Kijken

Ontwaren

Als heel vroeg in de ochtend het licht ontwaakt, is er nog geen kleur in de lucht. Het land is grijs, de bomen zijn grijs. Dat wilde Rembrandt vangen in zijn waarlijk wonderbaarlijke ets.

Rembrandt, Klein grijs landschap: Een huis en bomen bij een water, 1638-1642. Ets, 3,8 cm x 8, 2 cm © Rijksmuseum Amsterdam

Het is een blaadje papier waarop dicht gekras van lijnen is afgedrukt. Een gekrioel van lijnen is het, naast elkaar en door elkaar, die zich dan geleidelijk verdichten terwijl we ernaar kijken – tot, ineens, uit die wirwar iets te voorschijn komt. Wat we zien lijkt op een landschap. Het is een plek. Vergeet niet dat het een heel kleine ets is. Maar in een breedte van nog geen acht centimeter heeft Rembrandt door de bewegingen van zijn gekras toch een suggestie van ruimte kunnen suggereren. Als we in die dichte concentratie van korte lijntjes echt speuren, zien we ook ijkpunten die de plek beginnen te markeren. Dat gaat eerst, net als lezen, van links naar rechts. Helemaal links ontwaren we een eenvoudige behuizing die langs het water staat. Daar staat ook een boom, pal aan de waterkant, die de hoek van het bouwsel afdekt. De magere kruin van bladeren steekt vrij hoog nog boven het dak uit. De boom reikt tot aan de rand van de prent en beschrijft zo de hoogte van de landschappelijke ruimte. Er staat ook een soort schoorsteen op het dak. Dat lijkt zo, tenminste. Ik noem dit kijken ontwaren.

We beginnen langzaam de vorm van de behuizing te zien. Dan zien we ook de bovendeur die open staat. Binnen is er helder licht. Tegen dat licht staat een gestalte – ik denk, naar buiten te kijken. De deuropening is als een rechthoek getekend. Ook de muren van het huisje bestaan uit korte rechte lijnen, dicht naast elkaar en ook kruiselings getekend. We kijken verder naar rechts langs de waterkant voorlangs het huis. Die kant bestaat uit korte krabbels. Zo is een oever met gras en planten begroeid. Dan maakt de oever een wijde bocht. Het water wordt breder. De bocht lijkt ook een rand. Ik zie daar vooral rechte lijnen. Het zou een soort beschoeiing van planken kunnen zijn. Daar boven ontwaar ik een paar bomen met volle kruinen. In de buurt is ook lager struikgewas. De boomkruinen zijn rond en ogenschijnlijk dicht vertakt. Hun volume werd getekend met wollig gekrulde lijnen. In de magere kruin van de hoge boom bij het huis zit meer doorzichtigheid. De bomen verderop lijken kluwens van gebladerte.

De bovendeur staat open. Helder licht. Daar staat een gestalte

Onder in het water zien we die boomkruinen weerspiegeld. Daar is ook het wateroppervlak aangeduid met rechte lijnen dicht naast elkaar. Die lijnen zijn strak, ze beven niet. De reflectie van de boomkruinen is helder. Het water is roerloos en rimpelt niet. Dat alles kun je gewoon zien als je de ragfijne bewegingen van lijn oplettend volgt.

Verderop begint de ligging van het land wat te veranderen. Zo tekent Rembrandt het omdat hij het zo ziet. Eerst zien we, langs het water getekend met rechte lijntjes naast elkaar, het zwaarder worden van de lage oever die daar stevig oploopt. Dan wordt het land geleidelijk hoger. Dat tekent Rembrandt met verticale rechte bewegingen van lijn, hier en daar op en neer, en vrij dicht gegroepeerd. Maar daar doorheen zien we ook dwarse markeringen. Een pad of een heg die daar stond. Die stukken horizontale lijn laten het land zien dat stapsgewijs hoger wordt.

Dan ligt daar een lijn die helder is als een grens. Vlak daaronder rechte lijnen naast elkaar en licht scheef gearceerd. Het lijkt ook of daar meer licht is. Die lijn die ik een grens noemde is onrustig omdat ze beweegt met de oneffenheid van het land. Het is ook een lijn die van het land de eerste hoogte aangeeft. Ik kan mij voorstellen dat die hoogte ook achterlangs de boomkruinen gaat links in het landschap. Zelfs ontwaar ik daar boven op de heuvel nog een bouwsel, rechts van de hoge boom beneden bij het huis aan het water. Die eerste grenslijn, zo ziet het ernaar uit, is de begrenzing van de plek van het landschap.

Het is die plek, denk ik, die Rembrandt ooit heeft gezien – een plek die enigszins beschut was en die het motief voor deze geheimzinnige ets werd. Voorbij de eerste grens verschenen, halverwege de prent, nog wat heuvels. Ze zijn begroeid als duinen. Dat kunnen we zien aan hoe warrig gekruld de lijnen gekrast zijn – ook kortaf als stug helmgras. De scheiding tussen land en lucht bestaat uit buigingen. Die omsluiten de plek met water. Maar boven de rand van de horizon is er een helder licht. Dat is het ochtendgloren, als het eerste licht verschijnt. We zien de spiegeling van dat licht ook in het stille oppervlak van het water. Er is zo vroeg als het licht ontwaakt nog geen kleur in de lucht. Het land is grijs, de bomen zijn grijs. De ets, die Klein grijs landschap heet, is waarlijk wonderbaarlijk. Maar waarom maakt een kunstenaar zoiets kleins en povers? Omdat hij het zo wilde maken. Hij wilde ook wel eens grijs licht proberen. Een andere reden kan ik niet bedenken. En dat grijze gekras is meesterlijk en adembenemend.