Ontwikkelingsgelden in het water gegooid

Nederland dient, zo meent Frits Bolkestein, geen cent meer uit te geven aan ontwikkelingssamenwerking - door hem ontwikkelingshulp genoemd - dan internationaal is overeengekomen. Immers: ‘ontwikkelingshulp is geen bepalende factor voor de ontwikkeling van een land.’ Dat is een juiste maar tamelijk nietszeggende constatering. Het zal niemand verbazen dat die luizige 5,3 miljard die Nederland jaarlijks aan ontwikkelingssamenwerking uitgeeft, de 1,2 miljard mensen die onder de armoedegrens leven nog niet tot blakende welstand heeft gebracht.

Maar het is vooral nietszeggend omdat Bolkestein niet omschrijft wat hij onder ‘ontwikkeling’ verstaat. Dat wordt tussen de regels door wel duidelijk: Singapore en Hong Kong worden als zeer succesvol beschouwd, en tot op zekere hoogte Korea omdat daar de gemiddelde koopkracht in 1993 hoger lag dan in Nederland. Leuke voorbeelden: Singapore en Hong Kong zijn geen landen maar voor het Westen strategisch belangrijke stadstaatjes, een soort uitstalkasten van het westers kapitalisme zoals West-Berlijn dat was. En als er nou ergens westers geld is ingepompt de laatste vijftig jaar, is het wel in Singapore, Hong Kong en Korea. Niet dat dat leidde tot iets wat lijkt op een stabiele democratie. Over het welzijn van de burgers aldaar valt te twisten, maar vermoedelijk zullen weinig Nederlanders de neiging hebben om de koffers te pakken en daar een nieuw koopkrachtig bestaan op te bouwen.
Ontwikkelingssamenwerking is een soort middeleeuwse aflaat geworden volgens Bolkestein. Het geld gaat uit schuldgevoel de deur uit, naar de effectiviteit van de bestedingen wordt niet meer gekeken. Nu is er al vaker op gewezen dat de bestaande maatschappelijke steun voor ontwikkelingssamenwerking vooral is gebaseerd op welbegrepen eigenbelang. Nogal wat groepen in Nederland profiteren van dat geld: bedrijfsleven, vakbeweging, alle mensen op de loonlijsten van medefinancieringsorganisaties en particuliere hulporganisaties, consultants, studenten. En laat de consensus in Nederland over de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking deels worden geschraagd door schuldgevoel - wat geeft dat? De stelling van Bolkestein dat onze rijkdom en de armoede in Afrika niet oorzakelijk zijn verbonden, is eenvoudig onzin. Dat oorzakelijke verband was er historisch, en dat is er nu nog.
De effectiviteit is overigens wel degelijk onderzocht: een derde van de ontwikkelingsprojecten kan als zinvol worden beschouwd, een derde als mislukt en een derde hangt daar tussenin ongeveer dezelfde score als waar het meeste medisch handelen sinds jaar en dag op uitkomt. Terecht worden projecten beoordeeld op de vraag of de eigen doelstelling is gehaald. Maar een project dat de doelstelling niet haalt, kan nog wel een positief effect hebben gehad. Een familyplanning-programma waarbij het aantal geboorten niet binnen afzienbare tijd is gedaald, wordt als mislukt beschouwd, terwijl de gezondheid van vrouwen waarschijnlijk is verbeterd, ze beter geinformeerd zijn en meer controle hebben gekregen over hun eigen vruchtbaarheid.
Ontwikkelingssamenwerking leidt aan dezelfde kwaal als iedere andere begrotingspost: het geld wordt uitgegeven, en als de goede en zinvolle projecten op zijn, gaat het geld naar minder goede projecten. Dat ligt niet aan het schuldgevoel of aan een gebrek aan controle, dat is de Nederlandse begrotingssystematiek. Ook op het departement van Onderwijs worden in de laatste maanden van het jaar alle potjes grondig geleegd - geld overhouden betekent het jaar daarop minder geld ontvangen en waarschijnlijk structureel geld kwijtraken. Elke behoorlijke bestuurder - van minister tot wethouder tot directeur van een gesubsidieerde instelling, ziekenhuis of school - zal dat proberen te voorkomen.
Lokaal bestuur is veel belangrijker voor het welslagen van de ontwikkeling dan hulp, zo stelt Bolkestein verder. Ghana bijvoorbeeld, in de jaren vijftig relatief een rijk land, heeft het op die manier verknald. Nee: Ghana is door koloniaal beleid veranderd in een grote cacaoplantage, een produkt dat niets meer waard was op de wereldmarkt in de jaren zeventig. De lokale invulling van een structureel aanpassingsprogramma joeg vervolgens zowat de gehele middenklasse onder de armoedegrens, en de afbraak van onderwijs- en gezondheidsvoorzieningen deed de rest. Een combinatie van factoren dus, net als elk ander ingewikkeld maatschappelijk verschijnsel. In Tanzania, dat andere geliefde voorbeeld van falend ontwikkelingsbeleid, krijgt de Afrikaanse vorm van het socialisme de schuld. Toch is al meermalen aangetoond dat niet de ontwikkelingssamenwerking maar de kapitaalsintensieve projecten, die zo populair waren bij het Nederlandse bedrijfsleven, Tanzania hebben opgezadeld met een groot aantal 'witte olifanten’: industriele en agrarische projecten die gezien de stand van de technologie en de kennis in Tanzania niet kunnen overleven.
De economische tijgers in Zuidoost-Azie aan de andere kant zijn grootscheepse hulpontvangers sinds tientallen jaren. Ontwikkelingssamenwerking is inderdaad een factor, zij het niet de belangrijkste factor in de ontwikkeling van een land. Ook Bolkestein wijst erop dat de wereldhandelsverhoudingen veel belangrijker zijn - en die worden zoals bekend door het Westen hardnekkig beschermd.
Is er dan niets mis met de ontwikkelingssamenwerking? Zeker wel. Bijvoorbeeld de grenzeloze arrogantie van een groot aantal ontwikkelingsorganisaties die al jarenlang iedere discussie uit de weg gaan omdat ze ervan uitgaan dat ze het vastgestelde deel van de koek toch wel ieder jaar krijgen. Een ander punt is dat ontwikkelingssamenwerking wordt opgezadeld met een eindeloze reeks beleidsdoelstellingen, van het bestrijden van de armoede tot het centraal stellen van de positie van vrouwen en de bescherming van het milieu. Doelstellingen die niet allemaal kunnen rekenen op een breed draagvlak in de betreffende landen en die met een beperkt budget nauwelijks te realiseren zijn. Ook over mensenrechten, de besteding van gelden en de invloed van donoren is het laatste woord nog niet gesproken. En ja, ontwikkelingswerkers die in het zwembad cocktails drinken en luidkeels klagen over de mentaliteit van de bevolking, bestaan echt.
Hoogste tijd voor een fundamentele discussie dus. Alleen jammer dat de betrokken organisaties het zover hebben laten komen dat de toon en de agenda nu worden bepaald door iemand die denkt dat de vrije markt de mensheid van armoede en ellende zal verlossen. En die iedere verplichting van rijke landen als morele onzin bestempelt.