Ger Groot

Ontvoerd

Wanneer is de roman geboren? Kort voor het jaar nul, antwoordde Allard Schröder in de lezingencyclus Over de geschiedenis van de roman, die twee jaar geleden door het Utrechtse Studium Generale werd georganiseerd. De bijdragen daaraan zijn nu gebundeld onder de titel Op naar de sterren en daar voorbij! — naar de strijdkreet van space ranger Buzz Lightyear uit Toy Story 1 en 2 (uitg. Prometheus).

Dat is een rare titel voor een boek als dit, genomen uit de bijdrage van Arie Storm die — samen met een tiental andere schrijvers — iets te berde mocht brengen over de grote romans uit de westerse canon. Pieter Waterdrinker schrijft over Anna Karenina en haar tegenhangsters in het na-communistische Rusland. Joost Zwagerman betoogt dat Emma Bovary eigenlijk een man is, Rob Schouten schrijft Sterne-achtig over Tristram Shandy, Atte Jongstra Rabelais-achtig over Pantagruel, Anneke Brassinga Proust-achtig over Proust en Barber van de Pol als zichzelf over — natuurlijk — Don Quichot.

Er zijn ook vreemdere stukken bij. Herman Franke breekt het roman-oeuvre van Victor Hugo zo grondig af dat je zelfs geen zin meer hebt in het ene boek dat bij hem wél genade vindt. En Dante wordt bij Arie Storm niet alleen «de grootste schrijver die in dit boek ter sprake komt», maar ook de voorloper van Close Encounters of the Third Kind, Connie Palmens I.M. en de al genoemde Toy Stories. Na die lof heb je geen vijanden meer nodig.

Het zal die avond in Utrecht wel een dolle boel geweest zijn, maar sketches voor tussen de schuifdeuren verliezen op papier al snel hun charme. Niet alleen Dante had beter verdiend, maar ook dit bundeltje, dat in het opstel van Allard Schröder meteen in het begin al zijn hoogtepunt bereikt.

Een theekoepeltje achter in de tuin heet het, en het gaat over de Griekse roman in de oudheid. Veel is daarvan niet over en in wat wél bewaard is gebleven valt het hoge soapgehalte op. Pure ontspanningslectuur voor de burgerklasse, zo concludeert Schröder dan ook met anachronistische gedurfdheid. Het stramien is altijd hetzelfde: schone jongelieden beminnen elkaar, worden ruw gescheiden, doorstaan talloze avonturen om elkaar te hervinden en leven ten slotte lang en gelukkig. Propp zou er, met zijn morfologie van het sprookje, wel raad mee hebben geweten — al blijft de sprookjesachtige wonderbaarlijkheid in de Griekse roman redelijk binnen de perken.

Opvallend is hoe vaak de gelieven in dit soort romans van elkaar gescheiden worden doordat één van beiden wordt ontvoerd. Rovers, piraten of wrede oosterlingen: alles was goed om hen te doen verzeilen in een mysterieuze Oriënt waaruit ze vervolgens dienden te worden gered. Was dat gevaar in die tijd werkelijk zo groot, of behoort het tot de wet van het genre? Als het eerste al waar is, heeft het tweede zeker geholpen. Want zeventien eeuwen later gebeurt in de opera precies hetzelfde. Ontvoering wordt in het opkomende muziekdrama opnieuw een geliefde hinderpaal voor het amoureuze geluk en wederom is het Oosten er de grote boosdoener in.

Dat laatste verdient wel enige nuance, zo merkt Willem Bruls op in zijn zojuist verschenen boek De Oriënt in de opera, dat de betekenisvolle ondertitel Ontvoering, verleiding en bevrijding meekreeg (uitg. Bulaaq). Het Oosten beangstigde, maar intrigeerde ook. Op de golven van de politieke wederwaardigheden schommelde de waardering tussen afschuw en bewondering. In Mozarts Entführung aus dem Serail komen de twee archetypische oosterlingen samen: de wijze en edelmoedige heerser in pasja Selim (die het om onduidelijke reden zonder zangpartij moet stellen) en de wrede bruut in zijn paleisbewaker Osmin.

Enkele eeuwen lang was het Oosten de geliefde spiegel van het Westen, waarin de laatste vooral zichzelf onder de loep nam — zo schrijft Bruls in het voetspoor van Edward Said. Voor de gedroomde Oriënt viel dit lang niet altijd ongunstig uit. Menige ontvoerde Europeaan maakte er opvallend weinig haast mee door verwanten te worden losgekocht. In de literaire traditie was het al niet anders. Ook de Illias, het dichtwerk dat aan de hele Europese literatuur ten grondslag ligt, begint met een ontvoering naar het Oosten. De schone Helena liet het zich met graagte welgevallen.