Ontsnappen is niet mogelijk

In ‘Hier’ van Joke van Leeuwen is niemand op de plek waar hij wil zijn. Maar: waar is hier?

Small leeuwen joke van  c  koos breukel rv tot 31.01.2020
Joke van Leeuwen vertelt haar verhaal bewonderenswaardig soepel, in een kraakhelder Nederlands, met geen cliché in zicht © Koos Breukel

De nieuwe roman van Joke van Leeuwen speelt zich af in een land waarvan de naam niet wordt genoemd. De personages heten Stamvader, Bardo, Onna, Kors en Mara en Julus – namen die geen specifieke geografische link hebben. Jongeren moeten twee jaar in dienst, burgers moeten in het openbaar niet te veel op de regering durven te mopperen. Het staatshoofd houdt elke week een toespraak op tv, zijn portret hangt op groot formaat in ziekenhuizen. In de lente is er een gemaskerd volksfeest dat wordt gevierd alsof het leven ervan afhangt. Seksuele omgang in het land is voorbehouden aan getrouwde stellen, in toenemende mate raken producten als transistorradio’s en centrifuges schaars door de hoge invoerrechten. De grenzen worden streng bewaakt, smokkelaars worden gepakt. Wie door het ijzeren hekwerk naar het buurland vlucht zal niet worden teruggestuurd, maar zal in tv-programma’s worden opgevoerd zodat iedereen kan zien hoeveel beter zij het hebben dan hun buren. Wat niet wegneemt dat het buurland ook weer niet te veel ‘overlopers’ wil opvangen, want dat zou een ‘verdunnend effect kunnen hebben op hun identiteit, die ze uiten met voedsel, feesten en vanzelfsprekende voorlijkheid’.

Centraal in Hier staat Stamvader, een gewezen douanebeambte. Hij beschermde de nationaliteit aan de grens, op een rigide manier. Hij nam zijn rol zo serieus dat zijn vrouw Onna en zijn zoon Bardo de opdracht kregen een zekere afstand te houden van het grensdorp waarin hij gestationeerd was: ‘Wantrouwen is zijn werk.’ Met andere woorden: Bardo raakt eenzaam en die arme Onna wordt geschept door een automobilist. Iedereen in het dorp weet wie er achter het stuur zat, maar niemand vertelt het Stamvader en Bardo.

Het hart van de roman is de driehoek die ontstaat tussen vader, zoon en diens vriendin, Mara. In vogelvlucht schieten we door hun levens heen. Bardo groeit op, gaat naar school, wordt verliefd op Mara, probeert werk te vinden terwijl Stamvaders post wordt opgeheven. Mara en Bardo krijgen een dochter, Kleine, Stamvader slijt zijn dagen in een stoel, wordt dikker en dikker, somberder en somberder, Bardo gaat in dienst en blijft daarna hangen in het leger, waardoor Mara voor haar schoonvader moet zorgen. Er is een duidelijke (te klassieke?) patstelling tussen de vrouwelijke en mannelijke personages; de vrouwen zijn lief, zorgzaam en sociaal, de mannen zijn somber en kunnen zich niet in anderen verplaatsen. Wat ze gemeen hebben is dat niemand op de plek is waar hij wil zijn, maar niemand weet hoe te vertrekken.

Zijn het de regels van zijn vader die hij niet uit zijn systeem krijgt,of de wetten van de staat?

Joke van Leeuwen vertelt haar terneerstemmende verhaal bewonderenswaardig soepel, in een kraakhelder Nederlands dat elk kind zou begrijpen, met vlotte zinnen en geen cliché in zicht. Elke scène is met een efficiëntie geschreven waar een lopendebandfabriek jaloers op zou zijn. Heel achteloos duiken er poëtische beelden op in het verhaal. De benen van Stamvader worden zo dik dat hij niet meer kan lopen; een fraai symbool voor hoe vergroeid hij is met zijn standplaats. Een jonge Bardo ziet een vrouw uit zijn vaders douaneloket lopen met iets glibberigs dat langs haar benen omlaag glijdt. Later pas begrijp je dat Stamvader vermoedde dat de vrouw boter onder haar rok smokkelde en hij haar op de verwarming had gezet om het bedrog te bewijzen. Of, nog mooier, als de morbide obese Stamvader eenmaal overlijdt en Mara bedenkt dat hij ongetwijfeld in zijn uniform begraven had willen worden; het past niet meer, dus knipt de begrafenisondernemer zijn uniform van achteren open, want dat zie je toch niet in de kist. Als ze hem optillen om hem op een brancard te leggen flappert het douanejasje ‘aan weerszijden, alsof hij vleugels heeft gekregen’.

Een enkele keer staat Van Leeuwen zichzelf iets als humor toe, een beetje een kinderboekgrap wanneer een jonge Bardo het volkslied denkt te zingen: ‘Heerlijk land, mooist op paarden, onze hopen waar de geit.’

Misschien wel doordat het zo kundig is geschreven en je het in een sneltreinvaart uit leest, vroeg ik me na afloop af: wat heb ik nu eigenlijk gelezen? Wat heeft Van Leeuwen willen vertellen? Een groot deel van het boek gaat over de frustratie van de vader over zijn zoon, maar vervolgens meet de zoon zonder enig noemenswaardig tegenstribbelen zichzelf exact hetzelfde leven aan. Misschien wil Van Leeuwen laten zien hoe onvermijdelijk regels, tradities en conformisme worden doorgegeven aan een nieuwe generatie, maar ook daar staat tegenover dat die generatie niet heel erg haar best doet te ontsnappen. Misschien is dat de clou dan, dat ontsnappen niet mogelijk is – maar daarvoor blijft het land waarin Hier zich afspeelt te vaag. Mag je niet naar andere steden verhuizen? Is er op andere plekken geen ander werk te vinden?

Waarschijnlijk is dat het waartegen ik me tijdens het lezen van Hier maar bleef verzetten: waar is hier? Wanneer Van Leeuwen schrijft dat het buurland vreest dat migranten een ‘verdunnend effect’ kunnen hebben op de nationale identiteit knipoogt ze duidelijk naar de uitspraken van Thierry Baudet, net als met haar kleine parodie op de Nederlandse inburgeringscursussen. Maar als Hier een parabel bevat, hoeft Nederland zich niet aangesproken te voelen, daarvoor zijn er te weinig overeenkomsten. Hier is eerder Daar, maar dan niet in Noord-Korea of Turkmenistan, want zo totalitair is het regime ook weer niet. Was Hier een non-fictieverhaal over een grenspost in een Oostblokland, dan had ik het waarschijnlijk een indrukwekkend boek gevonden; idem als dat hele verzonnen land was weggelaten en het ‘gewoon’ een roman was over Bardo en Onna in een arm dorp waarin de mensen niet weten hoe ze aan zichzelf en elkaar kunnen ontsnappen. Maar nu leidde het nepland me af, het benadrukte steeds het fictionele van de vertelling, waardoor het net te verzonnen klonk om iets wezenlijks invoelbaar te maken over een bedrukkende, onontkoombare monocultuur.

Of laat ik het anders formuleren: ik bleef me afvragen of de zwakke volgzaamheid van Bardo nu aan hem lag of aan het land. Zijn het de regels van zijn vader die hij niet uit zijn systeem krijgt, of de wetten van de staat? Hoe dan ook, arme Bardo, het voelt alsof hij nooit een eerlijke kans heeft gekregen.