Ontwikkeling en hulp

Ontwikkelingshulp – dat schijnt een plicht te zijn.
De mensen in ontwikkelingslanden zijn namelijk heel arm (en kunnen daar niets aan doen), terwijl wij heel rijk zijn. En wat je dan hoort is:
– Het is een vorm van beschaving om de armen te helpen.
– Er is een collectieve moraal en die zegt dat we zoiets niet mogen laten gebeuren.
– We hebben een verantwoordelijkheid ten opzichte van die arme landen.
– Wanneer we die landen niet helpen, dan wordt de trek naar onze rijke landen nog groter – en ik weet niet wat er dan gaat gebeuren.
Alleen het laatste argument gaat eigenlijk niet uit van ‘schuld’. De andere argumenten vertellen ons: we hebben er schuld aan dat zij arm zijn en wij rijk – en we moeten die schuld vereffenen. Die schuld is een christelijke schuld. We zijn opgevoed met die schuld en vinden het daarom een moreel juist criterium. Maar ik heb helemaal geen schuld en ik voel die ook niet. Beschaving wordt niet meteen gedefinieerd door het delgen van schulden, zeker niet als je geen schuld voelt, en zoiets als een collectieve moraal bestaat volgens mij niet. Wie ons die verantwoordelijkheid heeft opgelegd om die arme landen te helpen, weet ik ook niet.
Voor het laatste argument – vreemde volken trekken ons land binnen – ben ik wél gevoelig. Maar is het ook waar?
Het vreemde is dat het laatste argument onlangs door Bert Koenders werd gebezigd bij Pauw en Witteman. De subtekst was duidelijk: ‘Hé wildersianen, jullie willen dat al dat moslimtuig oprot, wel, dan moet je eerder méér aan ontwikkelingshulp doen dan minder.’
(‘Niet als je de grenzen goed dicht laat’, zullen de Wilders-aanhangers zeggen.)
Maar is het juist niet veel humaner – als je al die vorige vooronderstellingen gelooft – om die mensen dan maar vrij naar ons land te laten komen? Als we beschaafd zijn, als er een collectieve moraal is, als we verantwoordelijkheid dragen, dan moeten we niet halfslachtig zijn en de arme mensen hier welkom heten. Maar het paradoxale is dat Koenders, die al die vorige vooronderstellingen onderschrijft, dat laatste juist niet wil. Hij waarschuwt ons er zelfs voor en houdt het ons voor als een bedorven worst.
Ik weet wel waarom hij dat doet.
Stel dat we inderdaad ‘beschaafd’ zouden handelen, onze ‘collectieve moraal’ zouden laten spreken en ‘onze verantwoordelijkheid’ zouden nemen, dan zou het niet alleen hier een troep worden, maar daar ook.
De vooronderstellingen zouden namelijk één voor één onjuist blijken te zijn, of anders gezegd: de criteria van beschaving zouden razendsnel veranderen, de collectieve moraal zou snel vaporiseren, en onze verantwoordelijkheden verschuiven. Daarom is ontwikkelingshulp ook zo’n onderwerp waarin we ons hebben vastgeschroefd en het ‘rechtvaardigen’ met abstracte begrippen als moraal en verantwoordelijkheid.
China kent onze schuldcultuur niet, noch onze moraliteit, en handelt volgens eigen inzicht – zoals wij dat, trouwens, destijds ook deden met ‘onze VOC-mentaliteit’. China zet fabrieken neer, koloniseert het gebied, pakt de grondstoffen en knikt beleefd als wij zeggen dat ze ‘een verantwoordelijkheid’ hebben.
Met andere woorden: als ik een arme sloeber zou zijn, hongerig en zonder vooruitzichten, dan zou ik denk ik niet naar Europa gaan, maar naar China.
Ik zou een land als Holland verwijten dat ze met hun mooie praatjes over verantwoordelijkheid en schuld maar 0,8 procent voor ontwikkelingshulp over hebben, en ik zou zeggen: had ons met rust gelaten, had het ons alleen laten doen, zoals jullie. Ja, dan waren er veel kinderen gestorven van de honger, dan waren er miljoenen en miljoenen en miljoenen doden gevallen.
Net als vroeger. Net als nu.