Zomerserie: De jeugd in opstand

Ontsnappen aan een zondig bestaan

Niemand had ooit zo indringend beschreven hoe het is om een vrouw te zijn die vol liefde zit voor andere vrouwen. En om je los te maken uit een beklemmend milieu. Jeanette Winterson deed het, met inzet van fantasie en magie.

Jeanette Winterson groeide uit tot een van Engelands belangrijkste literaire stemmen. New York, 1990 © Michel Delsol / Getty Images

Met Oranges Are Not the Only Fruit schreef Jeanette Winterson (1959) een boek dat er nog niet was. Je zou de roman kunnen betitelen als een coming-of-age novel die meteen ook een coming-out novel is, maar dat is net te grof, of te beperkt. Dat was Ruby Fruit Jungle, van Rita Mae Brown, dat meer dan tien jaar eerder verscheen, ook, en dat was toch weer heel wat anders. En om een andere reden belangwekkend. We zitten midden in de tweede feministische golf. De tijd is rijp voor romans van vrouwelijke schrijvers waarin de protagonist erachter komt op vrouwen te vallen. Niet dat dat kunstje al niet eerder is vertoond; de beschrijving van de liefde tussen vrouwen is zo oud als de literatuur zelf, zij het dat je dat dan wel moet willen zien. Wat Winterson onmiddellijk deed schitteren als de schrijver die nooit meer weg zou gaan, is de inzet van taal, fantasie en magie waarmee ze haar hoofdpersonage laat ontsnappen aan een ontstellende wereld.

‘Voor zover ik me kan herinneren is er nooit een tijd geweest waarin ik niet wist dat ik bijzonder was’, bekent dit personage – dat de naam van de schrijfster draagt – meteen maar. Allereerst komt ze er al gauw achter dat haar moeder niet haar échte moeder is, maar dat die haar heeft geadopteerd. Dat ze een wees zou zijn, bleek niet te kloppen. Haar biologische moeder komt op een zeker moment aan de deur, om afgescheept te worden voordat de kleine Jeanette kennis met haar kan maken, en vice versa.

De vrouw die haar uit het weeshuis haalde, is lid van een evangelistengemeenschap, maar je zou haar ook godsdienstwaanzinnig kunnen noemen. Als ze boos is op haar dochter, omdat die zich niet geheel laat voegen in de grootse plannen die haar moeder met haar heeft, dan roept ze dat de duivel haar naar het verkeerde wiegje heeft geleid. Het plan is dat Jeanette missionaris zal worden, haar moeder heeft hierover een droom gehad als had ze bezoek gehad van de engel Gabriël. Ze zou een kind nemen, het grootbrengen en opdragen aan de Heer. Staande op de heuvel waaronder het kleine fabrieksstadje in het noorden van Engeland zich ontvouwt, brengt ze het kind op de hoogte van haar bestemming. ‘Deze wereld is vol zonde’, vertelt ze haar, ‘en jij kunt de wereld veranderen.’ Voor meisjes is het motto simpel, zij het dat het in kapitalen gespeld moet worden: WEES OP JE HOEDE.

Een complicerende factor is dat Jeanette zich al van jongs af aan juist voelt aangetrokken tot de types die in de kerkelijke gemeente worden beticht van ‘tegennatuurlijke hartstochten’, de dames van de kantoorboekhandel bijvoorbeeld. ‘Ik dacht dat ze bedoelde dat ze chemicaliën in hun snoepgoed deden.’ Ook als ze haar eerste liefde vindt, met wie ze onvermoede nachten doorbrengt, weet ze eigenlijk niet goed wat haar overkomt. Wel weet ze zeker dat het huwelijkse leven tussen vrouw en man nooit iets voor haar zal zijn, ze ziet ook alleen maar afschrikwekkende voorbeelden om zich heen, met de vrouwen als grootste klaagsters.

‘Ik ben bereid zeeën over te steken en een zonnesteek op te lopen en alles weg te geven wat ik heb, maar niet voor een man’

De jonge Jeanette is een soort ziener, een zuivere ziel, gedropt in een geperverteerde samenleving. ‘Ik had priester kunnen worden in plaats van profeet’, zo formuleert ze het zelf. Als priester had ze de beschikking gehad over een boek met kant-en-klare woorden. ‘Woorden die altijd aan de oppervlakte blijven.’ De profeet zal z’n eigen boek moeten schrijven, zijn eigen woorden naar boven moeten zien te vissen, ‘een heel precies werkje’. Tegen de tijd dat ze dit onderkent, heeft ze haar strijd al grotendeels gestreden. ‘De profeet is een stem die roept in een woestijn vol geluiden die niet altijd zijn thuis te brengen. Profeten roepen omdat ze last hebben van demonen.’

De opstandigheid van de vertelster is des te aangrijpender omdat het niet een gezochte opstandigheid is. Het is vooral onvermogen en verbijstering. Ze doet een kindertijd lang haar best zich te voegen in de kerkelijke gemeenschap. Ze zingt, ze speelt op de tamboerijn, trapt de pedalen van het orgel nog wat harder in, ze deelt maaltijden uit, borduurt merklappen met de verschrikkelijkste onheilsboodschappen tot schrik van haar leraren. Ze weet niet beter, een ander besef sijpelt maar langzaam naar binnen. Naar school gaan betekent in zekere zin al verraad van de mythische werkelijkheid waarin haar moeder leeft. Tegelijkertijd voedt de bijbelse magie haar ontvankelijke schrijversgeest. ‘Ik kwam tot de ontdekking dat alles in de natuurlijke wereld een symbool was van de Grote Strijd tussen goed en kwaad.’ Ook dát is het moeilijke: de instant-zwaarte die maakt dat ze aan niets lichtvaardig voorbij gaat. En dat ze over alles, werkelijk alles, moet nadenken op de enige plek waar ze even in haar eentje kan zijn. De wc.

Oranges Are Not the Only Fruit was Wintersons eerste roman, ze won er de belangrijkste Engelse debutantenprijs mee, ze was 25. Voorzover je midden jaren tachtig als weldenkende twintigster al niet meteen helemaal weg van de roman was, was er vijf jaar later de adaptatie voor de gelijknamige bbc-televisieserie. Winterson zelf schreef het script, en het was in alle opzichten een sensatie. Ik weet niet zeker of het echt voor het eerst was, maar het voelde wel alsof voor het eerst in beeld werd gebracht hoe een niet-meisjes-meisje tegen de keer in haar weg bleef volgen omdat ze niet anders wilde. De evangelische retoriek om haar heen gaf haar levenslust een soort onmiddellijke literaire zwaarte, en laten we niet vergeten: ook gewoon lol. Oranges Are Not the Only Fruit is een ongelooflijk geestig boek, en de absurditeit van hoogdravende ideeën werd ook voor de kijker aanstekelijk in beeld gebracht met het onvergetelijke rossige hoofd van actrice Charlotte Coleman en de driftig zingende Geraldine McEwan als de moeder.

Bij herlezen valt op hoezeer haar debuut ook de voorbode is van wat Winterson later nog allemaal zou schrijven. In de sprookjesachtige uitstapjes, die de roman hier en daar wat uit het lood dreigen te trekken, verraadt zich haar voorkeur voor grimmigvrolijke fantasyfiction, en in de essayistische uitweidingen over de liefde ligt de fenomenale liefdesroman Written on the Body al op de loer. Er zijn weinig schrijvers die het gegeven is zo sprankelend en nieuw over grootse kwesties te schrijven zonder dat het vaag of weeïg of juist drammerig wordt. Als ze eenmaal het ouderlijk huis is ontvlucht, kijkt ze niet in wrok maar in gemis om. ‘Ik mis God. Ik mis het gezelschap van iemand die volstrekt trouw is. (…) Ik weet niet eens of God bestaat, maar ik weet wel dat als God je emotionele toetssteen is, maar bitter weinig menselijke relaties daaraan kunnen tippen.’

Als gezegd: Winterson is vanaf deze schrijvers-coming-out niet meer weg te denken, ze is uitgegroeid tot een van Engelands belangrijkste literaire stemmen, altijd in voor een stevig standpunt. Deze zomer stak ze de fik in heruitgaven van haar werk. De ‘huiselijk gezellige’ blurbs op de cover reduceerden haar romans naar haar smaak tot ‘wimmins fiction of the worst kind’. In een recent interview in The Guardian naar aanleiding van een binnenkort te verschijnen essayboek geeft ze af op de mannen die in plaats van hun troep op te ruimen hun belangstelling naar andere planeten verplaatsen. De meeste mannen zijn vernietigers, schreef ze ook al in haar debuut, waarin ze voor het eerst haar ideeën over liefde en macht onder woorden bracht. ‘Ik ben bereid zeeën over te steken en een zonnesteek op te lopen en alles weg te geven wat ik heb, maar niet voor een man, want die wil de vernietiger zijn en nooit vernietigd worden. Daarom zijn mannen niet geschikt voor romantische liefde. Er zijn uitzonderingen en ik hoop dat die gelukkig zijn.’

Over gelukkig-zijn gesproken: als een soort voetnoot bij Oranges Are Not the Only Fruit verscheen in 2011 de memoir Why Be Happy When You Could Be Normal? Het is de meer onverbloemde recapitulatie van haar adoptie, de kinderjaren onder de vleugels van de enorme Mrs Winterson, haar vlucht en haar zoektocht naar haar biologische moeder, hierbij geholpen door haar relatie met psychotherapeute Susie Orbach. Het is een spannend en pijnlijk boek met een open einde, in feite opnieuw een bespiegeling over liefde, geborgenheid, verraad. ‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door verhalen over vermomming en valse identiteiten’, schrijft ze tegen het slot van het boek. ‘Verhalen over benoemen en weten. Hoe word je herkend? Hoe herken je jezelf?’ Ze haalt er de geschiedenis van Odysseus bij, die bij terugkomst in Ithaca wordt herkend door zijn hond en door zijn vrouw. Het dier herkent zijn geur, de vrouw ziet het litteken op zijn dijbeen. ‘Zij voelt de wond.’ Er zijn zoveel verhalen over wonden, vervolgt ze, om de rij na te gaan, van Chiron via Prometheus tot Gulliver, en te concluderen dat een verwonding in zekere zin ook een geschenk is.