Ontwaken

Ik merk dat ik zomaar mannen begin te groeten op straat. Het is een gevaarloze activiteit geworden ben ik bang. Ze knikken, ik knik terug, of andersom. Ik denk aan mijn eerste vriendje, die postbode was. Knappe meisjes groeten niet, was zijn bevinding. Heb ik mezelf nu definitief als niet-knap bestempeld door vriendelijk wuivend door het leven te gaan? Ik heb mezelf nooit als zo’n seksbom gezien, zei de vriendin toen we het hadden over mogelijk verflauwende straataandacht. Mogelijk hè. Ik mezelf ook niet, haast ik me nu maar te zeggen, maar anderen wel. De fameuze anderen die, eenmaal binnen mijn actieradius dachten te zijn gearriveerd, van een grote kouwe kermis thuiskwamen. Aantrekken, afstoten. Zo ging het spel, dat waren de regels.

Er is nog wat. Ik heb iets ingrijpends veranderd aan de manier waarop ik mijn ogen opmaak. Decennialange zoektochten naar de ideale bruingouden tint oogschaduw, de ideale crèmige substantie, het fijnste niet-al-harige kwastje… van de een op de andere dag zijn ze gestaakt. Het kohlpotlood, dik, dun, scherp, bot, kompaan sedert krap een halve eeuw… weg. Ik douche nog wel hoor. En een leven zonder mascara is nog steeds geen leven.

Het is natuurlijk allemaal niks waarover ik het heb, ware het niet dat verder geen hond het opmerkt. Waartoe, vraag je je weleens af. Vijf kilo meer of minder, haar niet gewassen, who cares? I don’t fuck with you, blaft Big Sean in mijn oren, terwijl ik al groetend, koptelefoon op, richting pontje loop. Ik heb nieuws voor je Little Sean, ik ook niet met jou.

En m’n parfum dan. Ik weet niet in welke kettingreactie ik ben betrokken, maar ik heb een andere, ook voor het eerst sinds de vorige jaartelling. Ik geniet er zelf buitensporig van, hij spuit niet maar vaporeert, hij is ídioot duur, hij zit in een waanzinnige fles, ik voel me er heel wat mee, maar ja. Maakt een vallende boom geluid ook als er niemand is die het hoort, of hoe ging die filosofische kwestie ook weer.

Verder ook niet echt dramatisch, maar ze zeggen dus jongedame tegen me. Deed ooit alleen de leraar Frans dat, die er ook van hield om te zeggen dat we ‘zo’ niet getrouwd waren, en later de visboer – ik was een twintiger en dan kijk je nergens van op – de afgelopen week gebeurde het me zomaar in de boekhandel bij het afrekenen. ‘Deze voor u jongedame?’ Ik kom al jaren in die zaak, maar ga er nu nooit meer naartoe. Twee dagen later opnieuw bingo, op een terras, uit de mond van de ober, een prille dertiger: ‘Jongedame, wat mag het zijn?’

Gelukkig blijkt het waar, dat in je laatste momenten je leven in een flits aan je voorbijtrekt

Ik hoorde de spijkers in mijn doodskist slaan.

Gelukkig blijkt het waar, dat in je laatste momenten je leven in een flits aan je voorbijtrekt. Ik word gedoopt, lig in de armen van mijn vader als baby’tje dat niet weet wat er gaat komen. Opeens die plens water, maar ja, mijn vader heeft me vast, wat kan mij gebeuren? Het is ook niet zomaar water natuurlijk. Vanaf dat moment draait de wereld om mij.

En vreemd, maar ook waar, dat is-ie blijven doen, merk ik als ik onderweg naar het pontje die mannen aan het groeten ben. Eentje pakt zijn fototoestel, ik snap dat, ik heb nu een lijntje bóven mijn ogen in plaats van eronder, en ik ruik naar een keizerlijke roos die eens in de zoveel jaren bloeit en dan moet je er héél snel bij zijn. En dat deze gast nu zijn lens richt op een hijskraan, tja. Het blijven mannen. Big Sean zegt het nog maar eens in mijn koptelefoon: You lil’ stupid ass bitch, I ain’t fuckin’ with you.

Op het pontje zelf wacht me steevast een warm onthaal. Kleine uitwisselingen kleuren een zorgvuldig en langzaam opgebouwde verstandhouding met de dienstdoende veermannen, met de een wat meer dan de ander. Knikjes, lachjes, een hand die opgestoken wordt. Fijne dag, moet je werken, werk ze, dat werk. A million trillion things, I’d rather fuckin’ do. Nu lacht die ene breder dan ooit naar me, ik kan het hebben, brede lach terug. Hij wil me iets zeggen, vooruit dan.

Wat the f, ik denk even dat hij zegt dat ik mijn mondkapje op moet, alsof hij me niet kent, alsof ik niet een lichtpuntje ben in zijn verschrikkelijke bestaan.