Kunst - Design en avant-garde

Ontwerpers zonder publiek

Bij zijn afscheid als hoogleraar designgeschiedenis aan de TU Delft kreeg Timo de Rijk een mini-symposium over ‘Design as Debate’, over de cultuur van en de kritische houding binnen het design-onderwijs. Daar sprak Thomas Widdershoven, directeur van Thonik en voormalig creatief directeur van Design Academy Eindhoven, een school die graag het vooruitstrevend-artistieke in het designproces wil benadrukken.

Medium kunst
Maarten Baas, Clay, Ventilatoren, 2007 © Marten de Leeuw

Aan Widdershovens directeurschap is vorig jaar voortijdig een einde gekomen. Dat wees op een diep ongemak: ‘Eindhoven’ en, bij extensie, ‘Dutch Design’ zijn instituten geworden, al lang niet meer zo beweeglijk en verfrissend en interessant als twintig jaar geleden. De Rijk poneerde hetzelfde nog eens bij zijn aantreden in zijn nieuwe baan, in het Stedelijk Museum van Den Bosch. Designers zijn verworden tot ‘ontwerpers zonder publiek’, zei hij, ze ontwerpen voor de galerie, niet voor de wereld. Zijn eerste tentoonstelling is een schot voor de boeg: De laatste avant-garde: Radicaal design in Italië 1966-1988. Dat was andere koek: ‘een revolutionaire generatie ontwerpers’, jonge vormgevers die experimenteerden ‘met nieuwe vormen voor een nieuwe maatschappij’, ja zelfs voor hooggestemde utopieën. Kom daar maar eens om, tegenwoordig: het begrip ‘avant-garde’ is althans in het Nederlands ontwerpen een stille dood gestorven. De requiemmis was de tentoonstelling van het werk van Marcel Wanders in het Stedelijk Museum, Amsterdam.

Daartegenover staat, in Groningen, Hide & Seek: een overzicht van het werk van Maarten Baas, exponent van alles wat aan Dutch Design nou juist vrolijk, tegendraads, raar en grappig was. Het is een leuke tentoonstelling. Baas is de maker van dingen die vooral heel onzeker zijn over hun status – stoeltjes van klei die staan te trillen op hun benen, een staande klok (Real Time) waarvan de wijzerplaat elke minuut door een levende arbeider wordt getekend, meubels die half verkoold zijn en uit de as werden teruggeroepen. Is dat avant-garde, en zo nee waarom niet? Omdat het geen maatschappelijke context heeft? Dat Baas een volstrekt originele geest is, in welke discipline je hem ook rangschikken wilt, is duidelijk, en zijn tentoonstelling staat blijmoedig op zichzelf; of De Rijks Italiaanse utopisten de 21ste eeuw per saldo de maatschappij meer te vertellen hebben, lijkt me onderwerp van discussie.

Dat die discussie relevant is, hoeft geen betoog: kijk maar eens naar de luxueuze serie Abstract: The Art of Design van Netflix. Een even glossy als nietszeggend overzicht van acht ‘ontwerpers’ – variërend van de fotograaf Platon en de illustrator Christoph Niemann tot de schoenenontwerper Tinker Hatfield (Air Jordan). Zij zijn geniaal, en dus zijn hun werken geweldig, en dus zijn zij beroemd, want zij zijn geniaal, enzovoort – zo sluit de redenering. Illustratief is de aflevering over Ilse Crawford, een vernuftige decorateur van eersteklas hotels en poenige businesslounges op Chinese vliegvelden. Zij is ook docente aan Design Academy Eindhoven. De documentaire toont haar in gesprek met een student die het ambachtelijk borstelmaken heeft ‘onderzocht’. Hij toont het resultaat: een nieuwe bezem op een oude steel. Oud ambacht en nieuw design verenigd, zegt hij blij: de kenner ziet dat dat met één domme kruiskopschroef gedaan is. Hier zie je iets wegzakken, in gemakzucht en formule.


De laatste avant-garde: Radicaal design in Italië 1966-1988, Stedelijk Museum Den Bosch, t/m 11 juni; sm-s.nl. Hide & Seek, Maarten Baas, Groninger Museum, t/m 24 september; groningermuseum.nl. Abstract is te zien op Netflix