Profiel: Erich Fromm

Ontsnappen aan de vrijheid

In de moderne maatschappij kan vrijheid een vloek én een zegen zijn, zag Erich Fromm. In zijn werk wilde hij de vraag beantwoorden hoe het kan dat de mens wegvlucht van de vrijheid en zichzelf in de armen van een autoritair systeem als het fascisme stort. Waarin schuilt de aantrekkingskracht daarvan?

Mij is geleerd dat het te allen tijde beter is niet te koop te lopen met mijn onnozelheid, maar sta me toe dat ik voor één keer een uitzondering maak en maar meteen beken dat zodra het over Freud gaat de grond onder mijn voeten verweekt. Het is, o ironie, allemaal de schuld van een vroege ervaring: toen ik onlangs mezelf mentaal op een sofa neervlijde en de wortels van dit onzekere gevoel uitgroef, stuitte ik, ten langen leste, op Karel van ’t Reve. ‘Dag meneer Van ’t Reve’, zei ik, een beetje beduusd. In de korte stilte die daarop volgde besefte ik wat er aan de hand was. Jaren eerder, juist toen ik me vagelijk bewust begon te worden van de duizelingwekkende omvang van Freuds uitzinnige denkwereld – de libidineuze driften en de droomduiding, de doodsdrift en het oedipuscomplex – had ik bij toeval gehoord hoe de hoogleraar Russische literatuur, met die voor hem zo kenmerkende matter of factness in zijn stem, de goede dokter in een radio-interview had omschreven als ‘de Weense kwakzalver’.

Het is toch wonderlijk hoe één zo’n honinglepeltje spot voldoende kan zijn om je voor de rest van je leven tegen het een of ander te inoculeren. Hoe één zo’n opmerking genoeg blijkt te zijn om ervoor te zorgen dat je voortaan, zodra je probeert een beetje grip te krijgen op dat fantastische bouwwerk van taal voor de onuitsprekelijke diepten van de menselijke geest, over van alles en nog wat begint te twijfelen.

Dit zal nu wel weer projectie achteraf zijn, maar ik geloof nu dat deze onzekerheid een van de redenen is dat ik direct sympathie koesterde voor Erich Fromm en zijn boek De angst voor vrijheid (1941). Want ook de Duitse psychoanalyticus, Frankfurter Schule-filosoof en latere vredesactivist worstelt in zijn boek opzichtig met de erfenis van Freud en de geestdodende orthodoxie van diens trouwste volgelingen. Fromm zelf was, op z’n zachtst gezegd, niet bepaald streng in de leer. Hij was, zoals een van zijn biografen het eens puntig omschreef, als psychoanalyticus eerder een onderdeel van ‘Freud’s loyal opposition’.

Is worstelen wel het goede woord? Hij gaat eigenlijk wel behoedzaam te werk wanneer hij schrijft over de ruimte die is ontstaan tussen Freuds ideeën en zijn eigen gedachten. Hij is er nergens op uit Freuds verdedigers te provoceren, maar zijn twijfels over het werk van de Weense dokter heeft hij duidelijk al in de jaren die hieraan voorafgingen voldoende afgetast om nu zonder al te veel omhaal te schrijven over wat hij wil behouden, en waarvan hij zonder al te veel pijn in het hart afscheid kan nemen om ruimte te maken voor zijn eigen ideeën over de vraag hoe de menselijke psyche precies wordt gevormd. Welke driften spelen uiteindelijk daadwerkelijk een rol van betekenis? En hoe belangrijk is dat wat zich buiten het individu en zijn binnenleven afspeelt?

Freud was volgens Fromm ‘zo doordrenkt van de geest van zijn tijd dat hij bepaalde grenzen daarvan niet kon overschrijden’. Gevolg daarvan was dat Freud ‘de normale mens en irrationele verschijnselen die in het maatschappelijk proces optreden’ niet scherp in het vizier kreeg. Wat hem betrof zag Freud het veld der menselijke betrekkingen veel te veel als een soort markt, een uitwisseling van biologisch gegeven behoeften ‘waarbij de verhouding tot de medemens steeds het middel tot een doel is, maar nooit een doel in zichzelf’. Volgens Fromm was daarentegen de verhouding tussen het individu en de wereld uiteindelijk het echte kernprobleem van de psychologie.

Freud geloofde uiteindelijk in het primaat van in een biologische realiteit ingebedde instincten en driften, terwijl Fromm langzaam maar zeker overtuigd was geraakt van een heel ander idee: dat het menselijk karakter wel zulke biologische wortels had, maar dat het net zo goed in een sociale werkelijkheid werd gevormd: ‘De menselijke natuur is noch een biologisch constante en aangeboren som van driften, noch het levenloze schaduwbeeld van cultuurvormen en schema’s waaraan het zich zonder wrijving aanpast. Ze is het product van de menselijke ontwikkeling, maar bezit evenzeer zelf inherente mechanismen en wetten.’

Voor Fromm bezat de maatschappij daarmee niet louter een onderdrukkende functie, maar ook een scheppende: ‘De geaardheid van de mens, zijn hartstochten en zijn angsten zijn een cultureel product. In feite is het menselijk individu zelf de belangrijkste daad en schepping van een nimmer eindigend menselijk streven; het verslag daarvan noemen we zijn geschiedenis.’

In december 1940 ligt het eerste nummer van Captain America in het stripschap in de kiosk. > F. Scott Fitzgerald overlijdt, ervan overtuigd dat zijn schrijverschap is uitgelopen op een totale mislukking. Richard Pryor en Frank Zappa worden geboren. (Wij moeten het die maand doen met Harmen Siezen en Peter Koelewijn.) Winston Churchill richt zich in een radiotoespraak tot het Italiaanse volk en zegt dat Mussolini hen een rad voor ogen draait. ‘One man has arrayed the trustees and inheritors of ancient Rome upon the side of the ferocious pagan barbarians.’ Intussen woedt de Second Great Fire of London: nadat de stad door de Luftwaffe is gebombardeerd zijn meer dan vijftienhonderd branden uitgebroken. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan spreekt Churchills collega fdr van bij het haardvuur zijn eigen natie toe: hij zegt dat het land verplicht is zich te transformeren tot het ‘arsenaal van de democratie’. In het hart van Europa treft Hitler de eerste voorbereidingen voor Unternehmen Barbarossa. Of de Endlösung der Judenfrage dan al in zijn achterhoofd speelt valt onmogelijk te zeggen, het duurt nog precies een jaar voordat Joseph Goebbels, de ochtend na een speech van de Führer, in zijn dagboek noteert: ‘Bezüglich der Judenfrage ist der Führer entschlossen, reinen Tisch zu machen.’

Terwijl de wereld in brand staat, en hij alles op alles zet om vrienden en familie weg te krijgen uit de hel waarin Europa in rap tempo verandert, werkt Fromm hard aan het manuscript van Escape from Freedom. Hij zegt zijn patiënten af en laat de feestdagen aan zich voorbijgaan. Hij heeft bij zijn uitgevers aangedrongen op snelle publicatie en nu zelf zijn aanvankelijke deadline van begin december gemist. Begin januari willen ze het manuscript in handen hebben.

Het ging hem erom die ene vraag te beantwoorden: waarom vlucht de mens weg van de vrijheid, in de armen van haar tegenhanger? Voor Fromm was duidelijk dat men, om het fascisme op wat voor manier dan ook te kunnen bestrijden, het vooraleerst diende te begrijpen. Er waren natuurlijk de economische en sociale omstandigheden die een belangrijke rol hadden gespeeld en die de onstuitbare opkomst van Hitler en Mussolini op de een of andere manier verklaarbaar leken te maken, maar de fundamentele vraag die hij wilde stellen was een andere, hij wilde zijn licht laten schijnen op wat hij omschreef als ‘het menselijke probleem’.

Waarin school de aantrekkingskracht van het fascisme? Op welke psychologische vraag was het een antwoord? Wat maakte dat de moderne mens opeens in zoveel landen zo gretig bereid bleek zijn persoonlijke vrijheid op te offeren op een altaar van een gemeenschappelijke lotsbestemming? Hoe konden ze hun vrijheid opgeven ‘met dezelfde gretigheid als waarmee hun voorvaderen ervoor hadden gevochten’?

Fromm zocht zijn antwoord niet in aangeboren eigenschappen maar in de manier waarop de menselijke geschiedenis eeuwenlang had ingewerkt op de individuele geest. Toen de mens zoveel persoonlijke vrijheid had verworven dat hij boven zijn oorspronkelijke eenheid met de natuur uit was gestegen, en hij zogezegd voor het eerst werkelijk een individu was geworden, restte hem volgens Fromm geen andere mogelijkheid dan zich opnieuw met de wereld te verbinden. Existentiële eenzaamheid is immers voor vrijwel iedereen onverdraaglijk. Maar, waarschuwde Fromm, die nieuwe vereniging met de wereld ‘dient te geschieden in de vrije oorspronkelijkheid van liefde en productieve arbeid’, want het enige alternatief dat hij zag was dat men anders een vorm van zekerheid zou ‘zoeken in banden met de omgeving die zijn vrijheid en zijn persoonlijke, menselijke waardigheid juist te gronde richten’.

De vraag waarom mensen die vrij zijn angstig zijn ging Erich Fromm het meest aan het hart

Erich Fromm werd in 1900 geboren in Frankfurt, het financiële hart van Duitsland en de stad waar, zoals zijn biograaf Lawrence J. Friedman opmerkt in The Lives of Erich Fromm: Love’s Prophet, economische, politieke en intellectuele veranderingen in de Duitse maatschappij vaak voor het eerst zichtbaar werden. Zijn moeder Rosa beviel amper negen maanden nadat ze in het huwelijk was getreden met de net als zijzelf orthodox-joodse Naphtali Fromm. Naphtali kwam uit een prominent geslacht maar was zelf op de maatschappelijke ladder niet bijzonder hoog geklommen. Waar al zijn broers en zussen goed terecht waren gekomen, was hij een simpele wijnhandelaar geworden en hij werd zijn hele leven geplaagd door het gevoel tekort te zijn geschoten. Naphtali’s grootvader was, halverwege de negentiende eeuw, zelfs een van de beroemdste rabbijnen van zijn tijd geweest en deze Seligmann Bär Bamberger gold als een lichtend voorbeeld voor zowel Naphtali als zijn zoon Erich. De rabbijn had voor zijn tijd behoorlijk vooruitstrevende ideeën gehad, maar hij had in de verbeelding van de jonge Fromm toch ook een haast middeleeuws bestaan geleid, een toegewijd leven dat volledig in het teken stond van het bestuderen van de thora. Hij droomde er aanvankelijk van in de voetsporen van zijn overgrootvader te treden en rabbijn te worden.

De Eerste Wereldoorlog zou Fromm later bestempelen als de belangrijkste ervaring van zijn leven. Hij was veertien toen de oorlog uitbrak en terwijl de wereld om hem heen in een steeds grotere chaos veranderde, werd hij langzaam volwassen. Friedman beschrijft in zijn biografie hoe Fromms leraar Latijn de Duitse bewapening te vuur en te zwaard had verdedigd omdat, zo beweerde hij, een omvangrijk wapenarsenaal uiteindelijk zou helpen de vrede te bewaken. Maar toen de oorlog eenmaal een feit was, verkeerde deze man in een regelrechte jubelstemming. En hij niet alleen, want Fromm zag tot zijn afschuw hoe op zijn school, die zich erop liet voorstaan het humanisme in de klassieken te onderwijzen, de ene na de andere klasgenoot en docent voor de bijl ging. Vrijwel allemaal werden ze binnen de kortst mogelijke tijd vurige nationalisten die geen kwaad woord over Duitsland wilden horen en die alle schuld voor het conflict toeschreven aan de onbetrouwbaarheid van de Engelsen.

Het is een anekdote die vooruitwijst naar het boek waarmee hij tijdens de volgende oorlog zijn naam zou vestigen. Maar dat riekt toch ook weer naar projectie achteraf, want Fromm zou in de twee tussenliggende decennia pas werkelijk intellectueel worden gevormd.

Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog raakte hij in de ban van Nemeiah Nobel. Rond deze rabbijn, in wiens denken joodse tradities op een vanzelfsprekende manier samengingen met een kantiaans universalisme, vormde zich een kring van veelal jonge intellectuelen. Naast Fromm maakten ook mensen als Leo Löwenthal, Gershom Sholem en Martin Buber daarvan deel uit. Toen Nobel overleed vervolgde Fromm zijn thorastudie onder een Russische socialist, Salman Rabinkow, in veel opzichten een briljante denker, maar hij kreeg zijn hele leven amper een letter op papier. In Heidelberg studeerde Fromm onder Alfred Weber, de broer van Max, die hem de beginselen van het sociologische onderzoek bijbracht en hem begeleidde bij zijn onderzoek naar de joodse wetten in de diaspora.

Na zijn terugkeer in Frankfurt werd hij hoofdredacteur van een kleine joodse krant en ontmoette hij Frieda Reichmann. Het was Reichmann, bijna elf jaar ouder dan hijzelf, die hem in aanraking bracht met de wereld van de psychoanalyse. Ze nam hem in analyse, maar hield daarmee op toen de twee een relatie kregen. In 1926 trouwde het stel en het verhaal wil dat Fromms vader toen het eenmaal allemaal beklonken was met hoorbare opluchting in zijn stem zei: ‘Zo, nu kun jij voor hem zorgen’. Het duurde niet lang voordat de twee samen een praktijk openden en ophielden hun geloof te belijden. (Ze aten gerezen brood tijdens Pesach en toen dat geen noemenswaardige gevolgen leek te hebben volgden ook oesters en kreeft.)

In retrospectief lijkt hij een beetje een vreemde eend in de bijt: de ‘profeet van de liefde’, die van bijna al zijn boeken (op één na) meer dan een miljoen exemplaren verkocht, daar in die tempel van de Kritische Theorie, zo tussen Horkheimer en Adorno en Marcuse. Anders dan sommige titels van zijn collega’s was Fromms werk allesbehalve hermetisch te noemen, hij schreef boeken die, in de woorden van psychoanalyticus Adam Phillips, jonge mensen konden inspireren. Volgens Phillips overigens ‘always a good sign’.

Maar voor Horkheimer, die kort daarvoor de leiding over de Frankfurter Schule op zich had genomen, was Fromm een vanzelfsprekende kandidaat. Een marxist (maar niet te streng in de leer: Fromm was vooral geïnteresseerd in de vroege Marx, in wie hij voor alles een humanist ontwaarde) en een freudiaan (maar al behoorlijk rekkelijk) en een onderzoeker met in ieder geval een minimale hoeveelheid verstand van sociologisch veldwerk.

Fromm verdeelde zijn tijd tussen zijn praktijk als analyticus en het instituut, waar hij niet alleen doorwrochte essays bijdroeg aan een reeks publicaties, maar waar hij zich vooral ook bezighield met een gigantisch onderzoeksproject dat later een belangrijke bron zou zijn voor De angst voor vrijheid. Horkheimer wilde dat het instituut onderzocht hoe het gesteld was met de mentale weerbaarheid van de Duitse arbeider. In hoeverre kon men ervan op aan dat de gewone Duitser bereid zou blijken de strijd aan te gaan met het oprukkende nationaal-socialisme? Of moest worden gevreesd dat elk verzet beperkt zou blijven tot een kleine voorhoede en dat dat verzet in de knop zou worden gebroken omdat een stille meerderheid zich zonder veel omhaal achter de macht zou scharen?

Om helderheid te verschaffen werden er duizenden vragenlijsten verspreid, surveys met maar liefst 271 open vragen die inzicht moesten bieden in de psychische gesteldheid van het Duitse volk. Op de representativiteit van de onderzoeksresultaten viel een hoop af te dingen – en een groot deel van de wel ingevulde surveys zou zoekraken tijdens het overhaaste vertrek van het instituut uit Frankfurt, eerst naar Genève en vervolgens naar New York – maar toen de onderzoekers de eerste resultaten verzamelden ontdekten ze tot hun schrik dat een opvallend groot deel van de respondenten zich weliswaar sterk vereenzelvigde met linkse partijen en hun programma’s, maar dat hun karakter verried dat hun diepere waarden niet direct op die uitgedragen ideeën leken aan te sluiten. Slechts vijftien procent van de respondenten was volgens de onderzoekers consequent anti-autoritair, terwijl een veel groter deel deels of in sterke mate wel autoritaire trekken vertoonde.

Niet lang nadat het Institut für Sozialforschung, de thuishaven van de mannen van de Frankfurter Schule, mede door Fromms inspanningen, een onderdak had gevonden bij de Columbia-universiteit in New York verslechterde de relatie tussen Fromm en een aantal van zijn collega’s. Er was wat gedoe over geld, het kostte een lieve duit om zo veel mogelijk mensen weg te krijgen uit Europa en het instituut wilde of kon niet altijd bijspringen, maar uiteindelijk was er een intellectuele kloof die niet langer overbrugbaar bleek. Waar Horkheimer, Adorno, Marcuse en anderen de freudiaanse orthodoxie steeds sterker omarmden, raakte Fromm steeds overtuigder van zijn eigen concept van het sociaal-gevormde karakter en het belang van de humanistische ideeën in het vroege werk van Marx.

Adorno, niet vies van een beetje ambitie binnen de organisatie, vond Fromm te veel een ‘professionele jood’ en een ‘sentimentele’ sociaal-democraat, wiens synthese van Marx en Freud veel te oppervlakkig was. Fromm was over het algemeen een nette man, maar dit kon hij niet over zijn kant laten gaan. Hij noemde Adorno op zijn beurt ‘a puffed up phrase-maker with no convictions and nothing to say’. Uiteindelijk werd hij de laan uitgestuurd, maar al terwijl zijn banden met het instituut begonnen te verwateren vond Fromm, die direct in het Engels was gaan schrijven en zich enthousiast mengde onder de andere onderzoekers aan Columbia, aansluiting bij een groep antropologen (Margaret Mead en Ruth Benedict) en eigengereide, neo-freudiaanse psychoanalytici (Harry Stack Sullivan en Karen Horney) die samen de Culture and Personality Movement vormden.

Begin 1939 vertelde Fromm een bevriende socioloog wat hij met De angst voor vrijheid voor ogen had. De titel maakte het leidmotief ondubbelzinnig duidelijk: de vraag waarom mensen die vrij zijn angstig zijn ging hem het meest aan het hart. Hij was ervan overtuigd, zei hij, dat als de primaire banden die een mens ooit zekerheid boden eenmaal zijn doorgesneden er in zekere zin geen weg meer terug is. Al wat dan nog rest is een vlucht naar voren, de enige vraag is dan nog: waarheen vlucht men? Volgens Fromm liggen er in feite maar twee wegen open. De eerste mogelijkheid is dat de mens ernaar streeft ‘zijn zelf op te laten gaan in een grotere macht’. Het enige alternatief is volgens hem ‘de wereld omarmen en er eenwording mee zoeken door middel van liefde en spontane activiteit’.

Fromm wilde zijn lezers helpen zichzelf beter te begrijpen. En waarom zou dat niet een stap kunnen zijn op weg naar een meer vervuld leven?

Het individuatieproces dat Fromm in De angst voor vrijheid beschrijft vindt op twee niveaus plaats. Allereerst is er de ervaring die iedere pasgeborene doormaakt. De wijze waarop we weliswaar van het ene op het andere moment geen onlosmakelijk deel van een ander meer zijn, maar daarna nog wel lange tijd eerst volledig en daarna deels afhankelijk van anderen zijn. Langzaam, heel langzaam, komen we los uit deze primaire banden en beginnen we een besef te ontwikkelen van ons anders-zijn, ons eigen-zijn. En terwijl we fysiek en emotioneel groeien begint zich een geïntegreerde persoonlijkheid te vormen die zich moet zien te verhouden tot de rest van de wereld. We worden een individu.

Erich Fromm in 1974. Fromms werk was alles­behalve hermetisch, hij schreef boeken die jonge mensen inspireerden © Rainer Funk / Müller-May 

Een soortgelijk proces had volgens Fromm sinds de Middeleeuwen op het hogere niveau van onze beschaving plaatsgevonden: de mens was losgeraakt uit een totaal vanzelfsprekende inbedding, een samenvallen met de natuur, en voor die bevrijding betaalde hij een prijs. Een nieuw gevoel van onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid voor het eigen bestaan leverde ook nieuwe gevoelens van eenzaamheid en isolatie op. Waar de mensen aan negatieve vrijheid wonnen – ze werden minder beperkt door anderen – ging dat niet vanzelfsprekend gepaard met een toename van hun positieve vrijheid: er waren lang niet altijd meer mogelijkheden om op een waardevolle wijze invulling te geven aan die vrijheid.

Het samenspel tussen vrijheid als vloek en als zegen was volgens Fromm een van de belangrijkste kenmerken van de moderne maatschappijstructuur. Het was wat hem betrof zonneklaar dat de geestelijke behoefte aan binding voor mensen net zo fundamenteel is als de fysiologisch bepaalde behoefte aan eten en een dak boven je hoofd. ‘Door zich ervan bewust te zijn dat hij onderscheiden is van de anderen en van de natuur, en door het inzien – hoe vaag ook – van zijn eigen kwetsbaarheid en sterfelijkheid, beseft de mens immers ook onvermijdelijk de onbetekenendheid en nietigheid van zijn eigen individuele bestaan (…) Tenzij hij zelf een eigen plaats in het sociale mozaïek en zijn leven een zin en een doelmatigheid bezit, zou hij zich als een stofdeeltje voelen en overweldigd worden door eigen nietigheid’, schrijft Fromm.

Voor zijn verhaal over het individuatieproces ten tijde van de Renaissance en de Reformatie leunt Fromm zwaar op het werk van Jacob Burckhardt en Max Weber. Hij schildert de geschiedenis met een grove kwast. Friedman merkt ergens in Love’s Prophet droogjes op dat Fromm ‘excessive liberties’ nam met de specifieke context van twee sterk verschillende tijdvakken én het grote historische interval ertussenin. De directe lijn die Fromm trekt tussen Luther en Hitler (een ideologische overeenkomst in de nadruk die werd gelegd op de slechtheid van de menselijke inborst en de wijze waarop een onderwerping aan een grotere macht als oplossing werd gepresenteerd voor een door sociale en economische omstandigheden gecreëerde vereenzaming) is volgens Friedman op z’n best ‘problematisch’ te noemen. Maar, zo zegt Friedman, Fromm schreef nu eenmaal niet als een historicus maar als een intellectueel die een algemeen standpunt probeerde te formuleren, een in de geschiedenis gegrondvest antwoord op de vraag waarom de wereld waarvan hij getuige was in zoveel opzichten ‘onderworpener’ leek te worden.

Hoewel de toekomst van Europa zijn gedachten grotendeels bepaalde, schreef hij toch ook bewust voor een Amerikaans publiek en wilde hij zijn verhaal groter maken dan alleen het historische moment. Hij was evengoed nieuwsgierig naar de manieren waarop mensen in democratische samenlevingen vorm gaven aan hun vluchtgedrag. De onschuldigste vorm die hij kon ontdekken was de vlucht in het ‘automatisch conformisme’. Het was iets wat hij in de kapitalistische consumptiemaatschappij overal zag: de wijze waarop elke tegenstrijdigheid tussen het ik en de wereld verdwijnt omdat het ik er onbewust voor kiest op te houden zichzelf als een individu tot de wereld te verhouden, maar in plaats daarvan overgaat op een voortdurende aanpassing aan de verwachtingen van zijn culturele omgeving. Het is in deze hoofdstukken dat het boek een schaduw vooruit werpt naar een hausse van studies naar de geestelijke gesteldheid van de gewone man onder het juk van het kapitalisme die in de eerste decennia na de oorlog losbarst.

De angst voor vrijheid maakte van Fromm in één klap een generalist. Voortaan zou hij voor een breed publiek schrijven. Over psychoanalyse, marxisme en het zenboeddhisme, over het belang van een bepaald soort eigenliefde – als basisvoorwaarde voor het kunnen leven van een creatief leven en het kunnen liefhebben van anderen – over hoop in de technologische samenleving en, helemaal aan het einde van zijn leven, over twee fundamentele manieren om je tot de wereld te verhouden: die van het hebben en die van het zijn.

Een beetje oneerbiedig gezegd, maar het gekissebis over de juiste verhoudingen in het mengsel van Marx en Freud heeft toch ook iets oubolligs. Waarom zouden wij, mensen die niet dagelijks bezig zijn met een linkse richtingenstrijd van meer dan een halve eeuw geleden, Fromm blijven lezen? Wat maakt zijn werk zo fris dat het nog altijd in druk is en nog altijd verkoopt? (Zijn verkoopcijfers zijn werkelijk duizelingwekkend, zelfs Gods plaatsvervanger op aarde had Een kwestie van hebben of zijn op zijn pauselijke nachtkastje liggen.)

De angst voor vrijheid lag lang op een stapel boeken die ik, in theorie, op enig moment nog eens wilde lezen – zo’n stapeltje ijdele hoop waarmee ieder lezersleven weleens is gevuld. Ik weet nog precies met welk idee ik het boek erop had gelegd. Voor het eerst sinds Fromms tijd leken de krachten van het autoritarisme aan allerlei zijden van allerlei oceanen de wind in de zeilen te hebben. Zelfs Fromms land van aankomst, het zelfbenoemde baken van vrijheid en democratie waar hij de vlucht voor de vrijheid vooral terugzag in een eindeloze hang naar oppervlakkigheid en conformisme, bleek opeens een veelheid van duistere verlangens te herbergen. Een sadomasochistische, narcistische politicus die niets anders te bieden had dan de geborgenheid van gedeelde haat liet zich op een golf van autoritaire verlangens naar het Witte Huis meevoeren. En het was niet gek om te denken dat zijn aantrekkingskracht deels voortkwam uit hoe evident hij geloofde in de slechtheid van de mens, en in hoe onbekommerd hij er zijn schouders over ophaalde.

Uiteindelijk las ik het boek pas nadat hij van het toneel was verdwenen maar Fromms verhaal resoneerde er niet minder om. De vragen die hij opwerpt zijn niet per se eeuwige vragen, maar ze overstijgen moeiteloos vele generaties. Hij doet een heel specifiek besef van tijd ontwaken, zo lijkt het. Een besef van langzame veranderingen, een besef van hoe de geschiedenis op de mens inwerkt terwijl de mens op de geschiedenis inwerkt. Een besef van hoe onze omstandigheden ons mens maken, en hoe onze menselijkheid onze omstandigheden maken. De afstand tussen 1941 en 2021 verschrompelt tot iets onbeduidends wanneer je je afvraagt op welke manieren we op de vlucht slaan wanneer we worden geconfronteerd met een vrijheid die ondraaglijk blijkt te zijn.

De angst voor vrijheid werd gepubliceerd voordat de werkelijke omvang van de duisternis die bezit had genomen van Fromms thuisland kon doordringen. Maar ook met die kanttekening in het achterhoofd is de optimistische toon waarop hij zijn boek over de onweerstaanbare aantrekkingskracht van het autoritarisme schrijft opvallend te noemen. Je zou zijn draai aan het einde van een verhaal over de vlucht voor vrijheid, zijn beleden geloof in de kracht van het humanisme en democratische vrijheden, als een ‘leap of faith’ kunnen omschrijven. Het is haast alsof hij het als ‘historische onvermijdelijkheden’ ziet, schrijft Friedman ergens. Zo reëel als de vlucht voor vrijheid is, zo fundamenteel is het menselijke verlangen het eigen leven vorm te geven.

Dit einde biedt een glimp van de figuur die Fromm in de jaren daarna zou worden. Hij veranderde van een toegewijde academicus en onderzoeker in een denker met soms profetische neigingen. Freud noemde voor wie in analyse was normale ongelukkigheid het hoogste streven, maar Fromm wilde meer. Niet alleen voor zijn patiënten, maar ook voor zijn lezers. Hij wilde ze helpen zichzelf beter te begrijpen. En waarom zou dat niet een stap kunnen zijn op weg naar een meer vervuld leven?

Dat voor Fromm de dreiging van een nucleaire holocaust de gehele tweede helft van zijn leven reëel was, maakt dat ook zijn werk doordrongen is van een urgentie die op een andere manier nog altijd als de onze voelt. Zijn laatste boek, Een kwestie van hebben of zijn, schreef hij enkele jaren na de publicatie van De grenzen aan de groei, het belangrijkste rapport van de Club van Rome. ‘Naar een nieuwe levensoriëntatie in de consumptiemaatschappij’ luidt de ondertitel die hij het boek meegaf. Het is deze generatie overstijgende kwaliteit die maakt dat zijn werk, ook als het soms intellectueel afgeraffeld is of profetisch op een manier die de tand des tijds onmogelijk doorstaat, blijft resoneren. Want voor wie wordt geconfronteerd met een ten diepste onbevattelijk kwaad of de dreiging van de eigen vernietiging liggen uiteindelijk maar twee wegen open: men kan een als wereldwijsheid vermomd cynisme omarmen of vluchten in de armen van de hoop. Een hoop die wellicht naïef zal blijken, maar die zelfs dan nog uitdrukking zal hebben gegeven aan iets wat dat niet is: geloof in het leven.