Onuitstaanbaar brave borst

Jean-Jacques Rousseau, Emile, of over de opvoeding. Keuze, aantekeningen en inleiding van Anne-Marie Nol, vertaling Anneke Brassinga. Uitgeverij Boom Meppel/Amsterdam, 419 blz., f44,50
EEN OPVOEDINGSROMAN wordt het boek wel genoemd. Groter gotspe is ondenkbaar, want als een boek in het universum van het gedrukte woord geen roman is, is het Jean-Jacques Rousseaus Emile wel. Emile, of over de opvoeding is een betoog, een monoloog van een leraar aan zijn collega’s over hoe zij de aan hun toevertrouwde jongens moeten opvoeden.

Emile is dus geen roman. Nu is dat op zichzelf niet erg, want er zijn wel meer boeken in de geschiedenis als roman gepresenteerd terwijl zij niet aan romandefinities voldeden. Erger is dat Emile wordt gezien als het resultaat van Jean-Jacques Rousseaus originele en diepe gedachten over de opvoeding. Emile is jatwerk. Het allerergste is echter dat Emile wordt beschouwd als een hoogtepunt in de achttiende- eeuwse literatuur, terwijl het eerder een dieptepunt is.
Emile is de antithese van het tijdperk waarin het boek geschreven werd. Het is langdradig, waar de achttiende eeuw spits is. Het is vervelend, in een eeuw van esprit. En het pleegt de allergrootste doodzonde tegen de tijdgeest in zijn humorloosheid. Vijfhonderd pagina’s zonder een grap, vijf boekdelen zonder een snedige opmerking.
Rousseau was een achttiende- eeuwer, dat valt niet te ontkennen. Hij droeg een pruik en een kniebroek, hij liet bloedzuigers zetten tegen koortsen en liet zijn boeken in Amsterdam drukken. Hij was een generatiegenoot van de Encyclopedisten. De achttiende eeuw past echter totaal niet bij Rousseau. Hij hoort thuis in de negentiende eeuw.
ROUSSEAU WERD in 1712 geboren in Geneve. Zijn vader was horlogemaker. Als jonge man werkte Rousseau een tijd als huisleraar bij rijke Zwitserse en Franse families. Hij zag zichzelf echter in de eerste plaats als componist en verhuisde naar Parijs om daar in de salons mensen te ontmoeten die hem konden protegeren. Hij was echter niet in staat zich een houding te geven in mondain gezelschap.
Rousseau deed altijd moeilijk. Hij was een provinciaal te midden van Parijzenaars, een burgerman te midden van edelen, en een halve wees te midden van ouders en kinderen. Hij voelde zich altijd het slachtoffer. Waarom is niet duidelijk, maar hij gaf de schuld van zijn onbehagen aan de decadente sfeer van Parijs. Hij keerde daarom terug naar Zwitserland. Eerst naar Geneve, later naar steeds kleinere plaatsen. In de dorpse omgeving schreef hij zijn boeken: Julie ou la nouvelle Heloise, Du Contrat Social en Emile ou de l'education, in 1762.
Emile is Rousseaus antwoord op de vraag die filosofen zich al eeuwen stellen: Hoe wordt een mens tot een moreel wezen? Bezit een kind bij de geboorte al kennis van het goede of moet die worden onderwezen, en zo ja, hoe dan? Voor de filosofen in Rousseaus tijd luidde het antwoord dat ethiek en godsdienst niet aangeboren waren. Er was goed onderwijs nodig om kinderen met beide vertrouwd te maken. Rousseau nam dit denkbeeld in gewijzigde vorm over.
Emile had een interessant boek kunnen zijn als Rousseau zich over het vermeende onrecht dat hem was aangedaan, had heen gezet. In aanzet had hij spannende ideeen: hij verzette zich tegen de standenmaatschappij, tegen de hegemonie van het christendom, tegen religieuze dogmatiek en tegen de levenswijze van de adel die haar dagen verdeed in luiheid. Maar Rousseau draafde door in zijn haat tegen de maatschappij en de stad in haar meest geperverteerde vorm, en propte alles wat hij maar kon verzinnen in het boek. Zo werd Emile vooral een oefening in wijdlopige zeurderigheid.
In het kort: kinderen komen blanco ter wereld. Zij zijn bij de geboorte in moreel opzicht volmaakt. Maar als zij in aanraking komen met de maatschappij, raken zij gecorrumpeerd. Een kind kan het beste zo ver mogelijk van de maatschappij opgroeien, bij zijn ouders thuis op het platteland, waar het als baby de borst krijgt van zijn moeder. Het moet zo min mogelijk worden lastig gevallen met boekenwijsheid. Laat het maar zo veel mogelijk zelf ‘de les der dingen’ ontdekken tot het een jaar of twaalf is. Breng het daarna in contact met de wereld om hem heen, bijvoorbeeld door een avondwandeling waarin hij de sterren leert onderscheiden of door een bezoek aan de werkplaats van een ambachtsman. Begin pas daarna met de ontwikkeling van het geweten en de naastenliefde. Val het kind ook niet lastig met religie tot de jaren van de adolescentie en laat de jongeling God ontdekken in de grootsheid van de natuur. Zoek daarna, wanneer de geslachtsdrift zich heeft ontwikkeld, een passende partner voor de jongeman: een zedig, onschuldig meisje dat eveneens ver van de corruptie van de stad is opgegroeid.
Rousseau heeft zijn ideeen zelf nooit in de praktijk getoetst. Het typeert de man dat hij zeven kinderen verwekte en die te vondeling liet leggen, omdat hij vond dat de staat zich maar om ze moest bekommeren. Om Emile daarom direct in een hoek te gooien is overdreven. Maar het blijft een theoretische uiteenzetting. De meeste praktische inzichten had Rousseau overigens overgenomen uit werk van tijdgenoten en oudere collega’s. Hij was zeker niet de eerste pedagoog, zoals wel wordt beweerd. In Emile zijn ideeen uit Some Thoughts Concerning Education van John Locke uit 1693 terug te vinden, filosofieen van David Hume, inzichten van Montesquieu en de nagalm van andere collega’s die Rousseau had gelezen.
VEEL VAN ZIJN tijdgenoten meenden dat Rousseau prachtig schreef. Betje Wolff noemde hem in haar brieven haar grote voorbeeld en 'de eerste schrijver van de eeuw’. Zijn portret hing in haar werkkamer, geflankeerd door Hugo de Groot en Erasmus. Betjes bewondering betrof vooral Rousseaus roman Julie ou La Nouvelle Heloise. Zij publiceerde in 1779 haar eigen pedagogische werk Proeve over de opvoeding, gebaseerd op Rousseau. De overigens kinderloos gebleven Betje was al net zo'n groot pleitbezorgster van borstvoeding als haar grote held.
Maar Rousseau dankt zijn blijvende populariteit in de negentiende eeuw waarschijnlijk aan zijn burgerlijkheid. Hij bleek de idealen te verkondigen die de generatie van het restauratieve Congres van Wenen graag onderschreef. In Emile pleitte hij ervoor kinderen zo lang mogelijk onkundig te houden van het seksuele. Ook was hij een warm pleitbezorger van een degelijk arbeidsethos. Het was niet goed rond te slieren; een jongen kon beter een vak leren. Dat was taal die de negentiende-eeuwers wilden horen. De burgerij herkende ook Rousseaus vage godsdienstbegrip, een intuitief en niet dogmatisch voelen van de Schepper, 'dat van binnenuit kwam’.
De vroege socialisten hielden al even veel van Rousseau en zagen hem als hun voorloper, de eerste die pleitte voor de afschaffing der standenmaatschappij. Wie de levensbeschrijving leest die Henriette Roland Holst aan Rousseau wijdde, begrijpt waarom zij zo met hem ingenomen waren. Roland Holst stelt de Zwitser voor als een eenvoudige proletarier, die genoodzaakt was zijn brood te verdienen als gouverneur en die werd uitgebuit door de adel. Roland Holst waardeerde ook Rousseaus literaire credo: 'Maar een meer wijsgerig/ esthetische beoordeling stelt de “Nouvelle Heloise” en de “Emile” hoger dan de “Confessions” en de “Reveries”, omdat de beide eerste werken niet enkel de inner lijke en uiterlijke ervaring van de schrijver in beeld brengen, maar hij in hen de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van zijn sociaal en kosmisch ideaal. En dit is het hoogste, wat de poezie bereiken kan.’ Maar zij relativeerde de rol van Rousseau als wegbereider van de Franse Revolutie. In Emile schrijft hij ergens dat de mensheid een grote verandering tegemoet moet zien. Velen hebben dit gelezen als een voorafschaduwing van 1789. Roland Holst benadrukt dat Rousseau geen verstand had van de revolutionaire praktijk; hij was immers kunstenaar. 'Toch voelde Rousseau dat er in de maatschappij een grote verandering in aantocht was, en wat meer is, hij voelde, bijna de enige onder zijn tijdgenoten, hoe niet de schitterende, atheistische, genotzuchtige, door de corruptie van het ancien regime aangestoken groot-bourgeoisie de stoot tot die verandering kon geven, maar hoe enkel de eenvoudige, onbedorven, zwoegende massa, de gave levenskrachtige kern der natie, kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der levensverhoudingen kon volbrengen.’
OM TOT 'DE levenskrachtige kern der natie’ te komen, is doorzettingsvermogen nodig. Neem Emile. In de Nederlandse vertaling uit 1980 zijn sommige stukken in een kleiner lettertype geparafraseerd. Toch telt deze vertaling/bewerking nog meer dan vierhonderd pagina’s. Er bestaat een aantal uitgaven van Emile van handzamer formaat, maar die bevatten slechts deel I en deel II, de praktische wenken over de opvoeding van kinderen tot de leeftijd van twaalf jaar. De totale Emile bestaat uit vijf delen, van wie vooral deel III en deel IV, over de godsdienstige vorming, niet om door te komen zijn.
In het exemplaar dat ik uit de universiteitsbibliotheek heb geleend, heeft een vorige lezer alle seksismen aangestreept. Zelfs deze gebruiker is er niet in geslaagd het hele boek door te nemen. Zij/ hij is halverwege deel III gestopt en pas bij deel IV weer begonnen. Misschien kreeg ze een lamme arm van het vervangen van 'mensen’ door 'mannen’. Rousseau was namelijk wel progressief, maar hij formuleerde zijn ideeen exclusief voor jongens. Maar misschien is zij ook gewoon in slaap gevallen. Want wat een saaie jongen is die Emile! Dat sjouwt maar met zijn gouverneur door de bergen, denkt maar na over het goede, zoekt God in de natuur en voelt zich aangetrokken tot het zuivere… Hij is zonder meer het meest irritante jongetje uit de wereldliteratuur.
Misschien is het niet zozeer Rousseau als wel zijn aanhang die zo vervelend is. Zolang het nog over zijn pedagogiek gaat, blijven ze relatief ongevaarlijk: fietsvakantietypes, anti-intellectuelen en provincialen. Maar wanneer zij beginnen over Rousseaus 'Algemene Volkswil’ of zijn 'Natuurmens’ - begrippen uit zijn andere boeken - is het zaak snel op te stappen.