Ontsnappen in de geest

Drie jaar geleden ging de wereld van het sjamanisme voor haar open. Deze week gaat ‘Ecstasy’ in premiere, een montagevoorstelling waarin ze haar ontdekking verwerkte. Dramaturge Mira Rafalowicz over het theater, de roes en het Jiddisch, haar andere grote liefde. Ecstasy door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Gerardjan Rijnders. Met Joop Admiraal, Jacques Commandeur, Kees Hulst, Hans Kesting, Carla Mulder, Celia Nufaar, Marjolein Polman en Mark Rietman. Van 23 maart tot en met 8 april en 18 tot en met 29 april in het Tranformatorhuis, Amsterdam.
MIRA RAFALOWICZ heeft twee constanten in haar leven: het theater en de Jiddische cultuur. Haar bemoeienis met het Jiddische resulteerde drie jaar geleden in een zeer succesvol Jiddisch festival in Amsterdam, dat binnenkort hopelijk een vervolg krijgt. Zij is tevens freelance dramaturge bij Toneelgroep Amsterdam. Donderdag 23 maart gaat de nieuwste voorstelling waar zij aan meegewerkt heeft in premiere: Ecstasy.

In de voorbeschouwingen op deze voorstelling duikt voortdurend de naam Carla Mulder op. Ecstasy is gebaseerd op de ervaringen van Mulder tijdens een langdurig verblijf in New York, waar zij in een briefwisseling met Gerardjan Rijnders verslag van deed. Rijnders schreef op basis van deze brieven een tekst, waar dramaturge Rafalowicz haar ideeen en suggesties aan toevoegde.
Mira Rafalowicz (54) werkt al jaren samen met Gerardjan Rijnders. ‘Ik ken Geertjan al sinds 1970. In 1986 kwamen we elkaar weer tegen. Ik was min of meer weer terug in Nederland en Geertjan was net begonnen bij Toneelgroep Amsterdam. Ik heb hem toen geholpen bij zijn eerste voorstelling, Bakeliet. Sindsdien maken we bijna elk jaar een montagevoorstelling.’
Ecstasy wordt gespeeld in het Transformatorhuis van Toneelgroep Amsterdam in Amsterdam-West. Er ligt een groot geel speelvlak voor de tribune. Een rode tafel van vrijwel dezelfde lengte als het speelvlak overheerst. Blauwe krukjes, in de vloer geschroefd als de zitjes in een fast-foodrestaurant, completeren het decor. Mira zit naast de regisseur te kijken. Na afloop van de repetitie praat ze met de acteurs en de technici. 'In principe bemoei ik me overal mee’, zegt ze op weg naar buiten, naar het eetcafe op het Westergasterrein waar de acteurs na afloop van de repetities nog een borrel drinken.
Ecstasy zit ingewikkeld in elkaar, zoals alle montagevoorstellingen van Gerardjan Rijnders. De handeling verspringt van Rotterdam naar New York en van de Clitclub op Manhattan naar de geesteswereld waarin de dieren spreken. De rode tafel kan met behulp van een motortje om zijn as draaien. Hij kan dienst doen als podium, als eettafel en als schuilplaats. Op vier grote schermen zijn tijdens de voorstelling video’s te zien: beelden van New York, video’s van dieren, opnamen die Carla Mulder maakte van de Newyorkse Wooster Group en science-fiction-filmmateriaal, door elkaar verstrengeld tot een beelddecor. Een geluidsband voegt een volgende dimensie toe. Mira is in de dagen voor de eerste try-out vooral bezig om met de technici de video-banden en de geluidsband te maken.
WAAR GAAT ECSTASY over?
'Het is een reis, een trip. Netty, Carla Mulders personage, komt in New York allerlei vreemde wezens tegen, wezens die wat anders in deze wereld staan. Een hermafrodiet, een gogo-danseres, een dakloze zwerfster die ook sjamaan is, twee beschermengelen die misschien ook wel radio-talkshowpersoonlijkheden zijn.’ Tussen deze scenes door zit het verhaal van de alcoholische Rotterdamse familie van Netty. 'Netty keert terug naar haar vader die stervende is, maar zij is veranderd, zij keert niet terug als degene die zij was.’
Er zit veel sjamanisme in Ecstasy. Rafalowicz ontdekte het sjamanisme toen zij drie jaar geleden ernstig ziek werd. 'Ik ben door mijn ziekte in werelden terechtgekomen die ik een paar jaar geleden niet had kunnen verzinnen. Maar ik ben nieuwsgierig; ik probeer alles.’ Sceptici beweren dat sjamanisme niets meer is dan een nieuw New Age-speeltje. Rafalowicz: 'Het stoort mij absoluut niet wat andere mensen beweren. Een sjamaan is een gids, iemand die je helpt met je reis naar de andere werelden. Je raakt in een lichte trance, waarin je in je geest door een gat in de grond verdwijnt. Aan de andere kant van die poort kun je rondreizen en in contact komen met de natuur. Het is een ritueel dat je in vele culturen tegenkomt, bij de Lappen en de Tibetanen en de Amerikaanse Indianen.’
Het sjamanisme is door Carla Mulder in de voorstelling geintroduceerd. Rafalowicz: 'De acteurs tonen haar ervaringen. Ik heb het sjamanistische aspect ondersteund. Ik was al eerder, in Nederland, met sjamanisme in aanraking gekomen. Ik heb veel informatie ingebracht. We hebben eind januari een sjamanistische workshop gedaan - dat was een voorstel van mij. Aan de workshop deden veertien mensen mee; Geertjan en ik, de acteurs, de technici en een andere dramaturge van het gezelschap. Het gebeurt niet zo vaak dat je zo iets bijzonders met elkaar doet. Het is hier toch een bedrijf. Het feit dat je dat met zijn allen doet voor een produktie betekent iets. Wat je op het toneel terug ziet van de workshop, weet ik niet.’
Er zitten andere elementen in de voorstelling die zij ingebracht heeft. 'De astronomie, de new physics zeg maar. Ik heb een bibliotheek aangelegd over sjamanisme en nieuwe natuurkunde, de nieuwe theorieen over het heelal. De voorstelling gaat over ontsnappen, ook in de geest. Je kunt op zo veel verschillende manier proberen te verdwijnen. In een roes raken door alcohol, drugs gebruiken als XTC, sjamanisme, in andere dimensies. Ik was rond de jaarwisseling in New York, omdat ik daar nu ook werk aan een voorstelling over nieuwe natuurkunde en het heelal. Ik heb uit New York een boek meegenomen van een Japanse fysicus die beweert dat er 22 dimensies bestaan. Dat is toch interessant?’ Een van de actrices komt even gedag zeggen. 'Dit is onze sjamanette,’ zegt ze, op Mira wijzend.
In elke montagevoorstelling van Gerardjan Rijnders zijn stukjes tekst aan te wijzen die van Mira afkomstig zijn. Rafalowicz: 'In Count your blessings zegt Kitty Courbois dat ze met een cameraatje in haar darmen gekeken hebben. Zij zag daar een rode woestijn. Dat was mijn tekst, mijn ervaring.’ Count your blessings ontstond uit een Anne Frank-project van Rafalowicz en Gerardjan Rijnders. Dat was het eerste project waarin zij joodse thema’s aanroerde. Ze vertelt dat er plannen zijn na Ecstasy een voorstelling over kanker te maken. 'Er bestaat bij het gezelschap een groot bewustzijn over kanker.’
MIRA RAFALOWICZ werd in 1941 in Amsterdam geboren als kind van Pools- joodse ouders. Zij dook onder, 'bij de vrouw van een klant uit onze winkel, geloof ik. Mijn ouders hadden een winkel in elektrische apparatuur: lampjes, radio’s, dat soort dingen. Mijn ouders zijn ondergedoken in de buurt van Apeldoorn, toevallig, via mensen waar ze een nachtje konden logeren.’
Een links milieu. Thuis werd Jiddisch gesproken. 'Mijn ouders zaten bij een kleine groep Oostjoden die in Nederland woonden. Vluchtelingen uit Oost-Europa. Zij waren actief in de culturele vereniging An-ski, ze zaten midden in een overwegend Jiddisch sprekende kring van communisten en anarchisten. Ik heb Jiddisch geleerd in prive-les bij Leo Fuks, de latere hoogleraar Semitische talen. Toevallig ben ik ermee doorgegaan. Ik ging naar Israel waar ik aan de universiteit geschiedenis ging studeren. Later werd dat engels en omdat ik een tweede vak moest kiezen, dacht ik iets makkelijks erbij te doen: Jiddisch.’
Dat was nogal ongebruikelijk in het Israel van de jaren zestig. 'Als ik mensen vertelde dat ik Jiddisch studeerde, vroegen ze “Jiddisch, kun je dat dan studeren?” Alsof het geen echte taal zou zijn en geen grammatica zou hebben. Jiddisch had te maken met de diaspora, met voor de oorlog en met de taalstrijd tussen het Hebreeuws en het Jiddisch. Het Hebreeuws was het symbool voor de nieuwe tijd en het pionieren en de kibboets. Jiddisch was synoniem met alles dat oud, verstoft en vies was.’
JIDDISCH IS EEN stroom in Rafalowicz’ leven. Een tweede stroom is het theater. Uit wat ze over haar werk vertelt komt een beeld naar voren van knutselen, uit het niets samen met Gerardjan Rijnders een stuk aan elkaar knippen en plakken. 'Het theater wat ik maak is altijd experimenteel geweest. Stukken interesseren me eigenlijk weinig. Ik heb voornamelijk collagetoneel gemaakt. Er zijn andere dramaturgen die heel goed zijn in Shakespeare en Moliere; dat hoef ik niet te doen. Ik heb binnen de dramaturgie mijn eigen manier van werken ontwikkeld. Ik werk in principe alleen aan nieuw materiaal, aan dingen die nog niet bestaan.’
Rafalowicz begon haar theaterloopbaan in New York, bij het Open Theatre, een in de jaren zestig beroemd theatergezelschap. 'Ik had in Israel een beurs gekregen voor Amerika, om linguistiek te studeren. Dat was niets voor mij, maar ik ben in New York blijven hangen en heb er twintig jaar gewerkt.’ Met Joseph Chaikin van het Open Theatre maakte ze in de jaren zeventig een bewerking van De Dybbuk, het beroemde Jiddische toneelstuk van An-ski. 'Toen kwamen het Jiddisch en het theater samen. Ik heb vier keer een Dybbuk gemaakt: een keer in Amerika, een keer in Israel en een keer in Nederland met Judith Herzberg, bij Toneelgroep Baal. Ik heb het stuk een paar jaar geleden nog een keer vertaald voor de Royal Shakespeare Company. Die Dybbuk blijft maar rondsjouwen.’
Vanwaar die theaterfascinatie? Rafalowicz: 'Mijn moeder was actrice en voordrachtskunstenares in het Jiddisch. Ze droeg hele lange gedichten voor. Als kind zag ik haar met zo'n jurk op het toneel. Ik ben jong al veel naar het toneel geweest. Waar het precies vandaan komt weet ik niet, maar ik heb altijd al alleen maar dramaturg willen worden. Ik vond het altijd al leuk stukken te lezen; ik las al Franse theatertijdschriften toen ik zestien was. Wat heel bizar is natuurlijk, Sartre lezen op je zestiende.’
Thuis kwamen veel Jiddische artiesten over de vloer. 'Een keer per jaar was er een avondje ter gelegenheid van de herdenking van de opstand in het getto van Warschau, en via An-ski waren er altijd mensen. Soms verscheen er een zanger. Of een schrijver uit Parijs, met een koffertje vol boeken. Ik heb het geluk gehad dat ik nooit dramaturgie gestudeerd heb, want dat had mij voor het leven verpest. Ik spreek wel eens dramaturgen die net afgestudeerd zijn. Die hebben van die vreselijke ideeen over ruitjespapier en spanningscurves en zo. Die leren van alles. Ik denk: je moet het gewoon doen.’
DEZER DAGEN bereidt Mira Rafalowicz tevens de voorstelling Rijgdraad voor, een toneelstuk dat Judith Herzberg schrijft voor Het Theater van het Oosten in coproduktie met TGA. Leonard Frank zal de regie doen en Rafalowicz de dramaturgie. 'Leonard, Judith en ik hebben een keer in de week een bespreking. Het is erg prettig. Judith kreeg vorig jaar het verzoek een stuk te schrijven naar aanleiding van alle herdenkingen die nu worden gehouden. Dat heeft ze geweigerd, maar het heeft haar wel op het idee gebracht een stuk te schrijven voor de acteurs die in Leedvermaak speelden. Onze vriendschap heeft natuurlijk te maken met onze achtergrond. Die achtergrond heeft zijn weerslag in het stuk, maar als ik zeg dat het over joden na de oorlog gaat, wordt Judith panisch. Daar gaat het ook niet alleen over, dingen kunnen door elkaar lopen.
Wij praten met elkaar over zaken die ons heel diep raken. Voor Ecstasy gebruikte ik dingen die nieuw voor mij zijn, nieuwe ervaringen. Maar bij Judith gebruik ik een ander deel van mij zelf dan bij TGA. Ik functioneer altijd anders in iedere produktie. Ik ben waarschijnlijk nooit een neutrale buitenstaander, maar bij Rijgdraad ben ik dat al helemaal niet. Maar het werken met Judith en Leonard raakt een andere kern van mijzelf, een oudere kern.’
HET JIDDISCH. Rafalowicz: 'De tweede keer dat de verschillende stromingen in mijn leven bij elkaar kwamen was tijdens het Internationaal Jiddisj Festival dat Gina Siegel en ik in 1991 organiseerden in Amsterdam. In de Jiddische pers is het festival het 'Jiddische Woodstock’ genoemd. Daar ben ik erg blij mee, het was een groot compliment. Ik hoor dat het absoluut het beste Jiddische festival is geweest. Het was heel didactisch eigenlijk, we wilden een totaalbeeld geven van wat er nu gebeurt in Jiddischland, met een historische uitloop naar achteren. We hadden theater en muziek uit Amerika, Israel en Europa geprogrammeerd. Er waren rondetafelgesprekken en salons.’
Ze formuleert de mooie uitspraak dat de Jiddische cultuur 'een onkruidcultuur’ is: 'Het is een eigenaardige cultuur, want hij heeft een begin en een eind en een staart, en nu zitten we in de staart van de staart. Het begin ligt zo rond 1860, bij de zogenaamde grootvaders van het Jiddisch, schrijvers die eigenlijk beroemd wilden worden als Russische romanciers, maar toch in het Jiddisch zijn gaan schrijven. De Jiddische literatuur en het Jiddische theater zijn echt onvoorstelbaar. In tachtig jaar is er een culturele explosie geweest, onvergelijkbaar met welke cultuur dan ook. In 1940 is dat kapot gemaakt. Je weet dat het afgelopen is, generaties lang roept iedereen dat al. En dan komt er weer iets onder de stenen uit groeien. Je ziet steeds die kleine plukjes omhoogschieten. Elk jaar ga ik naar de zomercursus Jiddisch in Oxford. Daar ontmoette ik de meest rare mensen: een Eskimo-specialist die in Alaska woont en thuis Jiddisch sprak.
Ik ben er op een gegeven moment ook weer mee opgehouden. Er loopt een verdrietig-makende lijn door de Jiddische cultuur, van het steeds worden afgekapt. Ik herinner me nog goed dat ik in Parijs was en zocht naar Jiddische boeken. Ik had een adres gevonden van een bibliotheek. Daar stonden alle boeken in kasten met sleuteltjes, achter tralies. Ik dacht: dit kan ik niet. Ik moet leven. Ik wil niet te maken hebben met opgesloten en dood en afgelopen en klaar. Dat gold toen, maar nu niet meer.’
Nederlandse joden zoeken hun wortels en zoeken die bij het Jiddisch. 'Iedereen zoekt op de verkeerde plek, maar dat doet er niet toe. Het is zo'n boeiende cultuur, daar moet iedereen over weten. En niet alleen joden. Ik denk dat iedereen de Jiddische taal kan leren, net zoals je Frans kunt leren. Het is een waanzinnig interessante cultuur, en juist omdat er al zo veel verdwenen is, moet je proberen dat wat er nog is zo veel mogelijk in leven te houden. Ik geloof niet zozeer in grote taken, maar dat is dan misschien een klein stukje taak.’
Wat moeten de Nederlandse joden toch met dat Jiddisch, dat ze zelf nooit hebben gesproken?
'Toen Gina Siegel mij jaren geleden belde met het idee voor het festival zei ik ook “dat kan helemaal niet joh, Nederland heeft helemaal geen Jiddisch sprekende traditie”. Ik was stomverbaasd toen het zo goed bleek te lopen.’
WAT GAAT U de komende tijd doen?
'Ik ben betrokken bij een conferentie over Jiddisch in Amsterdam. En ik hoop dat het lukt om een tweede Jiddisch festival te organiseren, met tweetalig theater uit Amerika en Israel. Ik denk dat ik meer kennis over de Jiddische cultuur bezit dan wie ook in Nederland. Die wil ik doorgeven.’
Er is toch al genoeg belangstelling voor Jiddische cultuur, voor Jiddische muziek bijvoorbeeld? Op het Boekenbal trad vorige week een klezmergroep op!
'Er is veel oppervlakkige interesse. Je wordt doodgegooid met klezmermuziek. Helaas is dat meestal niet meer dan een liedje en een dansje, zonder achtergrond. De huidige hausse in belangstelling voor het Jiddisch heeft geen verdieping. Wat ik kan is een context geven, iets doorgeven over de cultuur. Door het Jiddisch festival te organiseren hebben we een Doos van Pandora geopend. Er is een gigantische honger naar informatie, maar mensen komen er geen stap verder mee. Ik ben ouderwets didactisch op dit punt. Mensen moeten iets leren. Dat is joods, je moet altijd leren. Dat vind ik van theater ook, trouwens.’
Wat leren we van 'Ecstasy’?
'Of het publiek het nu wel of niet een goede voorstelling vindt, laat ik nu buiten beschouwing. Ik hoop dat het publiek de voorstelling verlaat met vragen. En de acteurs hebben contact gemaakt met sjamanisme, ze hebben geleerd over astronomie, nieuwe werelden. Ik denk dat je geboeid kunt raken door dingen waar je nog niets van weet - waarvan je nog niet wist dat je je ervoor zou kunnen interesseren. Alles wat ik doe is enigszins didactisch. Of ik nu de dramaturgie doe bij een voorstelling van Geertjan of een Jiddisch festival organiseer. Het moet bij mij toch altijd ter leringh ende vermaeck zijn.’