Ontsnappen aan de mal

Persis Bekkering wil een scene in de tijd verankeren © Sacha de Boer / ANP

Persis Bekkering begint haar tweede roman Exces alsof ze een klopboor hanteert. De zinnen staan geramd op de pagina, zonder pardon, zonder onderscheid tussen wat er gezegd wordt en gedaan. Bonkig proza is het, ik ben drie keer opnieuw begonnen in deze roman om me er een weg doorheen te hakken. Maar dan heb je ook wat: een ‘rokerig’ Amsterdam, eind jaren tachtig, ‘een walmend slagveld’, inzoomend op twee mannen in een atelier, de een is de schilder, de ander diens opdrachtgever, beiden hebben hun obsessie, hun verborgen geliefde, weten niet van elkaar dat ze het object van begeerte delen, ‘Zij Die Alle Categorieën Doet Versplinteren’.

Als het geval in kwestie zich zomaar aandient op dat atelier, begeleid door haar laatste beschermheer, ook wel bekend als ‘de Gnoom’, wordt de atmosfeer nog dikker van de opgekropte spanningen. Drie mannen en een meisje, Nim genaamd, dat er niet tegen opziet in een helgeel ‘veel te diep uitgesneden’ balletpakje rond te dartelen, iedereen gek te maken. ‘Muziek! roept ze. Waar is de muziek? Ik heb zin in muziek!’ De mannen rennen voor haar, niet wetende dat met ieder van hen deze nimfijn, dit fille fatale, een geschiedenis heeft dan wel gaat krijgen tot de dood erop volgt.

Wat is dit voor een verhaal? Is het een zwart sprookje, een literaire variant op de film noir, is het een opera in woorden? Je krijgt geen tijd om het je af te vragen, zozeer denderen de zinnen voort, ze vormen zich tot strakke scènes, en tussendoor steeds van die met whisky geparfumeerde waarheden, over dat een vrouw zich niet eenvoudig laat vangen, en dat mannen simpel zijn, transparant.

Hugo Claus, dacht ik. Het fileren van minnaars en hun ziekmakend jaloerse gedoetjes à la Het jaar van de Kreeft, maar dan geschreven op z’n Bordewijks. ‘Vrouwen lagen altijd ineens in zijn bed, met gekrulde, vochtige mondjes.’ Vitalistisch proza waarin vuisten worden gebald, een vrij leven wordt afgedwongen, pilletjes gretig met lauw bier naar binnen worden geslobberd, kunst in staat is ‘de ruimte te vergroten van wat kan worden gevoeld en gedacht’.

Is dit een zwart sprookje, een literaire variant op de film noir?

Het tweede deel, gesitueerd in Berlijn begin jaren negentig, is wederom van een overrompelende kracht. Nim heeft zich met een van de mannen in de Berlijnse dancescene ondergedompeld. ‘Laatste utopie’ heet dit deel, de eindigheid van het hedonisme ligt er al in besloten, en het is inderdaad alsof we getuige zijn van massaal dansen op de vulkaan. Dit kan Bekkering erg goed, die zweterige hang naar de dansroes verbeelden, met gouden lichtjes, zweetdruppels, broekjes die tussen billen verdwijnen, en dat je na een nachtlang weer buiten staat en je dagkleren niet meer kunt vinden. Dan maar zo de metro in, aangegaapt door de ‘overdagmensen’ op weg naar hun werk. En zelf ondertussen diep vanbinnen voelen ‘dat iets eruit wil breken’.

Het personage Nim krijgt meer contouren, bezeten als ze is van het idee dat iedereen altijd bij elkaar moet blijven, zodat al het goede herhaald kan blijven worden, ‘ze wil dit moment, opnieuw, en opnieuw, en opnieuw’, tegelijkertijd is ze de meest trouweloze persoon denkbaar. De geschiedenis herhaalt zich, twee minnaars die elkaars bestaan niet bevroeden stuiten op elkaar, en eentje gaat dood. Nim is opnieuw de overlever, dansend: ‘Ze neemt ruimte in. Alle ruimte is van haar. Ze is sterk.’ Wat een stoere levenslust, wat een wereld op z’n kop.

Temeer onvergeeflijk dat hierna de actieve verteltoon transformeert naar iets innerlijks, ontaardt in monologen zonder tegenkracht, tientallen bladzijden lang. Aan grootse sprongen aan het oppervlak geen gebrek, het toneel verplaatst zich vanzelfsprekend naar New York, Londen, telkens opschuivend in de tijd, tot we ons, o actualiteit, in Amsterdam tijdens de lockdown bevinden. En onvergeeflijk is natuurlijk ook weer zo wat. Het is Bekkering kennelijk om iets anders te doen dan driehoeksverhoudingen binnenstebuiten keren, of een meisje haar vrijheid laten botvieren. Ze wil een scene in de tijd verankeren, een cultuur analyseren waarop je boven een bepaalde leeftijd alleen maar kunt terugblikken, je wonden likkend, de doden tellend.

De verve van het vertellen valt tussen de regels door nog wel te ontdekken, maar de woorden worden groter en abstracter en de bedoelingen ijler. Het is 2001 en New York staat op knappen: ‘We zullen altijd overal achteraan sjokken, met lichamen gebouwd voor een andere tijd.’ De zoon van een van de oude beschermheren is nu de topaap, Alfa, een choreograaf die Nims danskunst tot grote hoogtes verheft, maar ondertussen niet te vertrouwen blijkt op een #MeToo-achtige manier. Ik kan bedenken wat er gebeurt, maar helemaal te grijpen is het niet, behalve dat Nim zich uit die monogame hetero-mal wil bevrijden, dat model ‘van eigendom en schaarste’. Niemand kan haar weerhouden van schurken, snuiven, zuipen, dansen, climaxen zonder einde.

Het pleit voor de lenigheid van de schrijversgeest dat ze in het vierde en vijfde deel een andere invalshoek gebruikt, maar in de praktijk voelt het alsof ze de roman het nakijken geeft. Ja, we willen het allemaal geloven, dat Nim een verwoestend spoor trekt, opstijgt en weer een lijk achter zich laat, dat er ook nog een vader was, nu een vrouw heeft om zich aan vast te klampen, maar het is theorie geworden, het zijn woorden. Haar strijd vernauwt zich, wordt grimmiger, het hedonisme moet worden bevochten als ‘vrije ruimte’. Geld, macht, oorlog, Freud, alles en iedereen komt voorbij, om tot een soort kernvraag te komen naar wat het betekent om van iemand te houden. Ik zie het, ik lees het, ik heb me tot het einde toe die weg gehakt, hopend dat het weer zou gaan daveren.