William Styron (1925 – 2006)

Ontsnappen aan het ondraaglijke

beeld Dick Tuinder

Medium styron

Als alleen Hollywood het voor het zeggen zou hebben, was William Styron de schrijver van slechts één roman: Sophie’s Choice (1979). In de gelijknamige film schittert Meryl Streep als de Pools-katholieke Sophie Zawistowska die, net aangekomen in Auschwitz, moet kiezen van de selectiedokter: stuurt ze haar zoontje of haar dochtertje naar de gaskamer? Als ‘Polack, not a Yid’ mag zij nog kiezen, in tegenstelling tot de joden. Aan die onmogelijke keuze probeert Sophie te ontkomen door haar kinderen puur antisemitisch aan te prijzen als volmaakte exemplaren van het arische ras die ook nog Duits spreken en niet verward mogen worden met ‘dat uitschot’ van Europa dat Christus heeft vermoord. Het mag niet baten. Haar dochtertje Eva moet uiteindelijk naar de gaskamer. Sophie’s keuze is er een voorbij goed en kwaad. Haar innerlijke stem klinkt duister op in een sadistisch universum waarin God zich niet meer laat zien of kennen.

Het verhaal van Sophie wordt achteraf verteld door Stingo, een schrijver die dezelfde boeken blijkt te hebben geschreven als William Styron en ook geboren is in de zuidelijke staat Virginia. Als Sophie’s Choice een gewaagde meditatie is op de Tweede Wereldoorlog is The Confessions of Nat Turner (1967) er een op de Amerikaanse slavenhandel. Styron waagde zich in die roman over een slavenopstand in 1831 aan een thema dat leek voorbehouden aan zwarte schrijvers. Maar wie de slavernij beschouwt als systematische racistische onderdrukking moet wel toegeven dat die maatschappelijke onrechtvaardigheid een probleem was dat iedereen aanging. Als zuidelijke schrijver in de traditie van William Faulkner en Flannery O’Connor – die bij Styrons debuut Lie Down in Darkness (1951) opmerkte dat ‘the boy can write’ – kon en wilde hij niet om dat thema heen.

Lie Down in Darkness is schatplichtig aan Faulkners meesterwerk As I Lay Dying. Ook Styron laat een lijk tijdens een tocht vol hindernissen verslepen naar haar laatste rustplaats. Het is het dode lichaam van Peyton, een zelfdestructieve vrouw die een alcoholistisch en ordeloos leven heeft geleid. Peyton staat voor het oude zuiden vol racisme, rampspoed en historisch noodlot.

Vanaf zijn debuut zijn alcohol, manische depressies (Nathan Landau in Sophie’s Choice) en zelfmoord – voor Styron hét landschap van de depressie – niet weg te denken uit zijn boeken. Styrons vader streed jarenlang ‘tegen de Gorgo’ en moest tijdens de puberteit van zoon William regelmatig opgenomen worden. Styron zelf, die worstelde met zijn alcoholisme, werd in 1985 overrompeld door een depressie die hem bijna het leven kostte. Hij schreef daar een schitterend, uiterst persoonlijk verslag over: Darkness Visible (1990). Hij formuleert zijn verbijstering over het feit dat hem het zogenaamd ‘rustgevende middel’ Halcion werd voorgeschreven, een antidepressivum dat toen in Nederland al was verboden vanwege de rampzalige bijwerkingen. Als hij de wanhoop voorbij lijkt te zijn, volgt Styron dankzij een tweede ik nauwgezet de sporen van vernieling die de gekwelde en zelfdestructieve Styron achter zich laat. Ten einde raad bekijkt hij ’s avonds laat een video in zijn woonkamer en hoort hij de slotklanken van Brahms’ Alt-rhapsodie.

Die muziek bezorgt hem een beslissende steek in het hart. Later in Darkness Visible blijkt waarom: zijn moeder, die stierf toen Styron dertien was, trad op als verdienstelijke zangeres. Onbewust had hij haar in gedachten toen hij Brahms hoorde. Om te herstellen van zijn Halcion-‘vergiftiging’ laat Styron zich twee maanden opnemen in een inrichting.

De vroege dood van zijn moeder en de depressies van zijn vader hadden William Styron meer getekend dan hij voor mogelijk had gehouden. Zijn depressie in de jaren tachtig was het gevolg van onvoltooide rouw: ‘Die verstoring en dat vroege verdriet – de dood of verdwijning van een ouder, vooral de moeder, voor of tijdens de puberteit – duikt in de literatuur over depressies herhaaldelijk op als een trauma dat soms bijna onherstelbare schade kan berokkenen.’

Tegen dit decor is Styrons verhalenbundel A Tidewater Morning (1993) te lezen. Alle verhalen worden achteraf verteld door een man die de jongen die hij is geweest nauwkeurig waarneemt. En dat waarnemen dwars door de tijd heen ontwikkelt zich tot een vorm van verwerken. Hoofdpersoon is Paul Whitehurst, een jongen uit de streek Tidewater in Virginia, ‘dat oer-Amerikaanse domein waar het land al meer dan een eeuw door de tabaksteelt was uitgeput, braakgelegd en verwoest…’ Ook in deze, door de kritiek onderschatte bundel woekert de Amerikaanse geschiedenis door in een heden vol persoonlijk verlies. Misschien zijn deze verhalen de beste voorbeelden van wat Styrons literatuur vermag: manieren ‘om aan het ondraaglijke te ontsnappen. Soms kunnen we het weg fantaseren. Ik herinner me dat ik verbijsterd de woorden herhaalde die mijn vader me voorzei – “Toch zal ik alléén overwinnen!” – terwijl mijn innerlijke stem andere woorden formuleerde om de angst van dat moment te verdringen.’