Ontsnapping aan de cliches

Het land in mij: Nieuwe verhalen van jonge schrijvers op de grens van twee werelden. Samenstelling Ayfer Ergun, Arena, 180 blz., f29,90
IN HET openingsverhaal van de bundel, ‘Een vervlogen droom’ van Naima El Bezaz, staat ergens: ‘Mijn leven is in dromen opgegaan. Toen ik jong was, ja, toen hield ik me overeind door over de toekomst te fantaseren. Nu de toekomst daar is, lijkt het dat ik alleen kan overleven als ik terugdenk aan het verleden. Het heden is me geruisloos voorbijgegaan.’

De ik in dit verhaal is een Marokkaanse vader. Hij is jaren eerder naar Nederland gekomen om zijn gezin een toekomst te geven. Zijn kinderen moesten een goede opleiding krijgen die ze ‘daar’ nooit zouden hebben, en vervolgens een goede baan 'zodat ze later een huis in Marokko zouden kunnen bouwen’. Samen met zijn echtgenote lijdt deze man onder het gedrag van zijn zoon Hassan, die alcohol drinkt, hasj rookt en de hele dag met zijn vrienden rondhangt in het winkelcentrum.
Hassans ouders hebben het werkelijk moeilijk met zijn ongehoorzame streken en baldadigheid. Maar Hassan is dan ook opgegroeid in het Westen. Anders dan zijn verwekker trof hij in Nederland een gespreid bedje, niet de erbarmelijke omstandigheden waarin de eerste generatie Marokkanen terechtkwam. De vader herinnert zich: 'Met enkele landgenoten woonde ik in een schamel pension, waar we met zijn negenen drie krappe kamers deelden. De spanningen konden soms hoog oplopen. Af en toe kwam het tot een uitbarsting. De dagen regen zich aaneen in een monotone eindeloosheid. Van ’s ochtends vroeg tot laat in de middag werkte ik met mijn lotgenoten in een kaasfabriek. (…) Na het werk gingen we doodmoe naar huis, waar we om beurten kookten en de kamers schoonmaakten.’
VERGELEKEN bij zijn vaders leven is dat van Hassan een makkie. Maar ja, dit is Nederland, en wie daar wordt geboren, heeft andere waarden en normen dan een Marokkaan.
Over die verschillen gaan alle verhalen in de verzamelbundel Het land in mij, een bloemlezing 'nieuwe verhalen van jonge schrijvers op de grens van twee werelden’. De uitgever meldt op het achterplat dat deze nieuwe auteurs lange tijd onzichtbaar waren, maar nu zelfbewust naar voren treden. Het zijn 'schrijvers van de tweede generatie’ Turken en Marokkanen in Nederland.
Alle medewerkers aan Het land in mij zijn jong: Hafid Bouazza stamt uit 1970, Esme Choho uit 1971, Tuncay Cinibulak uit 1970, Nadia Doueiri uit 1965, Naima El Bezaz uit 1974, Ozkan Golpinar uit 1968, Emine Gonen uit 1971, Malika Al Houbach uit 1969, Selma Ozcelik uit 1966, Hicham Saydali uit 1972, Ceren Taygun uit 1974 en Hatice Tokgoz uit 1968. Dat is behoorlijk jong. De samenstelster van de bundel, Ayfer Ergun, werd geboren in 1964.
Van een dergelijke groep jongelingen bij elkaar kun je verhalen verwachten over deze tijd, de tijd waarin ze op dit moment leven: de versnelde cultuur van het rijke, vrije, niet-fundamentalistische Westen. Die speelt echter alleen een rol in combinatie met die 'andere’ cultuur die ze goed kennen, die ze in hun bloed en hun genen meedragen - het land waar zij niet meer wonen, een landschap waar ze geen deel meer van uitmaken. Zij bevinden zich niet tussen twee culturen, maar leven in twee culturen.
DEZE DUBBELE inspiratiebron leidt tot een interessant amalgaam van 'jonge’ literatuur. In tegenstelling tot veel andere jeugdige auteurs kiezen de medewerkers van Het land in mij niet voor de vele 'hippe’ facetten van de hedendaagse wereld, maar focussen ze op het schisma dat ze in zichzelf her- en erkennen: de kloof tussen verleden en heden, tussen afkomst en milieu-van-dit-moment, tussen vroeger en later - en in het verlengde daarvan: de tegenstellingen tussen het Oude en het Nieuwe, ouders en kinderen, fundamentalisme en vrijheid, et cetera.
Naima el Bezaz, de jongste van het stel, vertelt vanuit het perspectief van de vader een soort moeder-aller-tweede-generatieverhalen. Dat de auteur ervoor kiest de vader als focalisator te gebruiken, lijkt op het eerste gezicht vreemd. Later wordt echter duidelijk waarom: doordat zoon Hassan zich zo on-Marokkaans gedroeg en tegen alle regels van zijn vader zondigde, heeft de laatste hem verstoten. Hij wil zijn zoon niet meer kennen. Keihard en meedogenloos heeft hij hem uit zijn leven gebannen. Tegen de buitenwereld vertelt hij dat Hassan bij een gruwelijk verkeersongeluk om het leven is gekomen. Dat dat niet de waarheid is, blijkt aan het eind, als op een kwade nacht de zoon opdoemt voor het raam van zijn vaders slaapkamer. Dan nog wordt Hassan, hoe verregend hij ook is, de toegang geweigerd. Of speelt de vader hier opnieuw met de waarheid?
In 'De geur van natte aarde’ thematiseert Emine Gonen een vergelijkbaar gegeven. Een vrouw die tegen haar zin met een onbekende man is getrouwd, heeft na de onaangename huwelijksnacht geen woord meer gesproken. Ze praat slechts - in stilte - tegen het kind dat in haar buik groeit. Ook zij is slachtoffer van de traditie van haar ouders: trouwen met iemand van wie je niet houdt is ondenkbaar in de westerse cultuur waar zij opgroeit. Ongeluk, wanhoop en frustratie zijn het gevolg.
Het zijn vrij romantische verhalen die Het land in mij bevolken, getuige ook 'Het tapijt’ van Hatice Tokgoz. Gedreven door een intense liefde voor zijn Hatun, laat de jongeman Selim zich in een oosters tapijt rollen om stiekem mee te rijden naar Nederland, boven op de imperiaal van de auto waarin Hatun zit. De wens om bij zijn geliefde te zijn was sterker dan de plicht om in zijn 'eigen land’ te blijven.
Als de grens tussen Duitsland en Nederland is gepasseerd, na drie dagen reizen, ontrolt zich het tapijt, en daarmee het drama: 'Eindelijk werd het tapijt uitgerold. Hatuns ogen zochten het gezicht van Selim. Het eerste wat haar opviel waren zijn opengesperde ogen. Ze keken naar een ver punt. Selims mond hing open, net alsof hij een stille schreeuw uitte. De armen die de plastic tas met eten en drinken hadden omklemd, vielen slap naar twee kanten, verlost van de druk van het tapijt. (…) Twee dagen later bracht een groot vliegtuig Selim terug naar zijn land. De reis duurde drie uur. En over de doodskist lag het tapijt.’
Hoe terecht het is dat Hafid Bouazza inmiddels al veel positieve aandacht heeft gekregen voor zijn verhalenbundel De voeten van Abdullah, bewijst zijn verhaal 'De verloren zoon’. Op zijn bekende manier geobsedeerd door seksualiteit en religie excelleert Bouazza opnieuw terwijl hij de geschiedenis ontvouwt van een jongen die eerst zeven jaar lang 'van omhelzing naar omhelzing’ gaat in Nederland ('De vrouwen waren gewillig, een paradijselijke situatie’) maar ten slotte uit dat 'wonderland’ vertrekt om te gaan trouwen in Marokko.
Als de bruid is gevonden, breekt de huwelijksnacht aan. De man mag volgens de traditie de bruid niet eerder zien. Nieuwsgierig als hij is naar de seksuele gedragingen van Marokkaanse meisjes, kan de ik-verteller nauwelijks zijn geduld bedwingen: welk lichaam zou er schuilgaan onder die prachtige sluiers en gewaden waarmee zijn aanstaande, Fattuma bint Fatima bint Futayma bint Fattama is getooid? (Niet verklappen!)
Het niveau van Hafid Bouazza wordt helaas niet door de anderen gehaald; hij staat op eenzame hoogte. Stuk voor stuk zijn het aardige bijdragen, maar ze hebben vaak iets voorspelbaars. 'Ik weet, ik weet wat jij niet weet’ van Malika Al Houbach is een knap geschreven vertelling over de geestelijke schemering van een jongeman - waarbij seksualiteit eveneens de katalysator is. 'Je bent wie je bent’ van Selma Ozcelik is een lange, vrij obligate brief van een (moderne) dochter aan haar (zeer strenge, de traditionele gebruiken aanhangende) vader.
Een positievere indruk maakt 'De schone weg liep niet ver’ van Tuncay Cinibulak, 'van origine Azeri’. Van deze als journalist geschoolde auteur mag het een en ander verwacht worden, gezien het gemak waarmee hij zijn hard-realistische verhaal vertelt (door geldgebrek gedwongen prostitueren jonge meisjes zich aan vrachtwagenchauffeurs, op de grens van Bulgarije).
De drie laatste verhalen in Het land in mij, 'De gouden toren’ van Ozkan Golpinar, een onrustbarend sprookje in het wellustige Amsterdam; 'Regenweer’ van Ceren Taygun, een onrustig sprookje; en 'Zoektocht naar een leidraad’ van Hicham Saydali, een mooi, poetisch, bijna duizend-en-een-nachtachtige vertelling, onderstrepen de conclusie dat er onder de twaalf auteurs in de bloemlezing behoorlijk wat getalenteerde jongelingen zijn, die, als ze niet gedwongen worden over dat nogal voor de hand liggende onderwerp - leven op de grens van twee werelden - te schrijven, zonder al te veel moeite verrassende en verfrissende literatuur kunnen gaan schrijven - literatuur waar men in Nederland op dit moment meer dan hevig naar snakt.