche. In de mate waarin de wereld deelt in het schuldige genot van de overspelige geliefde — en dat doet ze alleen al door te bestaan en onbekommerd voort te draaien — wordt ze zijn of haar oneindig uitvergrote medeplichtige. Zoals de bedrogene zijn geliefde niet meer herkent, zo herkent hij ook de wereld niet. In hun vertrouwde gelaat gloeit een drift die niet meer hem maar een ander geldt en waarbij hij slechts ontzet kan toezien.

Dezelfde gebaren die ooit tederheid uitdrukten, tonen nu een smerige begeerte die erom vraagt te worden uitgedrukt in een ontluisterde en ontluisterende taal. «De woorden moesten gezegd worden», denkt de op het preutse af ingetogen Evelien in René Appels thriller De echtbreker na de ontdekking van haar mans overspel: «Vrijen, gemeenschap hebben, neuken. Al die woorden, die haar een stekende pijn gaven: zijn geslacht in het hare, zijn pik in haar kut, haar borsten, haar billen.» Wie bedrogen is, stelt zich keer op keer de minnaars voor in hun omstrengeling en houdt met dat beeld het stelpen van de wond hardnekkig tegen.

Het schrijnen ervan is het enige wat er nog toe doet. Gekwetst toezien is wat de bedrogene aan de geliefde bindt en daarom mag de kwetsuur niet verdwijnen. Het bezoedelde, zich prostituerende lichaam blijft hem tot in details in gedachten, ook al gaat het hem uiteindelijk — zegt hij — niet om de seks. Hem kwetst de intimiteit die zij bij een ander heeft gevonden, waarin hij geen toegang heeft en waarin zij zichzelf is op een wijze die hem te enen male ontsnapt. Hij — maar voor haar geldt hetzelfde — maakt zich minder zorgen over wat er in die vertrouwelijkheid over hem kan worden gefluisterd, dan over het privilege op zich dat de derde daarin verkrijgt en dat een aantasting is van het eigen voorrecht.

Maar de bedrogene spreekt en denkt maar de halve waarheid. Die verraden innigheid concentreert zich wel degelijk in het verraderlijke lichaam en niet voor niets moeten de meest intieme delen daarvan het ontgelden. Haar overspelige geslacht, opengesperd voor de aanblik en de lust van iemand aan wie zij niet toekomt, wordt in zijn hoofd het aloude verfoeilijke orgaan van een onbeteugelbare tochtigheid. Zijn uitgezworven fallus is voor haar plots het voorouderlijk symbool van harteloze zelfzucht die zijn genot zoekt waar hij maar kan binnenglijden.

Het zijn vuile en gemene woorden die de bedrogene daarvoor reserveert en het is niet vreemd dat heel zijn ontzetting zich op de tast- en proefbare getuigen van het liefdesverraad wil wreken. Verminking van de trouweloze of van de binnendringer, of beter nog van allebei, is de favoriete dagdroom. Het geslacht moet worden weggebrand en uitgesneden; ieder spoor van het onduldbare moet gewist en voorgoed onmogelijk gemaakt. Soms blijft het niet bij dromen, maar de daad kan — in zijn geval — zelfs aan de stamtafel nauwelijks meer rekenen op clementie of begrip. In haar geval soms nog wel. De vrouw die haar overspelige echtgenoot ten einde raad ontmant, geldt in sommige milieus als een heldin.

Een derde heeft het lichaam en de geest van de geliefde geroofd en hij verdient dat niet, al was het maar op grond van het goddelijk recht van wat behoort. Hij is in alle gevallen de usurpator en altijd niet-presenteerbaar, maar daar schuilt voor de bedrogene een adder onder het gras. Liefst zag hij de indringer als een miserabel wezen, dat reeds op voorhand de verachting verdient waarmee hij zich als insluiper eerst recht beladen heeft. Maar daarmee wordt het bittere raadsel van de geliefde alleen maar onverteerbaarder. Dat zij voor een ander heeft gekozen, is op zich al een belediging van het begrip. Maar dat zij zich zou hebben vergooid aan een persoon die op geen enkele wijze respect afdwingt, maakt de krochten van haar begeerte eens te meer onnavolgbaar.

«Een opsnijder, een idioot», ontdekt de hoofdpersoon van Bernhard Schlincks verhaal ‘Der Andere’ uit de bundel Liebesfluchten, wanneer hij kennismaakt met de minnaar van zijn inmiddels gestorven vrouw. Maar de vraag is onbarmhartig: «Waarom had Lisa aan deze loser de voorkeur gegeven boven hem?» Hij krijgt het antwoord van de minnaar zelf: «Juist omdat ik een opsnijder ben. Niet het monster van efficiëntie. Omdat ik de wereld mooi maak.» Dan haalt de ontrouw op zijn beurt uit naar de bedrogene zelf. «Hij wilde niet dat zij bij de ander gelukkig was geweest en bij hem niet.» Hij berust pas, wanneer hij dat laatste voor zichzelf heeft weerlegd («Lisa was op veel verschillende manieren vrolijk geweest»), maar betaalt daarmee de prijs de aantrekkelijkheid van de ander te moeten erkennen.

Zo ironisch gaat het meestal niet. De schoft of slet die de liefde heeft geüsurpeerd blijft een monster, dat de geliefde van de weeromstuit even monsterlijk maakt. Wat hem of haar in de nieuwkomer aantrekt, is onbegrijpelijk of onbetamelijk en in geen van beide gevallen heeft het recht van bestaan. Dat de geliefde zich daaraan desondanks heeft uitgeleverd, bewijst dat deze terecht is gekomen in een unheimliche zone aan gene zijde van recht en rede. De bedrogene ziet een gelaat dat hij tot in de kleinste rimpels kent, maar waarvan de ogen, die ooit open en transparant zijn geweest, nog slechts glanzen met een ondoordringbaar licht. Huiveringwekkend en hartverscheurend tegelijk, blinkt in die blik voor de bedrogene de waanzin. De liefdesdeserteur — het kan niet anders — moet letterlijk gek zijn geworden.

In The Moon and Sixpence vertelt W. Somerset Maugham hoe Blanche, de zachtaardige en toegewijde echtgenote van de middelmatige Nederlandse schilder Dirk Stroeve, in de ban raakt van de ontembare Charles Strickland, gemodelleerd naar de figuur van Paul Gauguin. «Stroeve leek zich plotseling van zijn ongeluk bewust», schrijft Somerset Maugham. «En hoewel hij wist dat hij zichzelf daarmee nog absurder zou maken, begon hij te huilen. De anderen keken toe zonder een woord te zeggen. 'O, mijn liefste’, kreunde hij ten slotte, 'hoe kun je zo wreed zijn?’ 'Ik kan het niet helpen, Dirk’, antwoordde zij.»

Zij is oprecht. Aanvankelijk heeft zij Strickland, die door Stroeve in hun huis is gehaald, niet kunnen uitstaan. «Maar», zo schrijft Somerset Maugham, «ik vermoedde dat de heftige afkeer van Blanche Stroeve jegens Strickland vanaf het eerste begin een vaag element van seksuele aantrekkingskracht in zich had gehad. Misschien haatte ze Strickland omdat zij in hem de macht voelde om haar te geven wat ze nodig had. Blanche Stroeve was in de wrede greep van het verlangen. Ze hongerde naar hem, en niets van wat tot dan toe haar leven had gevormd deed er nog toe. Ze hield op een vrouw te zijn, gecompliceerd, aardig of kribbig, attent of gedachteloos; ze was een Maenade. Ze was begeerte.»

Dat is een andere waanzin dan die van Emma Bovary, wier overspel een simpel verlengstuk is van haar eigen wispelturigheid en haar overtuiging recht te hebben op de onverkorte en onmiddellijke vervulling van haar verlangens. Blanche eist niet stampvoetend datgene op wat zij voor haar recht houdt, en wel nu! Zij is zelf wellicht even ontzet over haar eigen begeerte, net zoals Sévérine dat is in Joseph Kessels Belle de Jour. Ook die laatste wordt verlokt door wat haar het meest tegenstaat, prostitueert zich dwangmatig en wordt ten slotte de minnares van de sinistere crimineel Marcel, die haar aftuigt. Wanneer hij haar zelfs buiten het bordeel beslaapt, heeft zij — schrijft Kessel — geen spijt en zelfs geen schaamte meer. «Die nacht genoot zij slechts als nooit tevoren.»

Een dergelijke waanzin verklaart veel en is voor de bedrogene zelfs geruststellend. De geliefde is eenvoudigweg een ander, maar daarmee verdwijnt ze wel onherroepelijk in het rijk van het pathologische. Niets heeft meer vat op haar. De makste woorden worden springstof en elk beroep op redelijkheid doet de in een verrukkingsroes ingesponnen geliefde af als chantage. Het optreden van de echtbreker is rücksichtslos en soms zonder genade. Bij het uitgaan trekt hij tergend langzaam de ring van zijn vinger en legt die voor haar neer op de keukentafel. Bij het minste protest eist zij provocatief de vrijheid op om zich niet alleen door haar minnaar, maar desnoods door diens hele vriendenkring te laten nemen. «En dat je het vanaf nu voorgoed weet», bijt de overspelige Thea haar man Gurdweill toe in David Vogels roman Huwelijksleven: «Ik ga met elke man naar bed die me bevalt, met allemaal! En ook met al je vrienden!»

Sévérine, die een dubbelleven blijft leiden, gaat lang niet zo ver. Blanche wel. «Stroeve smeekte haar genade met hem te hebben», schrijft Somerset Maugham. «Hij beloofde, als ze hem vergeven zou, alles te zullen doen wat ze wilde. Maar Blanche stond plotseling stil, en sloeg, zo hard als ze kon, haar man in het gezicht. Misschien ontleende ze plezier aan de marteling die ze hem toebracht. Ik vroeg me af waarom ze hem zozeer haatte. Maar er bestaat geen grotere wreedheid dan die van een vrouw jegens de man die haar liefheeft en die zij níet bemint. Dan is er geen goedhartigheid meer in haar, en zelfs geen verdraagzaamheid, maar alleen nog dolzinnige irritatie.» Omgekeerd is het ongetwijfeld niet anders. Bij vrouwen verbaast een dergelijke wreedheid alleen omdat wij gewend blijven aan een geslachtelijke stereotypie waartegen geen kruid gewassen lijkt. Maar heeft de bedrogene ook zelf niet enige schuld aan de kwellingen die hij moet doorstaan? Stroeve heeft Strickland zelf in huis gehaald, tegen de uitdrukkelijke wens van zijn vrouw in. In de grote roman De Maia’s van Eça de Queiroz, doet Pedro Maia hetzelfde met de flamboyante Napolitaanse prins Tancredo, zijn vriend en al snel de minnaar van zijn vrouw, die de prins aanvankelijk vanuit eenzelfde ambivalent onbehagen ontvluchtte. De echtgenoot is daar blind voor, ongetwijfeld, maar gaat daarmee soms niet een troebeler verlangen gepaard? Drijft de bedrogene de geliefde zelf niet in de armen van de minnaar; niet zozeer omdat hij zijn eigen liefde heeft verwaarloosd, als wel ter wille van die liefde zelf?

Er is geen beter bewijs dat het voorwerp van onze liefde die toewijding waard is, dan wanneer dat door anderen wordt geleverd. «Iedere liefde is tweedehands», heeft de Frans-Amerikaanse filosoof René Girard ooit opgemerkt. We ontvlammen in begeerte voor wie door een ander wordt begeerd, en pas daardoor wordt zij begerenswaardig. We zijn na-apende wezens, voortdurend op zoek naar bewijzen van de heimelijke begeerte van anderen die uitgaat naar wie ons het meeste dierbaar is, om daarmee ons eigen verlangen te voeden en te rechtvaardigen. And I love her, zongen de Beatles in het begin van de jaren zestig, direct gevolgd door de onthullende bekentenis: and if you say my love/ you’d love her too.

Onze geliefde moet mooi zijn en zich mooi maken, niet alleen voor ons, maar ook voor de anderen. En dat laatste op zijn beurt niet alleen om haar in triomf aan andermans begeerte te onttrekken, maar ook om via hen onze eigen honger naar haar aan te wakkeren. Die aanzet van jaloezie is de vuurslag van de begeerte, en soms hebben we meer dan alleen een aanzet nodig. Bedrogenen weten dat, en antwoorden op ontrouw met een wederverraad waarin de wraakzucht ondergeschikt is aan de hoop de liefdesjaloezie van de ander opnieuw aan te wakkeren. Maar verslavender is de jaloezie die Dostojevski’s Eeuwige echtgenoot zichzelf aandoet. Alleen door zijn vrouw in de armen van een ander te zien, kan hij van haar blijven houden. Zijn liefde is één aangehouden zelfprikkeling op de rand van het amoureuze fiasco, een roulette met zijn geliefde als inzet. Even verslaafd als de speler aan het spel, is hij aan de kwelling van het mogelijke overspel. Pas wanneer hij zijn beminde definitief heeft verloren, zal hij haar onvoorwaardelijk begeren.

Nog harder is de lust aan het mogelijk bedrog wanneer hij niet allereerst de liefde maar de geilheid zelf dient. Wanneer de beelden van de ander — omarmd, betast en genomen — voyeuristisch worden en de wanhoop van de jaloezie een direct verbond aangaat met de seksuele opwinding, raakt het verlangen vertroebeld en wordt de opwinding pervers. «In sommige nachten kon ik wel met mijn hoofd tegen de muur bonken, vooral wanneer ik wist dat Nina in de stad aan het stappen was», schrijft Hanif Kureishi in Intimiteit. «Waarschijnlijk voel je je door niets zo verlaten, wanhopig en buitengesloten als door seksueel verraad, dus is misschien de enige manier om dat niet te voelen niets te voelen voor de dame in kwestie. Het leek een soort vrijheid om Nina aan te moedigen met andere mannen om te gaan en haar over hen te laten vertellen.

'Hoeveel heb je er van de week gezien? En wat heeft de laatste met je gedaan?’

'Me gezoend.’

'En dat vond je goed?’

'Ja.’

'En dan betast hij je. En jij betast hem met de handen die ik nu kus. En…’

Hoe meer ze me vertelde, hoe mooier ze werd. Hoe meer afstand ik hield, hoe meer ik hoopte dat ze me wilde hebben.»

Zo erotiseert het overspel de wereld, die door datzelfde overspel eerst gepornografiseerd was geraakt. In het bedrog toonde zij zich als een erotisch negatief dat met de brutaliteit van haar geilheid het verlangen provoceerde dat de wereld radicaal van alle seksualiteit zou worden gereinigd. In zijn wraakzucht speculeert de bedrogene niet alleen op de geslachtelijke verminking van het overspelig paar, maar zelfs op zijn eigen castratie, die hem voorgoed uit het bronstig universum moet verlossen. In het groene gezicht van de liefde, dat de vorm aanneemt van een radeloze jaloezie, vernedering en verlatenheid, lijkt iedere charme onherroepelijk gecorrumpeerd.

Maar datzelfde bederf neemt zijn revanche en keert terug in een wulpse verstrengeling van horreur van de begeerte. «Als je bijvoorbeeld nu eens wist dat ik vandaag, maar één uur of nog korter geleden, bij een ander was?» zegt Thea in Huwelijks leven tegen Gurdweill. En, schrijft Vogel, «ze begon cynisch gedetailleerd te vertellen wat er zich tussen haar en die man had afgespeeld. Tegen zijn zin luisterde Gurdweill; vol weerzin onderging hij een ondraaglijke marteling. Maar toch, zonder dat hij het zich duidelijk bewust was, verschafte het verhaal hem ook een grimmig en bizar genoegen, dat perverse genoegen dat in lijden besloten ligt.»

Er gaat van het bedrog van de geliefde een opwinding en aanstekelijkheid uit waarin zelfs het plezier opnieuw de kop opricht. Een zeker masochisme is daaraan niet vreemd, maar de illegitieme lust waarin de overspelige minnaars zich wentelen prikkelt niet alleen daarom het voyeuristische genot. Het zijn de regelloosheid en de schuldigheid van het overspel zelf die erotiseren, want juist in haar overtreding van wet en gebod is de lichamelijke liefde in haar element. Datgene wat niet mag maar niettemin gebeurt, kleurt de afkeer met een verleidingskracht die zich rond het seksueel vergrijp verspreidt als een bijna panische elektrificatie van de zinnelijkheid.

Meer dan waar ook ontketent zich in het overspel een bandeloze geilheid die het hele universum vult met een belofte van erotiek. Als het verlangen zich zo kras buiten de paden van het welvoeglijke kan begeven als hier, dan heeft het in aanleg overal zijn speelveld. Daarom is het huwelijksbedrog de geheime droom van iedere geslachtelijkheid, die nu eenmaal teugelloos wil zijn. Het ontzet, maar in die ontzetting ziet de begeerte haar kans schoon zich uit te spreiden als een mateloze belofte, eens te meer omdat de morele orde die de seks aan banden hield door haar toch al is ondermijnd. Tot hun verbazing merken toeschouwers van het bedrog hoe tintelend hun verontwaardiging daarover is.

Want de afkeuring van het bedrog en overspel is er nog altijd niet minder om. Mochten zij, decennia geleden, kortstondig zijn beschouwd als de verplichte nummertjes van een gezonde seksualiteit, dan is hun (grotendeels veronderstelde) populariteit inmiddels gevoelig op haar retour. Trouw is een regel waarvan de overtreding steeds minder wordt getolereerd, opmerkelijk genoeg omgekeerd evenredig met de leeftijd. Maar de opwinding omtrent het niet-geoorloofde heeft haar eigen wetten, waarin de welvoeglijkheid een uiterst ambigue rol speelt.

De paradox van het overspel is dat de omstanders gewoonlijk de rijen sluiten in een morele afkeuring, maar dat de stimulans van de echtelijke liefde die daarvan het gevolg is niet alleen maar wordt gevoed door een verlangen naar herstelde legitieme seks. Ze leeft ook van een geheime opwinding over de onwettige lust van het overspelige paar. Terwijl rondom het huwelijksbedrog de morele normaliteit opnieuw wordt gemobiliseerd, ontdekt diezelfde normaliteit in haar eigen hart een ontoelaatbare passie. Ook zij verlangt heimelijk naar de slechting van iedere barrière en de ontketening van een seksuele anarchie. Liegend tegen zichzelf, omdat zij de kracht van dat verlangen niet mag erkennen, bereidt de panische toewending tot een verhevigd echtelijk verkeer in het geheim zo het eigen overspel voor. De jaloezie, die bij de bedrogene het groene medusagelaat van de liefde was, wordt bij de geschokte omstanders een heimelijke afgunst.

Zo wordt het overspel een seksuele utopie, waarin de lichamelijke liefde zich bekeert tot haar nachtzijde en haar schuldige perversie. Zelfs de bedrogene wordt door de zindering van de ontketende begeerte ten slotte aangestoken. In de seksuele honger die uiteindelijk ook hij ervaart, transformeert zijn verminkings- en castratiewoede zich in een erotisch roofdierschap. Ook hij, of zij, danst ten langen leste mee in de reidans van verlangen en verleiding. De zon schijnt wederom, maar voortaan zal ze aangetast zijn door een onmiskenbaar bederf, dat de erfzonde van de eros is. Als de liefde de eerste cyclus van haar reidans eenmaal heeft doorlopen, zal zij nooit meer onbekommerd lieflijk zijn.