‘Ontzie deze borst’ (of: de tragedie van het gezin)

In de literatuur van de Oudheid zijn het met name de Griekse tragedies waarin de grenzen tussen het eigene en het vreemde worden verkend.

De mens is een weerzinwekkend wezen. Hij treitert, steelt, moordt, verkracht, onderdrukt en marginaliseert, waarbij moet worden vastgesteld dat de boosdoeners vaker mannen zijn dan vrouwen. Gelukkig zijn er samenlevingsstructuren ontstaan die de ergste excessen in toom houden, maar wat er mis kan gaan wanneer die systemen falen, zien we in Darfur, in Mumbai, op de Westoever van de Jordaan en in de sloppenwijken van Rio. Zolang we niet zelf tot de slachtoffers behoren, kunnen we dergelijke conflicten zakelijk afdoen als onvermijdelijke aspecten van de menselijke existentie, daar we weten dat we van nature geneigd zijn het eigene te beschermen ten koste van wie niet tot de onzen behoren, en dat mannen hun seksuele driften nu eenmaal niet in de hand hebben. Oorlog is normaal, seksuele onderdrukking is normaal. Wie kijkt daar nog van op?
De wereldliteratuur is één groot project om te onderzoeken waar de grenzen tussen het eigene en het vreemde lopen en hoe je je tegenover elk van beide moet gedragen. Mens en dier, mens en god, man en vrouw, vriend en vijand, dat zijn de categorieën waar het om gaat. Alle belangrijke boeken draaien om een viertal vragen. Wie is de baas? Wie bescherm ik in noodsituaties? Wie mag ik doden? Met wie mag ik neuken? In de loop der millennia zijn die vragen wereldwijd verrassend consistent beantwoord. De mens staat net iets hoger dan het dier, maar legt het af tegen God. Het is eervol je vijanden te verslaan. In rampspoed kom je op voor je bloedverwanten, maar het is not done het bed met hen te delen. Gezien het feit dat seks en macht de centrale thema’s zijn, is het niet verwonderlijk dat in vrijwel alle goede verhalen familieverbanden op de voorgrond treden, want waar kun je menselijk gedrag beter observeren dan in de pressure cooker die het gezin nu eenmaal is? De verhoudingen tussen man en vrouw, ouders en kinderen, broers en zusters laten zien hoe moeilijk het is te bepalen waar je de grens moet trekken tussen macht en gezag, tussen seksualiteit en affectie, tussen rivaliteit en vriendschap.
In de literatuur van de Oudheid zijn het met name de Griekse tragedies waarin deze grenzen verkend worden. De drie Attische tragici, Aischylos, Sophokles en Euripides, baseerden hun stukken op verhalen die al veel ouder waren, maar bewerkten ze op zo’n manier dat er sterke, gesloten tekststructuren ontstonden. Het aantal personages wordt drastisch ingeperkt, de onderlinge verhoudingen liggen muurvast en kunnen alleen door iets verschrikkelijks, dat van meet af aan onontkoombaar is, aan het schuiven worden gebracht, en het verhaal heeft, anders dan de werkelijkheid, een duidelijk begin en eind. Vanzelfsprekend bedient een dergelijke plot zich bij voorkeur van een gezinssituatie, omdat het gezin een hecht systeem lijkt, dat echter gedoemd is zijn eigen instabiliteit te genereren. Dat komt enerzijds doordat vader en moeder ook banden onderhouden met het gezin waaruit ze zijn voortgekomen, hetgeen voor loyaliteitsconflicten kan zorgen, anderzijds doordat met het verglijden van de tijd kinderen volwassen worden en de machtsverhoudingen doen kantelen.
In de Griekse mythologie laat de oertijd een archetypische opeenvolging van conflicten tussen vaders en zonen zien. De hemelgod Ouranos wordt ontmand door zijn zoon Kronos, die op zijn beurt te grazen wordt genomen door zijn jongste zoon Zeus, die er weer alles aan doet om te voorkomen dat ook hem de heerschappij zal worden ontfutseld. Zo’n sequentie levert geen afgerond verhaal op, omdat de machtswisselingen tot in het oneindige voortgezet kunnen worden. Het omgekeerde lijkt te gelden voor de meeste verhaaltjes uit de Metamorfosen van Ovidius, die steevast eindigen met een definitieve gedaanteverwisseling die het drama doodslaat. Potentieel bloedstollend is het verhaal van Tereus, die zijn schoonzuster Philomela verkracht, waarop zijn vrouw Procne hun kind Itys doodt en dit als wildbraad aan zijn vader voorzet. Wanneer de protagonisten echter tijdens een woeste achtervolging in vogels veranderen, gaat het verhaal als een nachtkaars uit. Het is jammer dat Ovidius de Poetica van Aristoteles niet gelezen heeft, waarin gewaarschuwd wordt tegen de slappe truc van de deus ex machina, de god uit de hijskraan die een uit de hand gelopen situatie met een paar toverspreuken oplost.
Nee, het ware drama vinden we in de Oresteia van Aischylos, in Oidipous van Sophokles en Medeia van Euripides, om de bekendste stukken te noemen. Daar staan bloedverwanten elkaar fataal naar het leven zonder dat er een oplossing geboden wordt. We identificeren ons met uitvergrote versies van onszelf die in een onmogelijke proefopstelling zijn geplaatst, en huiverend kijken we toe hoe ze verstrikt raken in wat we zo goed kennen, maar wat in onze eigen levens meestal nog net hanteerbaar is. Daarom willen we die stukken steeds opnieuw zien.
In de trilogie van Aischylos zien we hoe Klytaimnestra haar echtgenoot Agamemnon doodt, omdat deze tien jaar eerder hun dochter Iphigeneia heeft geofferd. Agamemnon heeft een fundamentele grens overschreden door te doden wie hij had moeten beschermen, dus het is begrijpelijk (wat niet hetzelfde is als aanvaardbaar) dat de razende moeder wraak neemt: bloedband gaat boven een contingent verbond als het huwelijk. Tragiek ontstaat pas wanneer haar doodgewaande zoon Orestes ten tonele verschijnt, die zich in de positie van zijn vader verplaatst en het als een verplichting ervaart diens dood te wreken. Samen met zijn zuster Elektra, die lichtelijk hysterisch getuigt van haar hartstochtelijke liefde voor zowel haar vermoorde papa als haar teruggevonden broertje, besluit Orestes Klytaimnestra om het leven te brengen.
Wanneer zoon en moeder tegenover elkaar staan, houdt zij hem haar boezem voor: ‘Ontzie deze borst, m’n kind, waar jij zo vaak, al doezelend, met je tandeloze mondje de voedende melk uit zoog.’ Heel even aarzelt Orestes, dan wint de verontwaardiging om wat zijn vader is aangedaan het van de verwantschap met zijn moeder en steekt hij haar overhoop. Kort daarna weet hij zich opgejaagd door de Erinyen, de afgrijselijke wraakgodinnen die hem pas met rust zullen laten na een bijna kolderiek ingrijpen van de goden. De situatie waarin Orestes zich gemanoeuvreerd heeft is onvoorstelbaar schokkend, omdat de band tussen moeder en zoon doorgaans onverbrekelijk is, terwijl we ons misschien wel enigszins kunnen inleven in een zoon die zijn vader opzijschuift, zoals ook moeders en dochters tot op zekere hoogte elkaars rivalen zijn. Paradoxaal genoeg dwingt het feit dat Orestes zijn vader niet meer uit de weg hoeft te ruimen, hem ertoe diens plaats over te nemen en een vijand te worden van wie zijn allernaaste bloedverwante is.
Wanneer Tacitus aan het begin van de tweede eeuw de levensloop van keizer Nero beschrijft, giet hij de gebeurtenissen op subtiele wijze in de vorm van een tragedie. Nero’s moeder Agrippina had hemel en aarde bewogen om hem op de troon te krijgen (ze was daartoe zelfs met haar oom, keizer Claudius, getrouwd, een stotterende alcoholist met een gokverslaving), maar toen de jonge Nero plezier in zijn ambt begon te krijgen, begreep ze dat haar macht tanende was. Tacitus vertelt hoe zij probeerde haar zoon te verleiden, volgens Nero’s biograaf Suetonius bevredigden zij elkaar zelfs tijdens rijtoertjes door de stad. Is Nero op weg een Oidipous te worden, maar dan één die weet met wie hij vrijt? De bronnen zwijgen erover, maar het lijkt waarschijnlijk dat juist die incestueuze verhouding Nero ertoe brengt haar te laten vermoorden. Wanneer je moeder je vrouw wordt, moet een van beiden van het toneel verdwijnen.
Nero nodigt zijn moeder uit voor een lang weekend aan de Golf van Napels, waar een boot voor haar klaarligt die midden op zee doormidden moet breken, teneinde haar dood op een schipbreuk te laten lijken. Agrippina vermoedt dat er iets ontzettends staat te gebeuren, maar ze verlangt te zeer naar haar zoon om niet op de uitnodiging in te gaan. Nadat Nero haar onthaald heeft op een copieuze maaltijd, nemen ze roerend afscheid, waarna Agrippina aan boord gaat van het fatale schip. ‘Het was een rustige nacht’, schrijft Tacitus, de ‘sterren straalden aan de hemel, de zee was kalm. Het leek wel alsof de goden daar met opzet voor gezorgd hadden, om zo aan het licht te brengen dat er sprake was van een misdaad.’ De constructie functioneert echter niet, het schip valt niet uit elkaar, en Agrippina wordt weliswaar overboord gegooid maar weet zwemmend de kust te bereiken. Wanneer Nero hoort dat ze ontkomen is en hij zich realiseert dat ze moet begrijpen wie er achter de aanslag zit, voelt hij, vertelt Tacitus, haar Wraakgodinnen al in zijn nek hijgen. Oidipous is een Orestes geworden. Nero stuurt twee soldaten om het karwei af te maken. Zodra Agrippina de mannen haar slaapkamer ziet binnenkomen, biedt ze hun ostentatief haar moederschoot aan, waarop ze met messteken wordt gedood. Boze tongen beweren dat Nero bij het zien van het lijk haar schoonheid heeft geprezen. Middeleeuwse afbeeldingen suggereren dat ze zwanger was. Was Nero, die al eerder zijn stiefbroer Britannicus had vergiftigd, bang voor een zoon die zijn broer zou zijn?
Onwaarschijnlijk? Welke verlangens ten aanzien van uw vlees en bloed probeert u eigenlijk te onderdrukken, waarde lezer?