Ontsnappen aan de wereld

In Handboek voor de vagebond beschrijft cultuurhistoricus Léon Hanssen het doen en laten van mensen die de maatschappij de rug toekeren. Daarbij houdt Hanssen er een pessimistische blik op de samenleving op na.

De Russische schrijver Dostojevski, geheel links, in gevangenschap, circa 1850 © AKG / ANP

Is Léon Hanssen een vagebond? Is Léon Hanssen een vrije denker? Bij het lezen van zijn Handboek voor de vagebond: In de voetsporen van vrije denkers is dat een vraag die je je al snel stelt. Een antwoord krijg je overigens niet. Duidelijk is evenwel Hanssens onversneden sympathie voor de vagebond.

Zo’n vagebond is een man (vrouwelijke vagebonden lijken zeldzaam) die de moderne samenleving verafschuwt en zich vervolgens zwervend, mijmerend en anoniem door het leven begeeft. Al zijn er nogal wat uitzonderingen op die anonimiteit, onder wie Rousseau, Thoreau, Nietzsche, Wittgenstein en Pier Paolo Pasolini, om een kleine greep te doen uit de personages in Hanssens boek.

Dat Hanssen de vagebond al in de ondertitel van zijn boek definieert als vrije denker, is slecht nieuws voor de gewone burger. Wie midden in de samenleving staat, wie in grote lijnen met de maatschappelijke orde instemt en zich ook nog eens verweven voelt met zijn werk, zijn thuis en zijn vrienden, zo iemand kan van alles zijn, maar een vrije denker is hij volgens Hanssen niet.

Léon Hanssen (1955) is cultuurhistoricus, verbonden aan de Tilburgse universiteit en onder meer biograaf van Menno ter Braak en Piet Mondriaan. Ooit, begin jaren zeventig, had hij verkering met de dochter van een onderdirecteur in een typelintenfabriek. Openhartig liet Hanssen deze onderdirecteur weten niet van zins te zijn een carrière na te jagen. Léon wilde het leven ‘op zich af laten komen’. De onderdirecteur, die zich met veel pijn en moeite had opgewerkt tot de functie die hij nu bekleedde, schoot dit in het verkeerde keelgat. Vervolgens sprak hij woorden die Hanssen nooit zou vergeten: ‘jij bent een vagebond’. Daarop volgde de mededeling dat Hanssen de relatie met zijn dochter wel op zijn buik kon schrijven.

Dat was uiteraard een pijnlijk moment. Tegelijkertijd vond Hanssen het fijn om als vagebond te worden gelabeld. Ergens moet hier een fascinatie geboren zijn die nu, bijna vijftig jaar later, culmineert in dit vijfhonderd pagina’s dikke lees-, studie- en bladerboek.

Hanssen is een erudiet persoon die zijn lezers meesleept langs de rafelranden van de Europese cultuurgeschiedenis. Het boek zit tjokvol anekdotes, bespiegelingen en uitstapjes. Van de heilige Augustinus tot de pornografische Bataille en van de kunst van het wandelen tot het wonen in hutten.

Van de lezer wordt verwacht dat hij zich door de schrijver letterlijk op sleeptouw laat nemen, want bijzonder logisch werkt Hanssen niet, laat staan chronologisch. Dat zou je een probleem kunnen noemen, maar het is ook een charme. Wat Hanssen over A Field Guide to Getting Lost van Rebecca Solnit opmerkt, ter verdediging van de kritiek dat het niet altijd duidelijk of helder genoeg zou zijn, gaat ook op voor zijn eigen werk. ‘Een boek over verdwalen hoort je op een dwaalspoor te brengen. Tot de voordelen van verdwaald zijn, behoort dat je onverwacht iets zult vinden.’

De vagebonden van Hanssen zijn beschaafde intellectuelen

Hanssen gaat er overigens ook van uit dat de lezer meegaat in zijn definitie van de vagebond. Voor wie Handboek voor de vagebond nog niet las, is de vagebond waarschijnlijk een kleine boef, sjacherend, husselend en levend van dag tot dag. Dat was hij in elk geval voor míj. Een vagebond, dat is de rondtrekkende Roemeense accordeonist waarvan de kinderen al zakkenrollend het gezinsinkomen aanvullen. Of de twintiger met petje die zijn school nooit afmaakte en nu rondrijdt in een opgeblazen Audi, keurig verdiend met de aan- en verkoop van hasj en ghb.

Hanssen denkt echter niet in types, laat staan in criminele types. Vrijwel alle vagebonden die in het boek voorbijkomen, zijn beschaafde intellectuelen of kunstenaars. Het zijn mannen die nooit iemand aanrandden, bestalen of erger. Wanneer ze toch in de bak terechtkwamen, zoals Dostojevski in 1849 (hij ontsnapte ternauwernood aan een vuurpeloton), dan gebeurde dat om wat ze dáchten en niet om wat ze déden.

Een van de weinige intellectuelen die zich wél bezighield met vervalsing, prostitutie, diefstal en smokkel was de Franse boef en schrijver Jean Genet. Opmerkelijk genoeg komt juist hij in Handboek voor de vagebond niet voor. Bovendien spreekt Hanssen liever over ‘vagebonderen’. Je bént niet zozeer een vagebond, je gedraagt je als een vagebond.

Hanssen verwacht van zijn lezers niet alleen dat ze hem volgen in zijn dwalende stijl en zijn definitie van vagebondisme. Als vanzelfsprekend verwacht hij ook een zwarte, romantische blik op de huidige samenleving. Net als veel intellectuelen is Hanssen erg pessimistisch. Hij is ‘de laatkapitalistische controle- en surveillancemaatschappij zat’, ‘met haar digitale bemoeizucht, haar privacygesnuffel, haar overbevolking, haar zich ophopende productieoverschotten, haar milieuproblematiek en haar idee-fixe van globalisering en schaalvergroting’.

Hanssen omhelsde het pessimisme op zijn zeventiende, toen zijn leraar biologie vertelde over de milieucrisis en een apocalyptisch beeld schiep van de werkelijkheid. Sindsdien is Hanssen dat beeld blijven koesteren. ‘De winst die de mensheid met de industriële en technologische vooruitgang heeft geboekt (…) betaalt zij drievoudig terug aan natuurverlies en klimaat- en milieuproblematiek. De afgeragde natuur van toen komt op veel fronten over als een paradijs in vergelijking met de huidige situatie (…) globaal genomen staat de klok op vijf voor twaalf.’

Geen wonder dat je met zo’n dramatische blik op de wereld overweegt te ontsnappen om vervolgens aan het zwerven te slaan, je terug te trekken in de natuur, te verdwijnen in de anonimiteit en de wereld de wereld te laten. Uiteindelijk is vagebonderen dan ook een massief ‘nee’ tegen de wereld waarin we leven.

Net als Hanssen ben ik nog van de generatie die ooit in een ‘handboek voor stoere jongens’ las hoe we boomhutten moesten bouwen en vuurtjes konden stoken zonder lucifers. Feitelijk was het lezen van zo’n jongenshandboek een gemengd genoegen. Échte jongens, zo vermoedden we, hadden zo’n handboek helemaal niet nodig. Die déden dat gewoon. Dat wij met Sinterklaas om zo’n handboek vroegen, bewees feitelijk al dat wij niet tot die groep van stoere jongens behoorden.

Met Handboek voor de vagebond is het niet veel anders. De werkelijke, ouderwetse vagebond heeft geen handboek nodig. Hij is immers al de klaplopende anonymus die de wereld laat voor wat hij is. Ja, hij hoeft niet eens nee te zeggen tegen de wereld waarin hij leeft. Doorgaans heeft de wereld allang nee tegen hem gezegd. Wie Handboek voor de vagebond wél aanschaft zal uiteindelijk vermoeden dat hij meer gehecht is aan zijn thuis, werk en vrienden dan hij diep in zijn romantische hart zou willen.